de Veeteelt


 

 

 

 

 


De groei van de Nederlandse veeteelt
in de eerste jaren van de 20e eeuw
kwam vooral voor rekening van de intensieve kleinveehouderij,
met varkens en kippen als belangrijkste stapeldieren.
Door voortdurende kwaliteitsverbetering,
onder andere middels wedstrijden en concoursen,
groeide ook in het buitenland
de belangstelling voor Nederlandse produkten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De veemarkt te Leeuwarden in 1912.

Het Friese stamboekvee dat hier werd verhandeld,
was vooral gefokt met het oog op zijn melkgift
en raakte daardoor internationaal befaamd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Nog jarenlang hingen op Nederlandse scholen
instructieve platen als deze,
waarop de jeugd tot in details kon zien
hoe op de boerderij kaas werd gemaakt.
Maar inmiddels vond een groot deel
van de Nederlandse kaasproduktie plaats in de fabriek.

 

BOTER, KAAS EN EIEREN


Imkers en schapenboeren werden het slachtoffer van de nieuwe tijd.
Maar voor het overige ging het de Nederlandse veehouders aan het begin van de 20e eeuw in alle opzichten naar den vleze.

'Hannekemaaiers' werden ze genoemd, de Duitse seizoenarbeiders
die ieder voorjaar naar Nederland trokken om er werk te zoeken
in de landbouw.
Onder andere door de invoering van de maaimachine kwam nog
vóór de Eerste Wereldoorlog aan hun trek een einde.

 

De agrarische depressie uit het laatste kwart van de 19e eeuw had
de Nederlandse veehouderij betrekkelijk ongemoeid gelaten.
Na 1895 maakten de meeste veeteeltsectoren bovendien een opmerkelijke groei door.
Een bewijs daarvan is de groei van het inkomen van de gemiddelde veehouder.
Terwijl het inkomen in de zwaar getroffen akkerbouw aan de
vooravond van de Eerste Wereldoorlog nauwelijks verschilde van
dat van dertig jaar geleden, maakte dat in de veeteelt een groei door
van liefst 75 procent.

Uitzondering vormden de schapenteelt en de bijenhouderij.
Dat had echter minder te maken met de depressie dan met de grote agrarische omwentelingen in deze periode.
Schapen en bijen moesten wijken voor de uitbreiding van de landbouw
en voor de heideontginningen die daar mede een gevolg van waren.
Bovendien werd honing in het Nederlandse dieet verdrongen door
de inheemse bietsuiker en zorgden betere internationale verbindingen ervoor dat de Westeuropese markt overstroomd werd met goedkoop schapevlees uit Australië en Nieuw-Zeeland.

Wie wèl profiteerden van het herstel en de uitbreiding van de akker-
bouw waren de paardenfokkers.
Door een toenemende vraag naar deze trekdieren groeide de Neder-
landse paardenstapel tussen 1895 en 1913 met meer dan 25 procent.

De grootste groei kwam in deze periode echter voor rekening van
de intensieve kleinvee-houderij: varkens en kippen. Dat was onder andere een gevolg van de toenemende welvaart in Europa; deze leidde tot een stijgende vraag naar eiwitrijk voedsel.

Vooral de exportmarkt zorgde voor meer dan een verdubbeling van varkens- en kippenstapel in ons land.
Zo steeg de uitvoer van bacon naar Engeland tot het viervoudige
werden in 1907 voor het eerst meer eieren uitgevoerd dan
geïmporteerd.

Vooral na de eeuwwisseling werden zodoende de eerste contouren zichtbaar van de moderne bio-industrie in de vorm van een nieuwe vleesconserven-industrie en gespecialiseerde exportslachterijen.
Dat gebeurde vooral in Limburg, Noord-Brabant en op de Veluwe waar de veelal kleine, gemengde bedrijven met de nieuwe varkens- en kippenhouderij ongekende ontwikkelingsmogelijkheden kregen.
Het nadeel van de geringe bedrijfsomvang wisten de boeren op te
vangen door op coöperatieve basis nauw te gaan samenwerken.
Zo groeide bijvoorbeeld de coöperatieve eiermijn van Roermond,
in 1904 opgericht, al gauw uit tot de grootste eiermarkt van Europa.

 

AFSCHEID VAN DE HANNEKEMAAIER

De ontwikkeling van de rundveeteelt oogt in vergelijking daarmee veel minder opvallend: de runderstapel nam met nog geen 25 procent toe. Maar hier bedriegt de schijn.
Tussen 1893 en 1914 steeg de Nederlandse boterproduktie bijvoorbeeld met honderd procent en verdrievoudigde de export ervan.
Ook de uitvoer van kaas groeide naar het dubbele.
In beide gevallen nam Duitsland de helft voor zijn rekening terwijl Engeland - aanvankelijk onze grootste zuivelklant - als afnemer praktisch wegviel.

Veel sterker nog dan die van boter en kaas steeg overigens melk.
Dat had twee oorzaken.
In de eerste plaats nam de melkopbrengst per dier sterk toe door
de verbeterde fokmethoden.
Het instellen van stamboekrassen in de jaren zeventig begon nu zijn vruchten af te werpen.
Vooral het Friese stamboekvee werd in de hele wereld beroemd om
zijn melkgift.
In de tweede plaats leidden grondverbetering en het toenemende
gebruik van kunstmest tot een sterk verbeterde grasproduktie, ook
op armere weilanden.
Tussen 1895 en 1914 stegen de hooiopbrengsten soms wel tot
het dertigvoudige.
Hierdoor kon de stalvoeding zodanig worden verbeterd dat de melk-
produktie ook in de wintermaanden op peil bleef en haar seizoenmatige karakter verloor.
Een bijkomende factor was de mechanisering van de hooiwinning door het inzetten van maaimachines.
Daarmee kwam ook een einde aan de trek van de Duitse seizoen-
arbeiders (de 'hannekemaaiers') die hier sinds jaar en dag emplooi hadden gevonden.

Pogingen om ook het melken te mechaniseren mislukten aanvankelijk echter. Wel maakten de rundveehouders gebruik van een nieuwe Amerikaanse vinding, het prikkeldraad.
Het gebruik ervan stelde hen beter in staat hun dieren op systematische wijze te laten grazen op bepaalde delen van hun weidegronden.

 

Zuivel uit de fabriek

Deze ontwikkeling binnen de rundveeteelt ging gepaard met een bijna revolutionaire omwenteling in de zuivelbereiding.
Tot dusver werden boter en kaas voornamelijk gemaakt op de boer-
derij. Nu verschoof de bereiding ervan in snel tempo naar de fabriek.
Dat was niet alleen qua kosten voordeliger maar kwam ook de kwaliteit ten goede.

Omstreeks 1910 werd al driekwart van de Nederlandse boter fabrieks-
matig bereid.
Volgens sommige schattingen heeft de industrialisering van de melk-
verwerking geleid tot opbrengststijgingen van soms wel 50 procent.
Bovendien kwam nu op veel grotere schaal de zgn. ondermelk beschikbaar, een afvalprodukt dat echter uitstekend bruikbaar was
in de varkensfokkerij.

De eerste stoomzuivelfabrieken werden gesticht in de jaren zeventig,
vrijwel onmiddellijk na de uitvinding van de melkcentrifuge voor het machinaal ontromen van melk.
De nieuwe fabrieken legden zich ook toe op de vervaardiging van nieuwe produkten zoals melkpoeder en gecondenseerde melk; beide bij uitstek geschikt voor de export naar verre landen.
Aanvankelijk overheerste in deze sector de particuliere fabrikant.
Maar ook hier nam de boerencoöperatie al spoedig het heft in handen.
De eerste coöperatieve zuivelfabriek werd in 1886 gesticht in het Friese Warga.

Vijftien jaar later waren, over het gehele land verspreid, al bijna zeshonderd van zulke fabrieken in bedrijf.
Hun produktie overtrof toen al die van alle zelfkazende boeren en particuliere fabrikanten tezamen.
Vooral in Friesland, waar de vetweiderij (het mesten van vleeskoeien) inmiddels had moeten plaatsmaken voor de melkveeteelt, kwam het veeteeltbedrijf vrijwel geheel in het teken te staan van de boterfabricage.
Op nog geen achtste deel van het totale Nederlandse grasland produ-ceerden de Friese veehouders een kwart van de Nederlandse boter.
Het hoeft dus geen verbazing te wekken dat al vrij vroeg een zevental plaatselijke coöperaties besloot zijn krachten te bundelen en zelfde export ter hand te nemen.
In 1898 richtten de zeven te Warga de Friese Coöperatieve Zuivelexportvereeniging op, beter bekend als de Frico.
Het was het begin van een voortschrijdende concentratie van het zuivelbedrijf; niet alleen in Friesland maar in het gehele land.

 

naar inhoud 1900 naar index