Vakantieplezier   Schoorvoetend
de paden op
     

 

Nederlandse dienstregeling
voor treinreizen per slaaprijtuig naar Marienbad.

 

  Vakantie was omstreeks de eeuwwisseling een luxe die
alleen de rijken zich konden veroorloven.
Pas geleidelijk kregen ook anderen een kans lichaam
en geest te ontspannen.

Betaalde vakantie werd pas in de jaren dertig algemeen ingevoerd.
Omdat de Nederlandse samenleving omstreeks 1900 in hoofdzaak nog een agrarisch en ambachtelijk karakter had (slechts een minderheid van de bevolking was werkzaam in fabrieken en kantoren of in de zorgsector) was vakantie aanvankelijk een luxe voor de elite.

Boeren en middenstanders hadden er geen tijd voor;
arbeiders hadden in het gunstigste geval drie verlofdagen
per jaar.

Tot de eersten die al vrij snel na de eeuwwisseling vrije
dagen kregen en daardoor van een vakantie konden genieten behoorden de kantoor- en bankemployés, sommige ambte-naren en zij die in het onderwijs werkten.
Dat wil zeggen: ze hoefden een aantal dagen per jaar niet naar hun werk.

Maar omdat ze het geld niet hadden om ver van huis te gaan beperkte hun vakantie zich tot een weekje Valkenburg of
een paar dagen wandelen of fietsen vanuit een Gelders pensionnetje.

Dat was een ander soort vakantie dan die van de rijken.
Die konden zich buitenlandse reizen permitteren, bijvoor-beeld naar kuuroorden in Duitsland of in de Ardennen, of brachten een deel van 'het seizoen' door in Parijs of aan
de Rivièra.

Vóór 1914, anders gezegd, was vakantie weliswaar geen uitzondering meer, maar van massale reizen naar het buitenland was nog geen sprake.

In eigen land werd de natuur een geliefde vakantiebestemming
voor wandelaars en wielrijders.

  Zomervakantie voor de middenklasse

Meestal vanaf juni verschenen in de kranten advertenties met aanbiedingen van vakantiehotels.
Reisbureaus kondigden aan dat ze een verblijf in Zuid-Limburg, in Luxemburg, langs de Rijn of aan het Bodenmeer konden verzorgen en er reden extra treinen naar de kust of naar Duitsland en Zwitserland.

Reizigers werd erop gewezen dat de douane soms knap lastig kon zijn.
Aan de grens moest men uitstappen en met koffers sjouwen;
het kon er nogal eens druk zijn en bij zo'n visitatie ging het er vaak zenuwachtig aan toe.

Gelegenheidskoopjes in het buitenland werden bij terugkeer flink belast en dat was vooral voor onervaren reizigers dikwijls een buitengewoon onaangename verassing.

Op internationale trajecten moest men oppassen voor trein-dieven, een ware plaag in die tijd.
Een reis naar het buitenland was een ondereming waarop
de avonturier dan ook met veel goede raad werd voorbereid.

Veel sneller ontwikkelde zich het toerisme in eigen land.
Langs de kust natuurlijk, maar ook in het binnenland.
Vooral de natuur leek opnieuw te zijn ontdekt.
Te voet of per fiets traden duizenden Nederlanders in het spoor van kunstenaars die al eerder de schoonheid van het Gooi, de Veluwe, de omgeving van Arnhem, Beek en Ubbergen en Zuid-Limburg hadden leren waarderen.

Die belangstelling voor natuur en landschap werd van diverse zijden gestimuleerd.
Door organisaties als de Kweekelingen Geheelonthouders Bond, die jongeren behalve tot geheelonthouding ook opriep tot ascese en een rein leven, ver van de stadscultuur, maar ook door populaire schrijvers als Jac.P.Thijsse en E.Heimans, die de bestudering van flora en fauna tot iets bijzonder spannends maakten.

De ANWB, in 1883 opgericht als de Nederlandsche Velocipe-distenbond, sloot op deze belangstelling aan door te zorgen voor een snel groeiend aantal bewegwijzerde wandel en fietspaden en een netwerk van bondsrijwielherstellers, bondshotels en wat dies meer zij.

Ook de VVV's droegen bij aan het groeiende binnenlandse toerisme hun steentje bij.
De eerste was al in 1885 opgericht in Valkenburg.

Kamperen gebeurde aanvankelijk nog slechts mondjesmaat.
Daarin kwam pas verandering na de oprichting van
de padvinderij in 1911.

 

 

een opname uit 1913 van het populaire Duitse kuuroord Marienbad
dat tienduizenden (rijke) bezoekers trok, ook uit Nederland.

 

 

 

Schoolvakantie omstreden

Het rijkste met vakantiedagen bedeeld was al heel vroeg
de schooljeugd en, logisch gevolg, het onderwijzend personeel.

Schoolkinderen hadden in de zomer een maand vakantie.
Op het platteland was dat meestal geen probleem.
Daar werd de jeugd soms zelfs al eerder van school gehouden omdat ze hard nodig was voor het de boerderij.
Maar in de steden, en met name in de volksbuurten, verveelden de kinderen zich dikwijls al na een paar dagen
en klaagden de moeders steen en been over de lange vakantie.

Onderwijzers en opvoeders haastten zich uit te leggen dat
de kinderen de vakantie hard nodig hadden.
Sterker nog: dat de periode van september tot Kerstmis eigenlijk te lang was en dat er dus een herfstvakantie moest komen.
Dat in dit pleidooi ook eigenbelang een rol speelde ontkenden de schoolmeesters hardnekkig - al moesten ze schoorvoetend toegeven dat de kinderen op 1 september, als de schoolbel weer luidde, vaak een minder opgefriste indruk maakten
dan zijzelf. -

Ze hadden wel enig oog voor de klacht van de ouders, maar voelden toch weinig voor de suggestie dat ze tijdens
de vakantie de kinderen eerst maar eens moesten leren genieten van die zo opgehemelde natuur.
Dat, vonden ze, was niet hun taak.

Als de ouders niet zelf in staat waren de kinderen in
de vakantie bezig te houden moesten de gemeentebesturen maar zorgen voor ruimte en goed ingerichte speelplaatsen met geschoold personeel.
Er waren helaas maar weinig gemeenten die het daarmee eens waren.

naar inhoud 1900 naar index