Pantoffels
achter het schakelbord
De eerste
telefoonnetten waren uitsluitend van plaatselijke betekenis:
een nieuwigheid waarvan lang niet iedereen het nut inzag.
Pas kort voor 1900 kwam daar geleidelijk verandering in.
Al sinds 1877 had het publiek in populair-wetenschappelijke publikaties
kunnen lezen dat het mogelijk was
'de menschelijke stem over grotere afstanden over te brengen'.
Bij
de Dienst der Rijkstelegrafie in Den Haag was men zelfs al bezig proeven
te doen met deze telephone.
Als eerste van het postkantoor aan de Parkstraat naar het Binnen-
hof; een afstand van 732m.
Bij proeven
tussen Scheveningen en Den Haag kwam de Dienst der Rijkstelegrafie echter
in de problemen.
'De gemeenschap was uitmuntend,' schreef een Haagse krant opge-
togen.
Wat moeilijker ging het met de 'gemeenschap' tussen Scheveningen en Rotterdam
via een bovengrondse lijn. De verbinding werd
gestoord door allerlei bijgeluiden.
Later bleken die veroorzaakt door inductie; de telefoonlijn hing te dicht
bij de al bestaande telegraafdraden.
Zo’n
tien jaar later waren in verscheidene Nederlandse steden al concessies
aan particulieren uitgegeven voor de aanleg van lokale telefoonnetten.
Amsterdam was de eerste, in 1881.
De eerste aangeslotenen, 190 in getal, moesten tweehonderd gulden abonnementsgeld
betalen, een prijs die snel daalde naarmate er meer aansluitingen kwamen.
Tot de eerste abonnees behoorden bankiers, effectenhandelaars, zakenlui,
drukkers en een aantal winkeliers.
In de zomer van 1881 voerden ze per dag gemiddeld vierhonderd gesprekken.
KRITIEK
OP DE BLEEKVELDEN
De Amsterdammers
zouden hun aard hebben verloochend als ze niet meteen wat te kankeren
hadden gevonden.
Over de vergunning bijvoorbeeld 'die de telefoonmaatschappij in koelen
bloede was verleend om de daken tot bleekvelden in te richten en hare
drooglijnen over pleinen en huizen te scheren'.
In het
'Algemeen Handelsblad' trok ene Pieter Dwars van leer tegen de telefonistes
die te veel aan het hoofd hadden 'om zich van dat soort aanmekaarkoppelarij
naar eisch te kwijten'.
En wat voor dwaasheid was het dat buren 'in plaats van even met drie stappen
naar elkaars kantoor te gaan, godbetere, over
't Centraal bureel op den Dam, dus langs een omweg van meer dan een halfuur
zaken behandelen'.
En daarbij nog afgeluisterd konden worden ook!
Naar
Europese maatstaven lag Amsterdam zeker niet achter.
Londen was in 1878 de eerste stad geweest met een lokaal telefoonnet (vijftig
abonnees), in 1879 volgde Parijs, daarna Berlijn en een paar andere Duitse
steden.
Maar in de Verenigde Staten had op dat moment iedere stad met meer dan
15.000 inwoners al lang en breed een eigen telefoonnet.
Van interlokaal verkeer was in deze periode nog geen sprake.
Men kon uitsluitend plaatselijk telefoneren en dat alleen nog door tussenkomst
van een telefoniste die in de centrale voor
de verbinding zorgde.
Nadat ze was opgebeld door de aanvrager bracht ze het gesprek tot stand
door via een tweede lijn contact te zoeken met de opgebelde en vervolgens
via een schakelpaneel beide lijnen met elkaar te verbinden.
In grotere gemeenten gebeurde dat in een grote telefoonzaal, met soms
wel twintig telefonistes; ze droegen dienstpantoffels om storende bijgeluiden
tijdens de gesprekken zoveel mogelijk uit te sluiten.
In kleine plaatsen was de telefoniste voor iedere abonnee een goede bekende,
al was het maar door haar stem en haar humeur.
RIJK NEEMT OVER
Tot
1895 hadden particuliere exploitanten van telefoonnetten alle ruimte,
mits ze over een gemeentelijke vergunning beschikten.
Uit vrees echter dat de verliesgevende Rijkstelegraaf het zou afleggen
tegen het nieuwe communicatiemiddel probeerde
de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid toen voor het eerst de
telefoon toe te voegen aan het post- en telegraafapparaat en er een staatsmonopolie
van te maken.
Aanvankelijk
voelde de Tweede Kamer daar weinig voor.
Maar toen er steeds meer klachten kwamen over de wijze waarop particuliere
exploitanten de lokale netten beheerden gaf zij haar verzet op en viel
de telefoon als een rijpe appel in de schoot van
de overheid.
Na 1904,
toen op dat gebied een wet werd aangenomen, gebeurde het nog slechts bij
hoge uitzondering dat een particuliere ondernemer vergunning kreeg een
telefoonnet te exploiteren.
Met enige voortvarendheid was de rijksoverheid inmiddels begonnen met
de aanleg van interlokale telefoonnetten.
Dat
vroeg niet alleen om grote investeringen maar leverde ook nogal wat problemen
op.
Een ervan was dat de al bestaande lokale netten van oudere datum aan het
interlokale rijksnet moesten worden gekoppeld.
Een technisch probleem, omdat er in de loop der tijd verschillende systemen
waren gebruikt.
Desondanks groeide het aantal interlokale gesprekken gestaag.
Waren
het erin 1892 nog maar 67.000, in 1897 was het aantal reeds opgelopen
tot 160.000, twee jaar later tot 480.000 en in 1901 tot 855.000.
Doordat
het aantal gesprekken zo explosief groeide waren de lijnen dikwijls overbelast
en moest men soms lang wachten op een verbinding.
Het verkeer per brief verloor aanvankelijk dan ook niet aan betekenis.
Niet alleen omdat het privékarakter ervan beter was beschermd maar ook
omdat het in die tijd aanzienlijk sneller ging dan tegen-
woordig.
Het was geen uitzondering dat een vroege briefschrijver uit Den Haag nog
dezelfde dag antwoord kreeg uit Apeldoorn.
Evenals
eerder de telegraaf zorgde de telefoon nog vóór de eeuw-
wisseling voor een aanmerkelijke versnelling van het nationale en zelfs
internationale berichtenverkeer.
Al in november 1895 was het mogelijk te telefoneren tussen Amsterdam,
Den Haag, Utrecht, Antwerpen en Brussel.
Minder dan een jaar later kon men vanuit Amsterdam en Rotterdam ook al
bellen met Bremen, Hamburg en Berlijn.
|