Sociale Wetgeving

 

 



Affiche van Albert Hahn sr.
voor een demonstratieve bijeenkomst in Den Haag,
in september 1910,
voor de invoering van een staatspensioen.

 

 

 

De liberaal Sam van Houten.
Met zijn Kinderwetje van 1874
maakte hij een begin met de sociale wetgeving in Nederland.









klik voor een groter formaat

 

Pamflet met informatie over een mini-actie
van een drietal Amsterdamse bakkersgezellen
tegen hun patroon en de slechte arbeidsomstandigheden.
De juiste datum van de vermelde staking is niet meer bekend.

 

 

 

 



Ook elders, en vooral in de opkomende industrie,
waren de werkomstandigheden verre van ideaal
en verkeerden de arbeiders in een uiterst zwakke rechtspositie,
vooral bij ongeval of ziekte.
Deze opname werd in 1909 gemaakt
in de glasblazerij van een Venlose lampenfabriek.

 

Dominee op de barricaden

 

 

In het gevecht om een behoorlijke sociale wetgeving
stond een radicale dominee een aantal jaren in de voorste linies.
Zijn doorzettingsvermogen ten spijt bereikte hij niet wat hij had gewild.

Bakker was omstreeks 1900 een van de zwaarste beroepen in het land.
In het bakkersbedrijf werd veel ’s nachts gewerkt.
Het brood moest 's morgens voor 8 uur bij de klanten worden bezorgd en diende vooral vers zijn.
Alleen arme mensen kochten oud brood, want dat was goedkoper.
Elke morgen tussen 7 en 8 uur sjouwden de bakkersknechten, en vaak ook de kinderen uit het bakkersgezin, daarom met hun kar in weer en wind langs de huizen om het verse brood te slijten.
Uren eerder had de bakker zelf voor de oven gestaan:
zwetend, slaapdronken en zich haastend om de broden op tijd gereed te hebben.

 

 

 

DOMINEE IN DE BRES

De man die aan het begin van de eeuw probeerde de nachtarbeid in de broodbakkerij door middel van wetgeving af te schaffen was ds. Aritius Sybrandus Talma.
Hij was zeker niet de eerste dominee in de politiek die het tot parlementslid en later zelfs tot minister bracht.
Maar hij blonk wel uit door zijn aanpak en doorzettingsvermogen en vooral was hij sociaal bewogen.
Talma was een imponerende figuur: stevig gebouwd, met kort borstelig haar en een vastberaden trek om de mond.

In 1901 werd hij in de Tweede Kamer afgevaardigde voor het district Tietjerksteradeel, waar hij het won van Troelstra, en in 1908 trad hij aan als minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (waaronder ook sociale zaken vielen) in het kabinet-Heemskerk.
Vooral de protestants-christelijke arbeiders verwachtten veel van hem.
Aanvankelijk leek hij die belofte waar te zullen maken. Maar uiteindelijk lukte het hem toch niet de conservatieve meerderheid in de kamer te doorbreken.
Talma was in 1864 geboren in Angeren (gemeente Bemmel), tussen Nijmegen en Arnhem.
In deze laatste stad werd hij later predikant en kreeg hij interesse in de drankbestrijding en de zorg voor daklozen en mensen zonder werk.

Hij verdiepte zich in literatuur over het sociale vraagstuk. En zonder ook maar een moment in socialistisch vaarwater te komen werd hij langzamerhand heel wat radicaler en de meeste van zijn geloofsgenoten in de politiek en zelfs de arbeidersbeweging.
Volgens veel protestanten paste het niet in de goddelijke ordening dat arbeiders zich zelfstandig organiseerden.
Talma dacht daar anders over. Als de arbeiders nu maar strijd voerden in christelijk verband, zou niet alleen hun zedelijk leven gewaarborgd zijn maar zouden ze door betere levensomstandigheden ook betere christenen worden.
Ook Klaas Kater, een metselaar uit Amsterdam en oprichter van het Nederlandsch Werkliedenverbond 'Patrimonium' (1876), had stormgelopen tegen de gevestigde orde in protestants-christelijke kring.

Nog in 1890 was hij woedend uitgevallen tegen de Anti-Revolutionaire Partij toen deze niets wilde weten van christelijke arbeiders in de Tweede Kamer.
In tegenstelling tot Talma meende Kater dat men het in christelijke kring moest zoeken in een vriendschappelijke samenwerking tussen patroons en 'Werknemers.
Van christelijke vakverenigingen bijvoorbeeld wilde hij niets weten.
Toen Talma grote invloed kreeg in 'Patrimonium’ stapte Kater dan ook op en kon de gedreven predikant binnen het verbond zijn radicalere visie verbreiden.

 

TE LINKS EN TE RECHTS

Nu was Talma niet de eerste die, eenmaal minister, met sociale wetgeving kwam.
In 1874 was met die wetgeving een begin gemaakt door middel van het zgn. Kinderwetje van het liberale Kamerlid Sam van Houten.

Het behelsde een arbeidsverbod voor kinderen onder de twaalf jaar, zij het nog met uitzondering van landarbeid en 'huiselijke en persoonlijke diensten'.
De wet kwam er nadat meer dan twintig jaar lang was aangedrongen op ingrijpen van overheidswege in de vreselijke toestanden waaraan kinderen in fabrieken en werkplaatsen blootstonden.
Toch werd nog in 1878 toegestaan dat de arbeid van een achtjarig kind op een vissersschip als een 'persoonlijke dienst' gold, en ook ouders die hun kinderen mee namen naar de fabriek 'om te helpen' werd niets in weg gelegd.

Pas met de Arbeidswet van 1889 kwam doorbraak naar een werkelijke bemoeienis van de staat met het welzijn van de arbeider.
Daarna volgden meer wetten.
Aanvankelijk vooral om specifieke misstand te bestrijden (Veiligheidswet, Woningwet, Gezondheidswet, Wet op het Arbeidscontract) , later ook om arbeiders te verzekeren tegen de gevolgen van ongeval of ziekte -die vaak afschuwelijk waren omdat in zo’n geval het toch al karige loon van de ene dag op andere wegviel.
Deze laatste reeks wetten begon met Ongevallenwet van 1901.

Maar Talma wilde meer:
hij wilde dat werkgevers werknemers in Raden van Arbeid zelf de ordening van het bedrijfsleven ter hand zouden nemen.
Het was een christelijk-sociale gedachte waarbij veel werd overgelaten aan de maatschappelijke krachten.
De staat zou zich moeten beperken tot het scheppen van de voorwaarden waarbinnen zo'n nieuwe ordening tot stand kon komen. Het idee viel slecht.
De conservatieven in de kamer moesten er niets van hebben omdat Talma naar hun mening veel te diep wilde ingrijpen in het maatschappelijk bestel; de sociaal-democraten daarentegen wilden dat de staat veel verder zou gaan en vonden Talma’s ideeën vlees noch vis.

Het voorstel voor een Radenwet waarmee Talma in 1910 in de Tweede Kamer kwam, werd dan ook afgezwakt tot het onherkenbaar was geworden en vervolgens pas in 1913 aangenomen.
Zijn Raden van Arbeid waren toen al teruggesnoeid tot een soort gedecentraliseerde bestuursorganen ten dienste van de arbeidersverzekering.

Een Invaliditeits- en Ouderdomswet, ook van zijn hand, werd in 1913 eveneens aangenomen, maar kwam pas veel later tot uitvoering.
Wel voerde de regering datzelfde jaar, bij wijze van overgangsmaatregel, een tijdelijk staatspensioen in voor arbeiders van zeventig jaar.
Het eerste van deze 'staatspensioentjes' werd eind 1913 uitgekeerd.

Voor bepaalde groepen kreeg Talma er, zij het met veel moeite, een beschermende wetgeving door.
Zijn Bakkerswet, ter afschaffing van de nachtarbeid en beperking van de arbeidsduur van de bakkersknechten, haalde het echter weer niet.
Een Bakkerscomité van grote werkgevers liet zelfs een tijdlang bij zijn huis posten om na te gaan of hij zich niet zelf in alle vroegte een vers kadetje voor het ontbijt liet bezorgen...

In 1913 kwam er een einde aan het kabinet-Heemskerk.
Talma werd weer predikant, dit keer in Bennebroek.
De strijd in de Tweede Kamer had hem echter uitgeput en zijn gezondheid speelde hem parten.
Al in 1916 overleed hij, 52 jaar oud. . .

 
 
 

naar inhoud 1900 naar index