De schoolstrijd






Openbare lagere scholen in Amsterdam
hadden aan het begin van de eeuw geen namen maar nummers.
Deze foto, van school No. 27', werd gemaakt op 30 april 1909,
de geboortedag van prinses Juliana.
Een middagje vrij dus.


 

 

 

 

 

 

 



ARP-leider Abraham Kuyper
accepteerde uiteindelijk de grotere invloed
van de overheid op het onderwijs.
In ruil daarvoor probeerde hij meer geld los te krijgen
voor de bijzondere school.

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 




Het fraai geïllustreerde getuigschrift
van een openbare lagere school in Den Haag,

uitgereikt aan een kennelijk zeer ijverige leerling die zelden spijbelde.
 

Staat, school en subsidie

 

 

Een algemene leerplicht was aan het begin van de eeuw bepaald geen zaak waar iedereen achter stond.
En eenmaal ingevoerd begon de strijd om de macht en het geld.

Een struikelend paard zorgde ervoor dat vanaf 1900 voortaan elk kind naar de lagere school moest.
Maar van gelijkheid was nog geen sprake.
De ene school draaide geheel op kosten van de overheid, aan
de andere moesten de ouders zelf een bijdrage leveren.

Op 30 maart 1900 nam de Tweede Kamer met 50 tegen 49 stemmen een nieuwe wet op de leerplicht aan.
Een van de tegenstemmers, de antirevolutionaire voorman dr.Abraham Kuyper, schreef in De Standaard dat de stemmen gestaakt zouden hebben als zijn partijgenoot J.E.N. baron Schimmelpenninck van der Oije, uit het kiesdistrict Amersfoort, niet afwezig was geweest omdat hij 'dank zij de capriolen van een Oldenburger hengst' van zijn paard was gevallen.
Het paard was in een molshoop getrapt, de afgeworpen berijder had een sleutelbeen gebroken en door diens afwezigheid had de leerplichtwet het gehaald, ondanks de formidabele tegenstand.

Tegenstand?

Inderdaad, die was er. Mocht de staat ouders zomaar dwingen hun kinderen naar school te sturen?
Nee, vonden de antirevolutionaire, de christelijk-historische en de meeste rooms-katholieke volksvertegenwoordigers.
Kinderen zouden door zo'n wet gedwongen kunnen worden naar een openbare school te gaan als er in de buurt geen christelijk onderwijs beschikbaar was. En wat voor schade zou de kinder-ziel dan niet kunnen oplopen als voor de klas een socialistische onderwijzer zou staan die God noch gebod kende en de liefde voor het koningshuis ondermijnde!
De linkerzijde (liberalen en vooral socialisten) dacht er anders over.
Vooral de sociaal-democraat Troelstra had nog wel verder willen gaan: hij wilde dat alle leerplichtige kinderen op kosten van het rijk schoolkleding en -voeding zouden krijgen.
Toch was hij minder radicaal dan sommigen van zijn partijge-noten, die vonden dat de staat 'geen man en geen cent' moest uitgeven aan protestantse en katholieke scholen maar, integen-deel, diende te zorgen voor verplicht neutraal onderwijs dat de ouders geen cent zou kosten.
Dat was ook het standpunt van de Vereeniging ter bevordering van Volksonderwijs, opgericht in 1870, die zich al jaren roerde tegen elke subsidiëring van onderwijs op godsdienstige grond-slag.

Niettemin lukte het Troelstra het zo te plooien dat ook zijn eigen SDAP in 1902 voorstander was van de gelijkstelling van openbaar en bijzonder (= christelijk) onderwijs.
Het ging niet van harte, maar de socialistische voorman had er behoefte aan de christelijke arbeiders tegen zich en zijn partij in het harnas te jagen.

 

GELD OF PRINCIPE?

De schoolstrijd, het taaie gevecht om de volledige gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs, had inmiddels al bijna
een eeuw geduurd. De voorgestelde leerplichtwet was een van de redenen waarom de christelijke partijen krachtiger dan ooit aandrongen op die gelijkstelling.
Als de overheid de kinderen dan toch dwong naar school te gaan dan moest de christelijke school van overheidswege net zo goed worden gefinancierd als de openbare.
In 1889 had het kabinet-Mackay de financiering van het bijzonder onderwijs al gedeeltelijk gelijkgesteld met die van openbare scholen. Maar daarbij ging het alleen om de bijdrage van het rijk.
De rest van de kosten (tweederde deel) werd voor het open-baar onderwijs bijgepast door de gemeenten maar moesten
de bijzondere scholen uit eigen kas halen.
Aan christelijke zijde vonden velen, onder wie Kuyper,
dat Mackay het bijzonder onderwijs had afgescheept met een 'douceur'. Zeker omdat de staat in ruil toezicht op het bijzonder onderwijs; een toezicht dat, aldus Kuyper, 'elk denkbeeld van de vrije school met wortel zou vernietigen'.
Maar de leider van de christelijk-historischen,
jhr.mr.A.E de Savornin Lohman, vond het principe van
de gelijkstelling belangrijker dan de hoogte van de subsidie.
Ook mgr.H.J.A.M.Schaepman, de katholieke leider, kon met
de wet instemmen.
Al in 1868 hadden de Nederlandse bisschoppen in een mandement opgeroepen tot overheidssteun aan het christelijk onderwijs. Sindsdien waren de rooms-katholieken en een deel van de protestanten in de schoolstrijd naar elkaar toegegroeid. Mackay's wetgeving was voor hen een stap in de goede richting:
de liberalen hadden blijkbaar hun principiële verzet tegen
de gelijkstelling opgegeven.

De strijd beslecht

Kuyper accepteerde ten slotte een grotere invloed van de staat - en probeerde in ruil daarvoor meer geld los te krijgen.
In 1905, aan het einde van zijn optreden als minister-president, stelde hij voor de salarissen en pensioenen van onderwijzers op bijzondere scholen (die lager waren dan in het openbaar onder-wijs) geheel ten laste van het rijk te brengen.
Deze 'onderwijsnovelle' leidde opnieuw tot stormachtige tonelen, met 'Volksonderwijs' in de hoofdrol bij de tegen-standers van de gesubsidieerde christelijke school.
Ook de Nederlandse Hervormde predikant dr.Ph.J.Hoedemaker trok van leer tegen de bijzondere school, zij het om andere redenen. Volgens hem moest élke door
de staat betaalde school protestants-christelijk zijn, niet alleen omdat hij iedere vorm van neutraal staatsonderwijs verderfelijk vond maar ook omdat hij niets moest hebben van katholieke scholen. Desondanks werd Kuypers voorstel aangenomen.

Toen het kabinet-Heemskerk in 1913 probeerde door aanpassing van de Grondwet alsnog een volledige gelijkstelling mogelijk te maken liepen de voorstanders van het openbaar onderwijs nog één keer te hoop.
Onbegrijpelijk was dat niet. Heemskerk stelde immers dat het bijzonder onderwijs regel diende te zijn en de openbare school slechts een aanvulling voor het geval de burgers niet zelf met een school kwamen aandragen!
Die oplossing was voor links volstrekt onaanvaardbaar.
Er werd opnieuw fel geageerd en aan het einde van Heemskerks regeringsperiode verdween het voorstel van tafel.


Daarna ging het echter snel. Het nieuwe kabinet, onder leiding van mr. P.W.Gort van der Linden, stelde een 'bevredigingscommissie' in die de grondslag legde voor
de regeling die in 1917 tot stand kwam:
'het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan
de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaven als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd.'

Daarmee was de schoolstrijd ten einde.
Als bekroning van de vrede kreeg Nederland in 1918 voor het eerst een minister van Onderwijs.

 
 
 
 
 


naar inhoud 1900 naar index