|
Schilderkunst

Jan
Toorop aan de handpers in zijn atelier in Katwijk aan Zee.
De kunstenaar drukte er zelf zijn etsen op af.
Aan de nieuwe Beurs in Amsterdam droeg hij drie tableaus bij
waarin onder andere zijn maatschappelijk engagement tot uitdrukking komt.

De
Haagse schilder en grafficus Johan Thorn Prikker
kreeg in eigen land aanvankelijk weinig waardering voor zijn wat moeilijk
te doorgronden werk.
Hij overleed in Keulen, waar hij als Ieraar verbonden was
aan de Kölner Werkschule.

De
eerbiedwaardige Pulchri Studio in Den Haag
bood de nieuwe kunstenaars van omstreeks de eeuwwisseling
naar hun zin te weinig kansen,
evenals de societeit Arti in Amsterdam.
Die houding legde de basis voor het ontstaan van kunstkringen
in vrijwel alle grote steden.
|
|
IN
DIENST VAN DE GEMEENSCHAP
Een aantal Nederlandse
schilders koos omstreeks 1900
voor het nieuwe ideaal van de gemeenschapskunst. Ze brachten het onder
andere tot uiting in het symbool van het nieuwe bouwen, de Beurs van Berlage
te Amsterdam.
In een aantal grote
steden ontstonden kunstkringen die ruim baan gaven aan 'wat jong is en
jong voelt'.
Ze zetten zich af tegen gevestigde kunstenaarskringen en lieten nieuwe
geïnteresseerden kennismaken met de kunst van de 20e eeuw.
In de schilderkunst
van omstreeks 1900 luidde het parool: gemeenschapskunst.
Het begrip is op uiteenlopende manieren geïnterpreteerd,
maar vertegenwoordigt in zijn kern de opvatting dat de verschillende kunstvormen
met elkaar moesten worden samengebracht en vervolgens als geheel in dienst
moesten
staan van de gemeenschap of van een gezamenlijk project.
Van eerdere leuzen als l'art pour l'art ('de kunst voor zichzelf)
en van de kunstenaar als 'een god in het diepst van zijn gedachten' werd
duidelijk afstand genomen.
Of zoals de historicus Johan Huizinga in 1898 schreef:
'De wending der
geesten, die zich omstreeks 1890 in het kunst- en letterkundig leven van
Nederland begon te doen gevoelen, berustte voor een deel op een reactie
tegen het overmatig individualisme en impressionisme der eerste Tachtigers
en sproot voort uit een behoefte aan meer stijl en stelligheid, meer vaste
richting en geloof. Het woord was aan de constructieve geesten.'
VERWANT DRIETAL
Het idee van de gemeenschapskunst
omvatte dus meer dan de schilderkunst alleen, al is het wél zo
dat beeldende kunstenaars
in deze poging tot artistieke samenwerking en synthese ruim vertegenwoordigd
waren.
Drie schilders die zich omstreeks de eeuwwisseling op grond van het nieuwe
ideaal een zekere reputatie verwierven, waren
Anton Derkinderen, Richard Roland Holst en Jan Toorop.
De eerste kan gelden
als representant van een typisch katholieke variant ervan, de tweede is
bekend om zijn socialistische sympathieën, de derde was in de betreffende
periode
een modern schilder die in zijn kunstenaarschap verschillende dimensies
in zich verenigde.
In hun bijdragen aan de inwendige decoratie van de Beurs van Berlage te
Amsterdam - in 1902 voltooid en al spoedig geëtiketteerd als hét
voorbeeld van het 'nieuwe bouwen' - is de mengeling van dienstbaarheid
aan het geheel en filosofische inspiratie duidelijk terug te vinden.
Anton Derkinderen
(1859-1935) was met zijn voorliefde
voor middeleeuwse kunst een voorloper van de katholieke culturele renaissance
rond 1900. Hij excelleerde in een monumentale kunst waarin architectuur
en beeldende kunst zijn verenigd. Zijn reputatie vestigde hij met grote
wandschilderingen.
De eerste, de uitbeelding van de processie van het Heilig Sacrament van
het Mirakel voor de Begijnhofkerk in Amsterdam (1884), werd door zijn
kunstbroeders bewonderd maar door
de opdrachtgevers afgewezen.
In het stadhuis van 's-Hertogenbosch bracht hii twee muurschilderingen
aan in architectonische omlijstingen en in
een figuratie die ontleend was aan middeleeuwse voorbeelden.
Zijn opdracht in de Beurs van Berlage kon hij slechts ten dele
voltooien omdat hij zich niet hield aan de voorgeschreven soberheid.
Richard Nicolaus
Roland Holst (1868-1938) werd in
1897 lid van de SDAP, samen met zijn vrouw, Henriëtte van der Schalk.
Gezien zijn afkomst was die linkse voorkeur zeker niet vanzelfsprekend.
De schilder kwam uit een welgesteld en
vrijzinnig milieu.
In de jaren negentig voelde hij zich aangetrokken door Van Gogh, door
de Brusselse schilders en door de toegepaste kunst van de Engelse beweging
Arts and Craft. Hij werkte een tijdlang in symbolische stijl, om vervolgens
over te schakelen op het genre waarmee hij zijn grootste bekendheid zou
verwerven: een geëngageerde, monumentale schilderkunst.
Zijn wandschilderingen uit deze periode hebben vaak een geometrische grondslag
en werden gemaakt in dienst van de gemeenschap. Vooral van dit laatste
idee gaf Roland Holst ook in geschrifte uiting.
Jan Toorop (1858-1928)
bleek ontvankelijk voor tal van stijlen en ideeën, ook van buiten
Europa een eigenschap die wel zal hebben samengehangen met zijn
multiculturele afkomst.
Hij was geboren op Java, een eiland met een groot vermogen tot absorptie
van diverse culturen, en kreeg zijn artistieke opleiding
in Amsterdam en Brussel.
In deze laatste stad vond hij aansluiting bij de Groep van Twintig; in
Amsterdam werd hij hun tolk die in Nederland de moderne, internationale
kunst introduceerde.
In de hal van Berlages beurs zijn drie tableaus aangebracht waarin
zijn maatschappelijk engagement en zijn symbolische vormgeving
samengaan.
Toorop was een uitgesproken vernieuwer die de gemeenschaps-kunst uiteindelijk
ook weer achter zich liet.
In de jaren negentig ontwikkelde hij een eigen, symbolische stijl waarin
hij gebruikmaakte van godsdienstige, mystieke, anarchistische en socialistische
elementen. Met die stijl beïnvloedde hij ook anderen, onder wie de
Oostenrijkse schilder Gustav Klimt en de Nederlander Thorn Prikker.
De Haagse schilder
Johan Thorn Prikker (1868-1932)
was tijd- en lotgenoot van de drie die hierboven zijn genoemd maar kreeg,
in tegenstelling tot hen, pas achteraf waardering.
Evenals Toorop kwam hij in Brussel terecht, waar hij in contact kwam met
de Belgische architect Henry van de Velde en de Franse schrijver Paul
Verlaine.
Zijn werk is een uitdrukking van een mystieke eenheidsgedachte waarin
hij soms vrijelijk gebruikmaakte van een christelijke beeldtaal maar tegelijk
van moderne literaire bronnen.
Hoewel ook hij een aanhanger was van de gemeenschapskunst slaagden de
meesten van zijn tijdgenoten er niet in zijn werk te doorgronden, vooral
ook omdat het weinig verhalende details bevatte.
De schildersgeneratie
van de gemeenschapskunst was overigens niet uitsluitend werkzaam ter decoratie
van de architectuur. De heren moesten tenslotte ook leven en daartoe diende
hun werk tentoongesteld en verkocht te worden.
In hun tijd was de kunstenaarsvereniging daartoe het belangrijkste medium.
In Amsterdam functioneerde als zodanig sinds 1839 de sociëteit 'Arti
et Amicitiae', in Den Haag sedert 1847 'Pulchri Studio'.
De laatste was aan het einde van de 19e eeuw een bolwerk
van de inmiddels gevestigde Haagse School, en ook het Amsterdamse Arti
stond niet te springen om de nieuwe generatie een kans te geven.
De nieuwe stroming
riep dan ook eigen instellingen in het leven.
Zo richtten Derkinderen, Jan Veth en Willem Witsen - toen nog studenten
aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunst in Amsterdam - in 1881 de Amsterdamse
vereniging Sint Lucas op.
In 1885 volgde De Nederlandsche Etsclub in Den Haag die met heerlijke
bewondering voor de machtige werken der Grooten
een kunst willen van hun eigen bloed en vleesch'. Beide clubs waren voorloper
van een nieuwe mode om in grote steden kunstkringen in het leven te roepen
ter vereniging
'van wat jong is en jong voelt'.
Een soort generatiebreuk waardoor de nieuwe kunst doordrong tot een groter
aantal belangstellenden.
|