Reclame


Al in 1897 werd in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam
een tentoonstelling gehouden van reclamemiddelen
- nog geen 20 jaar nadat de actieve produktreclame
aan haar opmars was begonnen.



Vooral in de grote steden ging de reclame op uiteenlopende wijze de straat op.
Deze 'reclamebrik' werd in 1904 in Amsterdam
gefotografeerd voor de nieuwe beurs van Berlage
die een jaar eerder in gebruik was genomen.
De aangeprezen tandmiddelen werden gemaakt in een fabriekje aan de Amsteldijk



Aan straatbeeldvervuiling maakte de reclamewereld
zich al in een vroeg stadium schuldig,
deze overdaad uit 1914 daar wel een heel kras staaltje van.

 

 

 



Geïllustreerde weekbladadvertentie
voor een nog steeds bestaand merk maïzena.
Ze verscheen in 1911, op dezelfde pagina
waarop ook de annonce stond van 'Spoor's Mosterd'.



Opmerkelijk is de poging deze advertentie te laten lijken
op de metalen reclameborden die indertijd werden aangebracht
op de gevel van winkels waar het produkt te koop was.

 

Verleiders de straat op

 

 

In de tweede helft van de 19e eeuw ging de reclameboodschap de straat op.
Ze richtte zich in eerste instantie op de huisvrouw want die besliste tenslotte over de besteding van het huishoudgeld.

In de dagbladadvertenties had de kwakzalver vooralsnog
de ruimte: pas veel later zou de overheid regels stellen
voor de geneesmiddelen-reclame.
De consument werd dan ook overstroomd met aanbiedingen voor wonderpillen, poeders en zalfjes.

 

Reclame voor een produkt was een eeuw geleden niet nieuw.
De consument was inmiddels vertrouwd geraakt met aan-
prijzingen van merkartikelen.
Hij kwam ze tegen op de gevels van winkels en op reclame-
platen die binnen waren opgehangen.

Tot ver in de 19e eeuw echter waren reclameboodschappen alleen te vinden op plaatsen waar het aangeprezen produkt
ook daadwerkelijk te koop was.
Het plaatsen van reclame in de gedrukte media bestond weliswaar al langer maar bleef lange tijd - letterlijk - beperkt tot de marge van de krant.
Dat kwam doordat de overheid belasting hief op het drukken van kranten en het aantal pagina's daardoor zo werd gehouden.

Na 1869 veranderde dit alles doordat de genoemde belasting, het dagblad-zegel, werd afgeschaft.
Dit leidde tot een drastische wijziging in de techniek van het reclame maken.
De passieve reclame op de verkooplek maakte plaats voor actieve reclame die bij de consument in huis kwam via nieuws-
bladen welke in steeds grotere aantallen werden verspreid.
Sindsdien maakte de produktreclame een snelle groei door.
De nieuwe, niet-winkel-gebonden reclamevormen verschenen ook in het straatbeeld.
Vooral de steden werden verrijkt met metershoge gevel-
beschilderingen en met reclamezuilen: karakteristieke cilinders met een puntdakje waarop in toenemende mate fraai uitge-
voerde affiches in felle kleuren werden bevestigd.

 


Opkomst van de professionele reclame

Het professionele reclame maken in Nederland dateert uit 1837.
De primeur viel toe aan de Rotterdamse partners Nijgh&Van Ditmar.
In 1880 kreeg hun voorbeeld navolging toen Abraham
de la Mar zijn toonaangevende Algemeen Advertentie-Bureau oprichtte.
In het spoor van nieuwe opvattingen over de effectiviteit van reclame die in de Verenigde Staten opgang hadden gemaakt introduceerde De la Mar de veelvuldig herhaalde boodschap die, zo was het idee, op den duur de consument voor zich wint.

Die consument was vooral de huisvrouw; zij speelde een sleutelrol in de reclame voor merkartikelen.
Al vroeg hadden de reclamemakers in de gaten dat het
de vrouw was die bepaalde op welke wijze het huishoudgeld
werd besteed.
De markt voor vrouwgerichte reclameboodschappen was derhalve groter dan die voor 'mannenreclame'.
Het ligt dus voor de hand dat de reclame voor huishoudelijke consumptie- en gebruiksartikelen het snelste tot ontwikkeling kwam.

Ook de vorm van de reclameboodschap werd belangrijker.
In de laatste twintig jaar van de 19e eeuw ontwikkelde reclame zich van een eenvoudig tekstbericht tot een combinatie van informatie en visuele herkenbaarheid.
Ook in gedrukte reclameboodschappen deed de illustratie haar intrede.

Na de eeuwwisseling ontwikkelde zich tussen de advertentie-
bureaus een prijzenslag toen de kranten met kortingstarieven kwamen voor grote adverteerders die ze voortaan zelf aan-
wierven.
Er ontwikkelde zich een systeem waarbij kranten en tijd-
schriften de bureaus commissie betaalden voor geleverde advertentieopdrachten.

Ook vroege vormen van marktonderzoek deden als gevolg hiervan hun intrede: reclamemakers onderzochten vooraf in welke media met een bepaald produkt het beste geadverteerd kon worden.

Grote ondernemingen zoals Philips verzorgden hun eigen reclame.
De Eindhovense gloeilampenfabriek liet het bovendien niet bij reclameplaten en advertenties alleen. Ze bracht haar produkten rechtstreeks onder de aandacht van het publiek.
Met kleurrijke folders, maar meer nog door middel van gratis verspreide en aantrekkelijk vormgegeven prentbriefkaarten en boekenleggers met affiche-achtige afbeeldingen.

 


 

Pillen, poeders en zalfjes

Chique zaken adverteerden aanvankelijk in het Frans.
Het Amsterdamse modehuis Hirsch & Cie. annonceerde op nieuwjaarsdag 1900 haar Vente aux Prix d'Inventaire van damesconfectiekleding.
Relatief veel advertenties prezen geneesmiddelen aan, vooral tegen aandoeningen van maag, darmen en luchtwegen.
Niet al deze middelen waren even doelmatig of betrouwbaar.
Maar aangezien de overheid pas in 1928 met richtlijnen voor geneesmiddelenreclame zou komen hadden verkopers (en kwakzalvers) vooralsnog de ruimte.

In 1900 konden maag- en darmstoornissen worden bestreden door het innemen van maagpoeder van de Arnhemse indus-
triële apotheker Boom dat 'duizenden maaglijders geheel genezen (heeft) van pijn, maagkramp, zuur, hartwater en slechte spijsvertering'.
Voor drie kwartjes kreeg men franco per post een doos met 500 cachets plus attesten thuisgestuurd.

Hielp dat niet dan kon men nog altijd 'Kramer's Medicinale Kinawijn' proberen, f 1,50 per fles, of 'de echte ouderwetsche Urbanus-pillen' waarvan het recept afkomstig heette te zijn
van paus Urbanus VII.

Voor de luchtwegen werd 'Abdijsiroop Klooster Sancta Paula' aanbevolen, een middel dat slijmoplossend werkte en 'weldra verlichting en genezing' bracht.

Het werd omstreeks 1910 nogal agressief op de markt gebracht onder de slagzin:
'Help, help of wij verdrinken: duizenden slachtoffers van asthma, tering of verwaarloosde verkoudheid schreeuwen om hulp.'

Ook huidverzorgingsprodukten waren geliefde reclame-
objecten.
Stokpaardje's 'Lelienmelkzeep', voor twee kwartjes te koop, zorgde voor een 'om te kussen zacht, blank gelaat met rose jeugdig frisch uiterlijk, witte fluweelzachte huid en verblindend schoone teint zonder zomersproeten en huidonreinheden'.
Maar, waarschuwden de scheikundige gebroeders Bloemenberg uit Den Haag, hun eigen schoonheidsinstituut aanprijzend:
'Het is uw eigen schuld als u van alle kwakzalverij niet geneest, want puisten, zwarte pukkels, mede-eters, zomer-
sproeten, wilde haren, moedervlekken, roode neuzen,
te roode of te gele aangezichtskleur, enz. moeten weten-schappelijk behandeld worden.'

 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index