DE POSTERIJEN

 

 

 

 

 

 

 

 



Een van de eerste foto's van een postkar in de binnenstad van Leiden
De opname dateert waarschijnlijk uit de jaren tachtig van de 19e eeuw.




 

 

 

 





Na de invoering van de postzegel
ontwikkelde zich tussen geliefden een speciale 'zegeltaal'

waarin elke positie van de zegel een betekenis had.
Deze kaart dateert uit 1910.

 

 

 



Standaardbrievenbus voor geautomatiseerde lichting
zoals die in 1918 in Nederland in gebruik was.

met één handgreep
kon de postbeambte de inhoud van beide compartimenten
(één voor brieven, de andere voor drukwerk) legen in een postzak.

 

TUSSEN BRIEVENBUS EN GOUDGALON

 

Vanaf het midden van de 19e eeuw breidden de Neder-
landse posterijen hun dienstverlening in snel tempo uit.
Ook internationaal wer orde geschapen in wat voorheen
een chaos was.

Een postbeambte was iemand omstreeks de eeuwwisseling.
Hij beheerste het Nederlands en het Frans, kon snel en nauw-keurig rekenen en, de geografie van Nederland en de koloniën had voor hem geen geheimen.
Daar stond een knap salaris tegenover.

Het overbrengen van brieven, pakketten en geldswaardige papieren was al in de loop van de 18e eeuw een zaak van openbaar belang geworden. Door de toeneming van handel
en verkeer kon deze activiteit niet langer worden overgela-
ten aan particulieren.
Reeds in 1799, na de nationale eenwording, waren alle postdiensten daarom nationaal verklaard.
In 1807, nog in de Franse tijd, was het brievenvervoer
een staatsmonopolie geworden en in 1850 was het Nederland-
se postwezen ingrijpend vernieuwd, onder andere op het punt van tarieven, dienstverlening en de vestiging van kantoren.

Een nieuwigheid was de invoering van de postzegel geweest, in Nederland op 1 januari 1851. Het publiek had daarop met gemengde gevoelens gereageerd.
Tot dan toe was het gebruikelijk geweest dat de ontvanger van een brief de kosten van het vervoer betaalde.
De postzegel betekende betaling vooraf en niet iedereen nam dat in dank af.

 

DIENSTVERLENING UITGEBREID

De Postwet van 1850 beoogde onder andere een betere dienstverlening aan publiek en bedrijfsleven: sneller, betrouwbaarder en voor zover mogelijk onder handbereik.
Middelen daartoe waren de inschakeling van de trein bij
het vervoer en de bouw van een groot aantal post- en hulppostkantoren.
In 1890 was hun aantal al verdubbeld in vergelijking tot het midden van de 19e eeuw.
Bovendien waren her en der in de stad en op het platteland brievenbussen geplaatst zodat men niet meer naar
het postkantoor hoefde om een brief te verzenden. Ook werd de service uitgebreid met andere diensten.

Betrekkelijk nieuw was aan het einde van de 19e eeuw
de mogelijkheid tot het verzenden van briefkaarten, telegrafische postwissels en postbewijzen.
Doordat de posterijen gingen samenwerken met de Rijks-
telegraaf kon men op het postkantoor voortaan ook telegram-
men laten versturen.
In 1881 werden de posterijen uitgebreid met de Rijkspost-
spaarbank en vanaf 1911 fungeerden de postkantoren bovendien als kantoor van de nieuwe Rijksverzekeringsbank.
Men kon er terecht voor de rentezegels, rentekaarten en arbeidsboekjes die in de Arbeidswet van 1911 verplicht waren gesteld.

Om een idee te krijgen van de omvang van het postverkeer in 1900: er werden in dat jaar 100 miljoen brieven, 56 miljoen briefkaarten, 157 miljoen gedrukte stukken (kranten onder andere) en meer dan vijf miljoen postpakketten verzonden.
Om die groeiende stroom kunnen verwerken hadden de post-
erijen 9100 mensen in dienst, tegen 6450 in 1890.
In 1907 was dat aantal gegroeid tot meer dan 13.000.

Het internationale postverkeer nam aan het einde van de
19e eeuw eveneens sterk aan betekenis toe.
Het was een paar eeuwen lang een chaos geweest.
Maar op de congressen van de Union Postale Universelle,
de Wereldpostvereeniging, te Washington (1897) , Rome (1907) werd er voor het eerst enige orde in geschapen, vooral ten aanzien van internationale tarieven en een snelle afhandeling. Met name op dat laatste punt was de verbetering opmerkelijk, zelfs bezien vanuit het heden.
In een tijd waarin van luchtpost alleen nog maar gedroomd kon worden deed een brief uit een Noorse havenstad er slechts drie dagen over om een geadresseerde in Amsterdam te bereiken.

Tot de vernieuwingen aan het begin van de 20e eeuw behoorden de eerste postzegelautomaten (1909), het al in
de brievenbus scheiden van brieven en drukwerk en
de invoering van afstempelmachines waarvan vooral
de elektrische een wonder van snelheid was: duizend brieven of briefkaarten per minuut.

 

KENNIS VAN HET METRIEKE STELSEL

De wens tot een betere dienstverlening leidde ook tot hoge eisen aan de posterij-ambtenaren.
Behalve 'het schrijven van eene goede duidelijke hand, vooral ook wat het stellen van cijfers betreft' dienden ze een grondige kennis van het Nederlands en Frans te bezitten -dit laatste in verband met de taal die in de internationale posterijwereld lange tijd in gebruik is geweest.

Een klerk der posterijen diende 'zijn gedachten zonder moeite in de Fransche taal te kunnen uitdrukken en een prozastuk uit het Nederlandsch in het Fransch te kunnen overbrengen zonder taalfouten'.

Kennis van het Engels en Hoogduits was iets minder belang-
rijk, daarvoor gold 'genoegzame kennis' als voorwaarde.

Andere eisen waren snel en nauwkeurig rekenen en
de vaardigheid om vlot te kunnen omgaan met het metrieke stelsel -niet zo'n vreemde eis in een tijd dat in sommige streken nog gerekend werd in Rijnlandse roeden, Gelderse morgens en meer van dat soort regionale curiositeiten.

Heel belangrijk was ook de kennis van de geografie, met name die van het eigen land:
'Eene, zooveel mogelijk, volledige kennis der aardrijkskunde van het Vaderland en zijne koloniën (...).

De adspirant zal moeten toonen, gemeenzaam te zijn met het gebruik van landkaarten, om daarop met gemak de ligging van bekende plaatsen te kunnen aanwijzen'.
Tegenover al die eisen stond een fatsoenlijke beloning.

De directeuren van hoofdpostkantoren in de drie grote steden hadden een salaris tussen de 4500 en 5500 gulden per jaar.
Een commies vierde klasse kreeg bij aanstelling 1200 gulden per jaar, een bedrag dat na 22 dienstjaren en tussentijdse rangverhogingen kon oplopen tot 2500 gulden.
Een klerk begon met 400 en eindigde na 22 jaar op 1200 gulden; 'brievengaarders' en postboden verdienden naar rato van de behandelde poststukken of kregen betaald per half uur loop- of besteldienst.

Voor het hogere personeel -directeur-generaal, inspecteurs en directeuren van de kantoren der eerste klasse -was
een ambtskostuum voorgeschreven.
Volgens Koninklijk Besluit van 4 december 1899:
'Een gekleede frak van donkerblauw laken volgens de snede van het klein kostuum der Ministers, voorzien van vergulde knoopen, waarop zijn aangebracht een posthoorn en bliksemflitsen met staande kraag; een witte of donker-blauwe pantalon, de eerste voorzien van een goud galon; staande degen met verguld gevest; steek met gouden lis en knoop als aan de frak en oranje kokarde'.

Wie die hoge heren van elkaar wilde onderscheiden moest letten op het goudborduursel op kraag en mouwopslag:
hoe breder dat festoen hoe hoger de heer in kwestie.
Het maximum, zes centimeter, was voorbehouden aan
de directeur-generaal.
En dat in een tijd waarin het tarief voor een brief naar het allerverste buitenland 12% cent bedroeg...

 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index