IN DE OGEN
VAN DE VREEMDELING



  KWETSBAARHEID
VAN NETTE LIEDEN

Bloembollen waren in de ogen van de buitenlander
karakteristiek voor Nederland,
al zag hij doorgaans alleen hun bloei in het voorjaar
en niet de zware arbeid
die voor deze kortstondige pracht verzet moest worden.

 

Hoewel plaatselijke en regionale klederdrachten
steeds meer verdrongen werden door 'stadse' kledij
bleven ze een rol spelen in allerlei reclame-uitingen,
zelfs voor binnenlands gebruik.

 

 

Wonderlijk en lelijk vonden veel vreemdelingen
de Nederlandse klederdrachten.
En menigeen ontging het niet dat onder die kleding
een bevolking schuilging die de koude van het noorden
graag bestreed met krachtige, lokale spiritualiën.

 

Buitenlanders hadden een heel eigen kijk op Nederland. De meesten kwamen niet verder dan Holland; ze waren onderde indruk van al
het water en vonden ons maar een vreemd volkje.

Reizigers vonden de Nederlanders van honderd jaar geleden niet onvriendelijk maar wel wat stijfjes. En de buitenlandse diplomaten in
Den Haag maakten zich zorgen. Zou dat jonge koninginnetje wel zijn opgewassen tegen de Duitse druk?


De buitenlandse reiziger die zo'n honderd jaar geleden zijn indrukken over ons land op schrift stelde, was bijna onvermijdelijk een intellectueel.
Meestal had hij alleen belangstelling voor de steden in Holland die in hun grachten, gebouwen en musea nog iets uitstraalden van de Gouden Eeuw. Hij kwam zelden naar Nederland voor de provincie; dat was een gebied waar hij doorheen reisde, op weg naar Holland.

Wie verder reisde dan Amsterdam had slechts zelden iets diepzinnigs
te melden. De klederdrachten vond men wonderlijk - en vaak heel lelijk. Maar nooit vergat de schrijver te vermelden dat hij de wijdbroeken van Volendam had gezien; dat de Zeeuwse vrouwen er in hun traditionele dracht zo fors uitzagen en dat jonge meisjes in klederdracht, gearmd
en op klompen, zo'n onvergetelijk plaatje vormden als ze op een polderdijk afstaken tegen de hemel waarlangs de Hollandse wolken-luchten voortjoegen.
Zelfs de Franse dichter Paul Verlaine, die in november 1892 op uitnodiging van enkele bevriende schilders en schrijvers een veertien-daags bezoek aan ons land bracht, had na afloop weinig te vertellen.
In zijn reisverslag hield hij zich meer bezig met zichzelf en zijn lezingen dan met het land waar hij te gast was.

VRIENDELIJK MAAR STIJF

Een Italiaanse reiziger schreef dat hij voor zijn vertrek naar Nederland in de atlas had gekeken en zich verbaasd had: bestond er werkelijk
een land met zoveel water; met zoveel rivieren, zeearmen en meren;
met zoveel polders en uiterwaarden?
Ook toen hij hier eenmaal rondreisde raakte hij zijn verbazing niet kwijt. Zeeland bijvoorbeeld vond hij een bizarre archipel. Maar hij kwam wel terug van zijn aanvankelijke idee dat Nederland een land was dat eigen-lijk al uit elkaar was gevallen en dat binnenkort in zee zou verdwijnen.
De vele droogleggingen en de landaanwinning wekten in hoge mate zijn bewondering. Hij kwam dan ook op een goed moment.

In de tweede helft van de 19e eeuw was veel land drooggemalen;
bij Rotterdam bijvoorbeeld en niet te vergeten de Haarlemmermeer:
een reusachtig werk.
Bovendien moet hij zeker hebben vernomen van de plannen die vanaf 1900 werden gemaakt om de Zuiderzee af te sluiten. Dat leek helemaal een wonder.

De meeste vreemdelingen beschreven de Nederlandse bevolking als niet onvriendelijk, maar stijf.
Een Fransman noteerde enigszins bevreemd dat in de herbergen meestal één bezoeker aan het woord was en de anderen bedaard naar hem luisterden — een heel verschil met de druk gesticulerende en dooreen pratende lieden die hij thuis gewend was.
Vooral Franse bezoekers vonden de Nederlandse vrouwen niet erg elegant en de mannen weinig spiritueel in hun conversatie.
Hen vielen vooral de petten op die de meeste mannen hier droegen.
De Nederlander werd in hun beschrijvingen 'netjes' genoemd en 'gezellig' - waarbij men zich haastte zijn lezers duidelijk te maken dat het Franse woord intime voor die laatste kwaliteit beslist geen goede vertaling was.

Zelfs wie hier de winter niet had doorgebracht - en dat waren de meesten - maakte melding van de nationale sport, het schaatsenrijden.
De deinende schepen op het IJ had men meestal wel gezien, een prachtig gezicht.
Hetzelfde gold voor de tulpen: typisch voor Holland en altijd goed om er het verhaal over de dwaze tulpenhandel in de 18e eeuw aan vast te knopen.

DIPLOMATIEKE VERSLAGGEVING

Wie ook over Nederland schreven, waren de buitenlandse gezanten in Den Haag.
In hun zakelijke berichten over de politieke situatie in Nederland besteedden ze veel aandacht aan het probleem van de troonopvolging. Lange tijd immers dreigde de Oranjedynastie uit te sterven, een gevaar dat ook na de geboorte van prinses Juliana in 1909 niet geheel geweken leek.

Van binnenuit, zo meenden de diplomaten, werd de monarchie niet bedreigd.
Zonder nu echt monarchistisch gezind te zijn had de Nederlandse bevolking een redelijk vertrouwen in de Oranjes en stond ze sympathiek tegenover de troon.
Koningin Emma had het als regentes goed gedaan. En het jonge koningin-netje Wilhelmina begon met het jaar meer respect af te dwingen.
Gunstig vonden de diplomatieke verslagschrijvers dat Wilhelmina zich kennelijk niet liet beïnvloeden door haar Duitse familieleden.

Want van Duitse kant, daarover waren de Franse, Engelse en Belgische diplomaten het eens, liep de zelfstandigheid van Nederland het meeste gevaar. In de stijgende internationale spanning, die langzaam begon te ontaarden in een regelrechte oorlogsdreiging, was het niet denkbeeldig dat Duitsland zich op een gegeven ogenblik meester zou maken van
het Nederlandse deltagebied. In diplomatieke kring kwam men te
weten dat keizer Wilhelm koningin Wilhelmina had gewaarschuwd voor 'vervelende consequenties' als Nederland zijn kustverdediging tegen Engeland niet wat beter zou organiseren.

Dat het Nederlandse leger niet zoveel voorstelde wist in Den Haag iedere buitenlandse diplomaat. Evenals hij wist dat de marine en
het koloniale leger zeker niet in staat waren de rijke koloniën te verdedigen als dat nodig zou zijn.
Het meeste vertrouwen had men eigenlijk nog in dr. Abraham Kuyper,
de leider van de anti-revolutionairen: een krachtig en invloedrijk politicus van internationaal niveau en de onbetwiste aanvoerder van de rechterzijde.

naar inhoud 1900 naar index