HUISRAAD EN MEUBILAIR

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boeken waren in huis lange tijd een zeldzaam verschijnsel.
Pas na de invoering van de Leerplichtwet in 1901
werd ook op het platteland het analfabetisme
in snel tempo teruggedrongen.
Vooral de ouderen lazen aanvankelijk slechts sporadisch,
en dan vaak alleen nog in de bijbel of een vroom geschrift.

 

 

 

 

 

 

 

 

In een aantal streken werd, behalve de kleding
ook de inrichting van de woning sterk bepaald
door plaatselijke of regionale tradities.
In dit Spakenburgse interieur is daarvan iets te zien,
o.a. in de betegeling van de schouw
en de muur achter de vrouw in klederdracht.

 

 

 

 

 

 

Gereconstrueerd interieur van een woonkamer
omstreeks het begin van de 20e eeuw.
Het modernste stuk huisraad is de petroleumlamp boven de tafel;
dit type lamp kwam pas in de tweede helft van de vorige eeuw in zwang.
De rest van de aankleding had op wat stijlverschillen na,
ook gepast in de 17e eeuw.

 

 

  Op weg
naar een nieuw comfort


Vooral voor de gegoede burgerij in de stad was het huiselijke leven belangrijk geworden. De inrichting van de woning droeg daarvan onmiskenbaar de sporen.

Op het platteland was het nog heel gebruikelijk dat er in
de woonkamer ook geslapen werd.
Bij burgerij en middenstand kwam dat praktisch niet meer voor. En ook de bedstede was zogoed als verdwenen.

In plaats daarvan waren het ledikant en de nachtkastjes gekomen.
Van huisraad en meubilair in woonkazernes en arbeiders-woningen omstreeks de eeuwwisseling is bijster weinig
bekend. Beter geïnformeerd zijn we over het huisraad van gegoede burgers, middenstanders en boeren.

Iedere tijd heeft zijn nieuwigheden en veranderingen,
ook op dit terrein.
Kachel, ledikant, wastafel en linnenkast waren zaken
die omstreeks 1900 in genoemde milieus vrijwel overal werden aangetroffen.
Met name voor de stadsbevolking was in de 19e eeuw
het huiselijke leven belangrijker geworden.
De 'huiskamer' was daardoor een centrale plaats gaan innemen:
er was tussen woon- en slaapkamer(s) een scheiding ontstaan die honderd jaar eerder nog helemaal niet zo vanzelfsprekend was.Datzelfde gold voor een aparte keuken.

   
 

Gemak in huis

Keuken, slaapkamer en woonkamer:
dat waren rond 1900 voor een groot deel van de bevolking
zo'n beetje de belangrijkste vertrekken.
Wat was daar te vinden? Niet zo weinig, eigenlijk.

In alle keukens bijvoorbeeld stonden niet alleen de nodige potten, pannen en ketels, maar ook gespecialiseerde hulpmiddelen als vergieten, zeven, stampers, puddingvormen, schuimspanen, pollepels en keukenmessen.

Serviezen en bestek omvatten méér dan het strikt nood-zakelijke. Er waren aparte schalen voor vlees, vis, groenten
en fruit; men had vaak een speciaal drinkservies voor koffie
en thee.

   
  In tegenstelling tot wat op het platteland nog gebruikelijk
was, werd in de woonkamers van burgerij en middenstand omstreeks de eeuwwisseling niet meer geslapen.
Daar waren inmiddels aparte slaapkamers voor.

De klassieke bedstede (een soort kast met deuren met daarin bed) had afgedaan, men sliep in ledikanten. De matrassen waren gevuld met stro of veren en men lag onder katoenen of wollen dekens. Daaroverheen lag een bedkleed of een sprei.
Naast het ledikant stonden een of twee nachtkastjes met daarin of daaronder een po; een toilet in huis was nog een zeldzaamheid.

Het meubilair van de slaapkamer werd gecompleteerd met
een wastafel, met waskom, een lampetkan met water en
een spiegel; door een stoel (om de kleren op te leggen) en
een kleer- of een linnenkast.
 


Ook de woon- of huiskamer was al aardig gemeubileerd.
Op de vloer lag doorgaans een tapijt en in de gang een loper.
Centraal stond meestal de tafel met daarop een tafelkleed.
Daaromheen een aantal stoelen met een zitting van gevlochten riet of van het duurdere trijp.
Andere meubelstukken: twee stoelen niet armleuning voor man en vrouw, en vaak ook een canapé.
De meeste meubels waren gemaakt van eike- of mahoniehout.
Tegen de wand een kast om het serviesgoed op te bergen.

De muren, doorgaans behangen, waren versierd met wand-tegeltjes en 'schilderijtjes' en in katholieke streken, zoals
Noord-Brabant, ook met een of meer heiligenbeeldjes op
een console: vaak een afbeelding van Maria.

Andere attributen in zo'n woonkamer: een vogelkooi met bewoner - meestal een kanarie, een barometer, fraaie vazen
en bloempotten met planten en op de schoorsteenmantel steevast een pendule.
Hier en daar stond een piano of een huisorgeltje.
Boekenkasten waren zeldzaam, want boeken bezat men nauwelijks, op een bijbel of een kerkboek na.

Ook in huis was er het een en ander aan het veranderen.
De verwarming bijvoorbeeld.
Tot halverwege de 19e eeuw hadden veel huizen een haard-vuur; het hield de kou uit huis en je kon er bovendien op koken. Aan een hangijzer boven het vuur hing de hele dag
een ketel niet water. Het vuur zelf lag op een rooster en kon met een scherm worden getemperd.
Maar zo tegen 1900 werd in de meeste huizen de kachel
een normaal verschijnsel.

Meestal was het een vierkante kookkachel; ze diende niet alleen ter verwarming, maar men kon er ook verschillende dingen tegelijk op klaarmaken.
Drie of vier ronde openingen naar het vuur dienden om water te koken, vlees of groenten te stoven of iets warm te houden.
Met ijzeren ringen konden die openingen vergroot of verkleind worden, zodat de warmte enigszins te regelen was.
Zulke kachels werden aangestoken met lucifers en 'kachelhoutjes' en gestookt met turf, hout of steenkool.

Een nieuwe vinding, voor de keuken althans, was het petroleumstel.
Ook op het terrein van de verlichting kwamen omstreeks de eeuwwisseling nieuwe ontwikkelingen op gang.
Hier en daar werden nog altijd kaarsen gebruikt, maar normaal was de olielamp. In de meeste huizen had deze
de vorm van een hanglamp waarvan men de vlamhoogte kon regelen.
Veel mensen maakten gebruik van zogenaamde 'argand-lampen', genoemd naar hun uitvinder.
Deze lampen hadden een ringvormige brander en een centrale luchttoevoer in de vorm van een trekglas.

Op sommige plaatsen deed de petroleumgaslamp haar intrede, en in de steden verscheen -na de aanleg van de eerste leidingen- de gasverlichting.
De generatie van omstreeks 1900 had het in huis een stuk gezelliger gemaakt.
Met name de woonruimte was aanzienlijk veranderd. Ze had een zelfstandige functie gekregen, als zit- of huiskamer; men kon het er zich gemakkelijk maken en er was, in de vorm van kasten, meubilair en decoraties, een zekere luxe aanwezig.

De taak van de huisvrouw was met dat alles overigens wel iets, maar nog niet ingrijpend lichter geworden.
Dat zou duren tot de komst van de eerste wasmachines, stofzuigers, gaskomforen en de aanleg van waterleidingen.

naar inhoud 1900 naar index