| Nederlanders
of streekbewoner
Overal
in het land, en met name op het platteland, overheersten
nog plaatselijke gebruiken en tradities.
Na 1900
ontstond de behoefte deze in bescherming te nemen.
Waren er eigenlijk al Nederlanders aan het einde van de vorige eeuw?
Volgens de
Grondwet natuurlijk wel.
Maar in de praktijk bleek de Nederlandse bevolking van die tijd
toch meer een optelsom van streekbewoners dan een hechte eenheid.
Neem
alleen al de verschillen in het kleine stukje Nederland dat bekend staat
als het Gooi- en Eemland.
Aan de kust van de Zuiderzee lag daar het vissersdorp Huizen.
Een beste haven had het niet en van goede toegangswegen over
land was al helemaal geen sprake.
De 5000 inwoners leefden van de visserij.
De haring die de vissers elk jaar binnenbrachten, werd voor een groot
deel gezouten en gerookt in de tien rokerijen van het dorp.
De manden waarin de vis werd vervoerd, werden in eigen
mandenmakerijen gemaakt.
De Huizenaren
vormden een hechte gemeenschap. Ze hadden een eigen klederdracht en een
eigen dialect, en slechts bij uitzondering trouwden ze buiten het dorp.
In de omgeving
stonden ze bekend als vechtersbazen en alles wijst er inderdaad op dat
het geen mak volkje was.
Hun isolement begon pas af te nemen toen vanaf 1882 de Huizer tram ging
rijden.
Niet ver van Huizen ligt Naarden.
Vroeger was er een klein zijde- en lakenbedrijfje geweest, later ontstond
op de vruchtbare humusgrond een aantal boomkwekerijen.
Naarden kreeg pas landelijke bekendheid in 1904, toen Amster-dam het plan
opvatte het Naardermeer als vuilstortplaats te gaan gebruiken.
Dat plan ging
weliswaar niet door, maar intussen hadden natuurliefhebbers als Jac. P.
Thijsse zoveel verzet gemobiliseerd dat uit deze affaire de Vereniging
tot Behoud van Natuurmonu-menten voortkwam.
In datzelfde
Gooi- en Eemland lagen dan bijvoorbeeld ook nog
de volstrekt anders geaarde 'schildersdorpen' Laren en Blaricum met hun
geheel eigen sfeer en gemeenten Hilversum en Bussum met hun villa's en
buitens.
METWORST
UIT BOXMEER
Gilden,
schutterijen en ruiterclubs waren erbij de vleet;
in elke regio, in ieder dorp welhaast.
Ze hadden hun eigen kleding en reglementen hun eigen geschiedenis en gebruiken.
Het Brabantse dorp Boxmeer kende sinds 1642 de ruiter-vereniging 'De Metworst'.
Ze trad
op bij ieder plaatselijk feest en nam elders deel aan concoursen en optochten.
De tientallen ruiters vertoonden dan hun kunsten en voerden een mallotige
'praalwagen' met zich mee.
Op de wagen stond een bierton, omringd door de 'freule'
en haar 'pages'.
Ze hielden een grote roggemik, een varkenskop en een varkens-poot vast
en waren omhangen met een metworst.
'De
Metworst' had een carnavaleske kant.
Ze hield een oud gebruik in ere dat in de 17e eeuw was ingesteld door
een grande dame in Boxmeer (de 'freule') :
een paardenrace met carnaval, met als prijs een meterslange metworst die
later werd verdeeld onder de armen van het dorp.
Volgens de reglementen moesten de leden van 'De Metworst' gekleed gaan
in blauwe kiel en witte broek en kon 'het winnen
der metworst (...) alleen geschieden door een Boxmeersche jongeling' die
gedurende het volgende jaar niet alleen vrij was
van contributie maar 'gedurende dien tijd den titel van Koning' mocht
dragen.
Alle deelnemers aan de race kregen van de brouwers uit
de buurt vrij bier.
Carnaval
kon natuurlijk ook anders worden gevierd.
En boven de grote rivieren waren volksfeesten en liefdadigheidsacties
weer in andere vormen gegoten.
In veel streken keek men uit naar het Driekoningenfeest, elders trokken
de kinderen op Palmpasen in optocht door de buurt met een stok waaraan
een broodkrans of broodhaantje hing of vermaakten zich uitbundig met eieren
tikken en koekhappen.
De eindeloos
gevarieerde volksfeesten naar oud gebruik doorbraken de dagelijkse sleur
en hadden elk hun eigen ritueel.
Ook huwelijk, dood en begrafenis waren gebeurtenissen waarbij, veel meer
dan tegenwoordig, de hele gemeenschap van buren, verwanten en dorpsgenoten
werd betrokken, op de wijze zoals die in de loop van de tijd regionaal
of plaatselijk was gegroeid.
Na 1900
begon men in bepaalde kring te benadrukken dat er weliswaar reden was
om trots te zijn op Nederland als vaderland, maar dat men evenzeer fier
mocht wezen op de eigen regionale aard. Dat laatste gebeurde op een wijze
waardoor men zich kan afvragen waarom het zo nadrukkelijk werd uitgebazuind.
Omdat
sommigen er zich voor gingen generen?
Veel streekgewoonten mochten dan wel de lachlust van veel stadsbewoners
wekken, maar dat kwam alleen omdat die weinig weet hadden van de achtergronden
van deze 'zinrijke plattelandsgebruiken'.
Daar moest dus iets aan worden gedaan.
In 1912
werd, naar Scandinavisch voorbeeld, bij Arnhem het Openluchtmuseum geopend,
als monument van Nederlandse volkscultuur.
Bedoeling was belangstelling te wekken voor 'de beschaving van de plattelandsbevolking'.
Het museum moest een cultureel centrum worden voor het nationale volksbestaan
en tegelijk 'onze onverbreekbare nationale eenheid' demonstreren.
Zelfbewust en trots op eigen streek, zonder af te doen aan een nationaal
besef; dat was zo'n beetje de boodschap.
Een jaar later vierde Nederland het herstel van zijn onafhankelijkheid.
|