REGIONALE VERSCHILLEN


 

 

 

 

 

Huizer vissers op de Zuiderzee.
De 5000 Huizenaaren vormden omstreeks 1900
nog een hechte en eigezinnige gemeenschap
die voornamelijk leefde van de visserij ter haring

 

 

 

 

 

In vele streken en dorpen hechtte vooral de oudere bevolking
nog aan de eigen klederdracht
waarin kleine verschillen in kleur en snit
elk een eigen betekenis hadden.
Een van die dorpen was Hindeloopen

 

 

 

 

 

 

In 1912 werd in Arnhem het openluchtmuseum geopend
bedoeld om belangstelling te kweken voor de plattelandscultuur
die velen bedreigd meenden door toenemende verstedelijking
en streven naar nationale identiteit.

  Nederlanders of streekbewoner

Overal in het land, en met name op het platteland, overheersten
nog plaatselijke gebruiken en tradities.

Na 1900 ontstond de behoefte deze in bescherming te nemen.
Waren er eigenlijk al Nederlanders aan het einde van de vorige eeuw?
Volgens de Grondwet natuurlijk wel.
Maar in de praktijk bleek de Nederlandse bevolking van die tijd
toch meer een optelsom van streekbewoners dan een hechte eenheid.

Neem alleen al de verschillen in het kleine stukje Nederland dat bekend staat als het Gooi- en Eemland.
Aan de kust van de Zuiderzee lag daar het vissersdorp Huizen.
Een beste haven had het niet en van goede toegangswegen over
land was al helemaal geen sprake.
De 5000 inwoners leefden van de visserij.
De haring die de vissers elk jaar binnenbrachten, werd voor een groot deel gezouten en gerookt in de tien rokerijen van het dorp.
De manden waarin de vis werd vervoerd, werden in eigen
mandenmakerijen gemaakt.

De Huizenaren vormden een hechte gemeenschap. Ze hadden een eigen klederdracht en een eigen dialect, en slechts bij uitzondering trouwden ze buiten het dorp. In de omgeving stonden ze bekend als vechtersbazen en alles wijst er inderdaad op dat het geen mak volkje was.
Hun isolement begon pas af te nemen toen vanaf 1882 de Huizer tram ging rijden.

Niet ver van Huizen ligt Naarden.
Vroeger was er een klein zijde- en lakenbedrijfje geweest, later ontstond op de vruchtbare humusgrond een aantal boomkwekerijen.
Naarden kreeg pas landelijke bekendheid in 1904, toen Amster-dam het plan opvatte het Naardermeer als vuilstortplaats te gaan gebruiken.
Dat plan ging weliswaar niet door, maar intussen hadden natuurliefhebbers als Jac. P. Thijsse zoveel verzet gemobiliseerd dat uit deze affaire de Vereniging tot Behoud van Natuurmonu-menten voortkwam.

In datzelfde Gooi- en Eemland lagen dan bijvoorbeeld ook nog
de volstrekt anders geaarde 'schildersdorpen' Laren en Blaricum met hun geheel eigen sfeer en gemeenten Hilversum en Bussum met hun villa's en buitens.

METWORST UIT BOXMEER

Gilden, schutterijen en ruiterclubs waren erbij de vleet;
in elke regio, in ieder dorp welhaast.
Ze hadden hun eigen kleding en reglementen hun eigen geschiedenis en gebruiken.
Het Brabantse dorp Boxmeer kende sinds 1642 de ruiter-vereniging 'De Metworst'.

Ze trad op bij ieder plaatselijk feest en nam elders deel aan concoursen en optochten. De tientallen ruiters vertoonden dan hun kunsten en voerden een mallotige 'praalwagen' met zich mee.
Op de wagen stond een bierton, omringd door de 'freule'
en haar 'pages'.
Ze hielden een grote roggemik, een varkenskop en een varkens-poot vast en waren omhangen met een metworst.

'De Metworst' had een carnavaleske kant.
Ze hield een oud gebruik in ere dat in de 17e eeuw was ingesteld door een grande dame in Boxmeer (de 'freule') :
een paardenrace met carnaval, met als prijs een meterslange metworst die later werd verdeeld onder de armen van het dorp.

Volgens de reglementen moesten de leden van 'De Metworst' gekleed gaan in blauwe kiel en witte broek en kon 'het winnen
der metworst (...) alleen geschieden door een Boxmeersche jongeling' die gedurende het volgende jaar niet alleen vrij was
van contributie maar 'gedurende dien tijd den titel van Koning' mocht dragen.
Alle deelnemers aan de race kregen van de brouwers uit
de buurt vrij bier.

Carnaval kon natuurlijk ook anders worden gevierd.
En boven de grote rivieren waren volksfeesten en liefdadigheidsacties weer in andere vormen gegoten.
In veel streken keek men uit naar het Driekoningenfeest, elders trokken de kinderen op Palmpasen in optocht door de buurt met een stok waaraan een broodkrans of broodhaantje hing of vermaakten zich uitbundig met eieren tikken en koekhappen.

De eindeloos gevarieerde volksfeesten naar oud gebruik doorbraken de dagelijkse sleur en hadden elk hun eigen ritueel.
Ook huwelijk, dood en begrafenis waren gebeurtenissen waarbij, veel meer dan tegenwoordig, de hele gemeenschap van buren, verwanten en dorpsgenoten werd betrokken, op de wijze zoals die in de loop van de tijd regionaal of plaatselijk was gegroeid.

Na 1900 begon men in bepaalde kring te benadrukken dat er weliswaar reden was om trots te zijn op Nederland als vaderland, maar dat men evenzeer fier mocht wezen op de eigen regionale aard. Dat laatste gebeurde op een wijze waardoor men zich kan afvragen waarom het zo nadrukkelijk werd uitgebazuind.

Omdat sommigen er zich voor gingen generen?
Veel streekgewoonten mochten dan wel de lachlust van veel stadsbewoners wekken, maar dat kwam alleen omdat die weinig weet hadden van de achtergronden van deze 'zinrijke plattelandsgebruiken'.
Daar moest dus iets aan worden gedaan.

In 1912 werd, naar Scandinavisch voorbeeld, bij Arnhem het Openluchtmuseum geopend, als monument van Nederlandse volkscultuur.
Bedoeling was belangstelling te wekken voor 'de beschaving van de plattelandsbevolking'.

Het museum moest een cultureel centrum worden voor het nationale volksbestaan en tegelijk 'onze onverbreekbare nationale eenheid' demonstreren.
Zelfbewust en trots op eigen streek, zonder af te doen aan een nationaal besef; dat was zo'n beetje de boodschap.
Een jaar later vierde Nederland het herstel van zijn onafhankelijkheid.

 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index