Mode

 

 

 



Tafereeltje uit een modeatelier aan het begin van de twintigste eeuw.

Twee mannequins bevallig opgesteld bij een chaise longue,
tonen een klant de nieuwste creaties
terwijl een verkoopster wervelend uitleg gaf.

 

Wespetaille of hobbezak?

 

Voor de meeste Nederlanders was mode een kijkspel, gedicteerd vanuit Parijs en vooral bestemd voor de betere stand. Die laatste had het er maar moeilijk mee.

Wie met de mode mee wilde en er het geld voor had, moest
op een gegeven ogenblik kiezen tussen de elegantie van Frankrijk en het hypermoderne van de reformkleding.
En voor wie dat eerste koos was er nog een probleem:
de sport.

De mode was een eeuw geleden een kijkspel voor velen:
's zondags op de wandelpromenade, 's avonds in de schouw-burg.

In de jaren zeventig en tachtig van de 19e eeuw overheersten nog de crinoline (een soort hoepelrok) en de zogenaamde
queue de Paris of tournure.
Dat was een extravagant steunsel in de rug van een japon,
dat ter hoogte van de taille onder de overrok werd geschoven om deze wijd naar achteren te laten uitstaan.
Enorme strikken, opzij of van achter, vormden de kinder-versie van de queue de Paris; ook grote, rode ceintuurs waren zeer in de mode.

Bij al die uitbundigheid hoorden volgens Parijs strenge kapsels met vlechten en een enkele krul.
De haardracht werd gecompleteerd door grote hoeden met brede rand, versierd met struisvogelveren en fluwelen linten.
Om zo'n gevaarte in evenwicht te houden, zeker in een winde-rig land als het onze, waren keelbanden nodig die aan het einde van de jaren tachtig overigens alweer uit de mode begonnen te raken.

Wie de damesmode van omstreeks 1890 wil karaktiseren kan dat met een paar woorden: overdreven, pompeus en tamelijk bont van kleur.
De reactie was voorspelbaar. De trend van de jaren negentig was eenvoud. De tournure en de wijduitstaande rok wilde niemand meer dragen.
Erg chic werden eenvoudige, zwarte japonnen met slechts een enkele simpele versiering. Liever geen ruches en volants meer die van de vrouw een ornamentele pop hadden gemaakt.

 


  Weg met het korset...

Die hang naar eenvoud zal zeker iets te maken hebben gehad met een verandering in de positie van de vrouw, althans die uit de betere kringen. Ze werd zelfstandiger.
Hypermodern werd tegen 1900 de zogenaamde reform-kleding.
De Reformbeweging propageerde een gezonde en esthetische ontwikkeling van het lichaam; reformkleding was onder andere een protest tegen de 'wespetaille'.

In Den Haag kon men een reformjurk bestellen bij madame De Vroye, een Belgische schilderes die een bekend modeont-werpster was geworden. Met enig fanatisme kon zij haar damesklanten uitleggen dat een korset (voor een wespetaille onmisbaar) onhygiënisch en uiterst ongezond was en dat,
ter ondersteuning van het figuur, hoogstens een bescheiden corselet was toegestaan.

De reformmode lokte heftige discussies uit.
De voorstanders voerden een ware kruistocht tegen het korset dat zou leiden tot vergroeiing van het lichaam;
de tegenstanders fulmineerden tegen de onflatteuze hobbe-zakken uit de ateliers van de ontwerpers van reformkleding.
Dat laatste was niet helemaal waar, veel reformjurken hadden wel degelijk een getailleerde lijn.
De eerste modellen waren inderdaad nog wat wijd geknipt, maar al spoedig kwamen er gracieuzere creaties.
Het bovenstuk kreeg een boleromodel, de rok werd voorzien van stroken en de japonnen werden versierd met garneringen en opgestikte borduurwerken.

 

Twee voorbeelden van mannenmode uit omstreeks 1912.

Beiden dragen attributen van de traditioneel geklede man,
zoals de bolhoed en de geklede jas,
maar toch ook al elementen van een moderne kledij.


 

 

 

 

 

 

Modieuze man

De herenmode veranderde veel langzamer. Mannen uit
de bourgeoisie droegen, bijna als een soort uniform, over
de broek een geklede jas en daaronder een wit overhemd
met staande boord en omgeslagen punten.
Die boord was tot in de kleinste vezels gesteven.
Vandaar de naam 'vadermoordenaar'; veel bewegingsvrijheid gaf hij de drager niet.

 

Gemakkelijker hadden het de heren die zich kleedden volgens de nieuwste Engelse mode die, mèt het sportevenement, naar het vasteland kwam.
Dat betekende: lichtgetinte colbertkostuums met nauwe of zelfs ronde pijpen; jasjes met één rij knopen en kleine, hoge revers, en veel flanel.
Op het hoofd een bolhoed of veel frivoler een hoed van stro- en wie naar een cricketwedstrijd ging kon zelfs volstaan met een klein wit petje!
Maar een heer van stand hield het toch liever bij de geklede jas, met daaroverheen een overjas met fluwelen kraag, benevens een bolhoed en een wandelstok. Zo mocht je gezien worden.

Vooral de sport had een toenemende invloed
op de damesmode van omstreeks 1900.


De creatie links, uit 1902,
was speciaal ontworpen voor tijdens het zeilen.
Het kostuum van de dame rechts
werd comfortabel genoeg geacht voor het beweeglijke tennisspel.


 

 

Invloed van de sport op de mode

Wat niet onderschat mag worden is de invloed van de sport
op het modebeeld van die jaren.
Voor de heren was het toppunt van chic en status zich op zondagmiddag te vertonen op een rijwiel; liefst op plaatsen waar men beslist gezien werd. De dames wilden dat ook wel, maar dan moesten ze wel de beschikking hebben over praktische kleding.
Hetzelfde gold voor vrouwen en meisjes die wilden tennissen: een sport die van Engeland uit was overgewaaid en ook in Nederland populair begon te worden.

Praktisch waren blouse en rok.
Dus begonnen de dames meer en meer te verschijnen in
een soort overhemdblouse met gekleurde das of strik.
De blouse zelf had een lichte kleur; de rok waarop ze werd gedragen was donker en lang, bijna tot aan de grond.
De kleding voor andere gelegenheden begon op deze 'sportmode' aan te sluiten.
Wie reformkleding echt te ver vond gaan, koos vaak voor
het tailleurkostuum.
Dat bestond uit een soort mantelpak. Het jasje was veelal
lang en dichtgeknoopt of het had een boleromodel en stond open om de blouse goed te laten uitkomen.
Behalve eenvoudige tailleurkostuums had de dame van omstreeks 1900 in haar garderobe ook een aantal namiddagjaponnen waarop een vestje werd gedragen en, daaroverheen, een boa van veren.
In de kleding werden veel satijn en kant verwerkt.
Vooral de avondjurken waren, tot in de kleinste details, fantasierijke en ingewikkelde creaties zoals blijkt uit portretten uit die periode en uit beschrijvingen, bijvoorbeeld in de romans van Louis Couperus.


naar inhoud 1900
naar index