Toneel

 

 

 

 


Herman Heijermans,
wars van macht, sociaal onrecht en een verouderde moraal,
en een van de belangrijkste Nederlandse toneelvernieuwers.




 

Een opvoering van '0p hoop van zegen',
met de legendarische Esther de Boer-Van Rijk
als de bejaarde vissersvrouw Kniertje.

 

 

 

 

Theo Mann-Bouwmeester





 

 

Louis Bouwmeester oogstte met zijn dramatisch talent
grote roem in tal van klassieke rollen.
Later in zijn loopbaan trad hij ook wel op in films,
al acteerde hij daarin niet veel anders dan op het toneel.
Deze foto uit 1911, werd gemaakt tijdens opnamen in Volendam.
Pathé Frères draaide er een film voor haar 'roterende kinema'.

 

 

 

 

 

Affiche voor de zomerspelen te Naarden,
waar Willem Royaards en Eduard Verkade
in 1907 twee middeleeuwse stukken opvoerden,
in een voor die tijd zeer gedurfde enscenering.

 

  Van Kniertje tot Elkerlyc

Voor een doorbraak in de verschaalde toneeltraditie van
de 19e eeuw was vooral één schrijver verantwoordelijk:
Herman Heijermans.
Na hem lag de weg naar vernieuwing open.

De nieuwe Stadsschouwburg in Amsterdam, geopend in 1894, was vooral een societytempel:
'Wie er zit, weet dat hij er zit: hij ziet zichzelf en gevoelt dat anderen hem zien'.
De vernieuwing van het repertoire moest van elders komen.

 

Op 24 december 1900 bracht de 'Nederlandsche Tooneel-
vereeniging' in de Hollandse Schouwburg te Amsterdam
de première van 'Op Hoop van Zegen'.
Herman Heijermans, de schrijver van het stuk, had een voor-
keur voor premières op de dag voor Kerstmis.
Die datum gaf hem namelijk drie dagen voorsprong op eventuele negatieve recensies - en hij rekende erop dat
de mond-tot-mond-reclame dan intussen haar werk zou hebben gedaan.

Ook in dit geval kreeg hij gelijk. De recensenten schreven zuinigjes over het stuk.
Maar het publiek riep na afloop van de première om Heijermans en juichte hem stormachtig toe.
Het was weg van dit 'spel van de zee' waarin op het einde Esther de Boer-Van Rijk als Kniertje met haar pannetje etensresten het toneel afschuifelde: '...de vis wordt duur betaald'.

Het stuk was een felle sociale aanklacht, niet alleen tegen
de misstanden bij de zeevisserij maar ook tegen zaken als
de wanverhoudingen in het leger en de toestanden in oude-
mannenhuizen.
Het zou duizenden uitvoeringen krijgen,
tot in Rusland en de Verenigde Staten toe, en in de jaren daarop zou Heijermans nog vaak bewijzen dat hij met kop en schouders uitstak boven zijn Nederlandse collega-schrijvers van die tijd.


De heroïek van Bouwmeester

Wie kijkt naar het Nederlandse toneelleven gedurende
het grootste gedeelte van de 19e eeuw beseft pas goed welke vernieuwende rol Heijermans als toneelschrijver heeft gespeeld.

Zowel het repertoire als de kwaliteit van de uitvoeringen stond tot 1870 op een laag niveau.
Het grootste gedeelte van het repertoire bestond uit Franse melodrama's en uit vaudevilles: luchtige muzikale toneel-
stukken met veel komische liedjes.
Omstreeks de eeuwwisseling kwamen er echter nieuwe stukken, betere spelers en een steeds gedurfder regie.

Als eerste kwam er verbetering in de kwaliteit van de uit-
voeringen. Dat gebeurde toen na 1870 de gezapige rust in
de Nederlandse samenleving begon plaats te maken voor industriële en commerciële bedrijvigheid.

Een mijlpaal in het ontwaken van het toneel was de oprichting van 'Het Nederlandsch Tooneel' door H.J.Schimmel (1870).
Het ontwikkelde zich in jaren tot een echt nationaal theater en kreeg al spoedig het predikaat 'Koninklijke Vereeniging'.

Uit het variététheater trok het Amsterdamse gezelschap onder andere Louis Bouwmeester en zijn zus Theo aan. Telgen uit een oud geslacht van reizende komedianten.

Vooral Louis Bouwmeester oogstte vele malen roem met zijn fabelachtig dramatische instinct. Hij schitterde met name in Shakespeare-vertolkingen.
Vooral zijn rol van Shylock in 'De Koopman van Venetië',
vanaf 1880, is klassiek geworden:
de gekromde joodse koopman met zijn listige oogjes,
mummelende mondje en op en neer wippend sikje - niet, zoals de traditie wilde, de bedrogen woekeraar maar de opstandige vertegenwoordiger van een gesmaad en uitgestoten volk.

Bouwmeester had weliswaar niet veel op met nieuwlichters
als Ibsen (aan wie Heijermans zich verwant voelde) maar hij wist de toeschouwer telkens in de ziel te treffen met heroïsche rollen die varieerden van koning tot aartsschurk.

'Het Nederlandsch Tooneel' bespeelde beurtelings de Konink
lijke Schouwburg in Den Haag en de Stadsschouwburg te
Amsterdam.

In 1890 voltrok zich aan dit laatste gebouw een drama.
In de vroege ochtenduren van de 20e februari repte heel Amsterdam zich naar het Leidseplein: de schouwburg stond
in brand!

Een zware slag voor het Nederlandse toneel: niet alleen het gebouw ging verloren, maar ook de prachtig geschilderde
18e-eeuwse decors en de schitterende kostuums.
Gelukkig stonden er meteen, terwijl het vuur nog nasmeulde, enkele Amsterdamse bankiers klaar om de ontredderde acteurs te verzekeren dat 'Het Nederlandsch Tooneel' niet verloren zou gaan.
Zij zouden de nieuwbouw wel financieren. Ze hielden woord,
in de beste tradities van het Amsterdamse maecenaat.
Al in 1894 kon aan het Leidseplein de huidige Stadsschouw-
burg van J. Springer worden geopend.

Alles in de nieuwe cultuurtempel was gericht op representatie.
Royale marmeren trappen, een vorstelijke foyer, een barokke zaal met aparte loges voor de burgemeester en andere hoog-
waardigheidsbekleders en een pralende koningsloge (waarvan koningin Wilhelmina overigens slechts zelden gebruik heeft gemaakt) - alles moest het schouwburgbezoek maken tot een exclusief en sfeerrijk genoegen voor de high society.
Het schellinkje daarentegen bestond uit niet meer dan wat armetierige houten banken.
Bij de openingsvoorstelling waren ze bezet met bejaarden van het Oudemannenhuis en weeskinderen die gestoken waren in
de stadskleuren: rood en zwart.
Van bovenaf konden ze neerkijken op heren in rok en dames in kostbare toiletten van ruisend crinoline.

Op repertoiregebied was de nieuwe schouwburg zeker geen mijlpaal. Wat de Koninklijke Vereeniging ten tonele voerde was het oude vertrouwde, alsof er internationaal al niet lang een nieuwe tijd was aangebroken.
De vernieuwing moest uit een andere hoek komen, uit Rotter-
dam met zijn praktische werkgeest.
Daar brak het realisme in de toneelkunst door, met werk van Marcellus Emants en Josine Simons-Mees en met het eerste stuk van Heijermans, 'Dora Kreiner'.

Tegelijk opende Jan C. de Vos in Rotterdam zijn Tivoli-
schouwburg, waar onder andere drie drama's van Ibsen werden opgevoerd en een toneelbewerking van Couperus' 'Noodlot', met zijn gedurfde thema.

De naturalistische traditie is daarna in Rotterdam nog lange tijd voortgezet. In 1893 had Heijermans succes met 'Ahasverus', een eenakter over de jodenvervolging in Rusland en geschreven onder het pseudoniem Iwan Jelakowitch.

In hetzelfde jaar werd de 'Nederlandsche Tooneelvereeniging' opgericht. Met 'Ghetto' (1898) begon dit gezelschap in
Amsterdam een reeks Heijermans-premières waarvan
'Op Hoop van Zegen' het absolute hoogtepunt vormde.

 

ROYAARDS EN VERKADE

De vernieuwing van het Nederlandse toneel kwam niet alleen uit de grote steden.
In 1907 werd te Laren in zekere zin de nieuwe tijd geboren.
Twee acteurs van uiteenlopend temperament,
Willem Royaards en Eduard Verkade, durfden het aan
de zomerspelen in het Gooise dorp te gebruiken voor
de opvoering van twee middeleeuwse stukken,
'Elckerlyc' en 'Lanceloet van Denemerken', en daarin vooral gebruik te maken van jonge acteurs.

Alleen Royaards had al een carrière achter de rug, onder andere bij De Vos in Rotterdam.
Voor de jonge Verkade was Laren dé gelegenheid de denk-
beelden in praktijk te brengen van de door hem bewonderde Engelse toneel-vernieuwer Edward Gordon Craig.
Volgens Craig werkte een toneeluitvoering pas als ze volledig doordrenkt was van de visie van de regisseur.

Deze diende leiding te geven aan een opvoering waarin beweging, muziek en poëzie samenvloeiden tot één groot kunstwerk. Acteurs waren in zijn visie geen routiniers, maar kunstenaars die met heel hun wezen een nieuwe creatie opbouwden.

In Laren werd bewust een weg ingeslagen die afweek van het naturalisme â la Heijermans.
Het decor (van Anton Derkinderen) was uiterst sober,
de belichting zeer uitgekiend.
Het publiek, en masse opgekomen uit Amsterdam, Rotterdam en alle uithoeken van het Gooi, was laaiend enthousiast.

'Elckerlyc' werd later ook opgevoerd in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, de zeer populaire glazen cultuurtempel op de plaats waar nu het gebouw van de Nederlandsche Bank staat.
Deze voorstelling leidde tot de oprichting van een gelijknamige toneelvereniging die verder ging op de ingeslagen weg.

Later zijn Royaards en Verkade verschillende richtingen ingeslagen.
Bij Verkade stond steeds de geestelijke inhoud van een stuk voorop; decors en ruimten waren strak, niet-theatraal.
Bij Verkade vond Albert van Dalsum later inspiratie voor zijn 'getuigend' toneel.
Royaards daarentegen ontwikkelde zich tot de meester van
de regiekunst en schrok er niet voor terug kunstenaars als
de dichter P.C. Boutens, de componist A. Diepenbrock en
de architect M. de Klerk bij zijn dramatische voorstellingen
in te schakelen.
Royaards' uitvoeringen van Shakespeares 'Midzomernachts-
droom' en Strindbergs 'Droomspel' waren tot in de kleinste details voorbereid: legendarische voorbeelden van toewijding en schoonheid in een periode waarin kitsch en smakeloosheid vaker regel dan uitzondering waren.

 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index