LEZEN EN VOLKSZANG



 

 

 

 

 

 

De openbare bibliotheek,
aan het einde van de 19e eeuw bedacht
om op goedkope wijze te voorzien in de behoefte aan lectuur,
nam in de eerste decennia een hoge vlucht.
Met vaak fraaie affiches
prezen de boekuitleners zichzelf en hun collectie aan het publiek.



 

 

 

 



Ook wetenschappelijke instellingen en universiteiten
stelden hun boekencollecties vaak open voor het publiek,
zij het in beperkte mate en alleen voor inzage in de eigen leeszaal.
Op deze foto uit 1915
een gedeelte van de bibliotheek van de HortusBotanicus te Amsterdam.

 

 

Opmars letter en lied

 

Lezen en zingen speelden omstreeks de eeuwwisseling
een belangrijke rol.
Niet alleen in de vrijetijdsbesteding maar ook in de eman-cipatie van een aantal bevolkingsgroepen in Nederland.

Aan het begin van de 20e eeuw verschenen in Nederland niet minder dan 760 dag-, nieuws- en weekbladen.
Ze werden uitgespeld, van hand tot hand doorgegeven en ter lezing gelegd in een toenemend aantal volksleeszalen.
Tot nut van het algemeen.

 

Het aantal Nederlanders dat kon lezen en schrijven was omstreeks 1900 sterk toegenomen en bleef daarna gestaag stijgen:
een gevolg van de ontwikkelingen in het onderwijs en
van de algemene leerplichtwet van 1901.

Door de groeiende leeshonger nam de verspreiding van nieuws, informatie en kennis een hoge vlucht.
Wat daaraan eveneens bijdroeg waren de verbeterde druktechnieken; ze maakten het mogelijk steeds sneller
en goedkoper te produceren.

Vooral de krant nam in de samenleving een belangrijke plaats in.
Hij was minder actueel dan nu, heel wat saaier in opmaak en toonzetting en vooral ten plattelande duurde het wel eens dagen voor hij de lezer bereikte.
Desondanks ging hij van hand tot hand, zeker in milieus waar verscheidene gezinnen uit geldgebrek een abon-nement deelden.

Tussen 1850 en 1894 steeg het aantal Nederlandse dag nieuws- en weekbladtitels van nog geen honderd tot 760.
Dat grote aantal had zeker ook te maken met de verzuiling in het land die zich doorzette tot in de pers, de uitgeverij en de lezer.
Het minder ideologische publiek 'stortte zich op de popu-laire geïllustreerde weekbladen uit die tijd zoals
'Het Leven' of 'De Prins'.

Ze waren bijna even actueel als de kranten maar publi-ceerden bovendien veel foto's terwijl hun verslaggevers een meer dan normale neus hadden voor het sensationele en het larmoyante.
Vanaf de laatste decennia van de 19e eeuw verschenen ook de voorlopers van het goedkope pocketboek en van het verzamelwerk: het boek-in-afleveringen dat het mogelijk maakte een omvangrijk werk als het ware bijeen te sparen.

Toch was ook dat voor velen nog te duur.
Zij konden hun leeshonger echter stillen in de eerste openbare bibliotheken -de volksvariant van de elitaire leeskabinetten en leesgezelschappen die halverwege
de 19e eeuw waren ontstaan ten behoeve van de gezeten burgerij.
Toch was het dikwijls deze laatste maatschappelijke groep die bepaalde wat het volk via de bibliotheek te lezen kreeg.
Voorvechters van de 'volksleeszalen', zoals de Maatschap-pij tot Nut van het Algemeen, koesterden het ideaal van
de volksopvoeding.

Goede lectuur was een uitstekend wapen tegen zeden-verwildering en vooral tegen volksvijand nummer één,
het drankmisbruik.
De volksleeszalen hielden de arbeiders van de straat
en uit de kroeg.

En 'het Nut' was niet de enige.
Vooruitstrevende Leidse hoogleraren richtten in 1891 in hun stad een leeszaal op voor mannen uit de werkende stand.
Hun voorbeeld werd al spoedig door andere steden gevolgd, zij het voor uiteenlopende doelgroepen:
mannen, vrouwen, volksjongens, meisjes uit de lagere stand.

Naast deze openbare bibliotheken ontstonden ook particuliere instellingen zoals de bedrijfsbibliotheek van
de machinefabriek Stork & Co in Hengelo, opgezet voor
de vorming en ontspanning van de arbeiders.
Ook de verschillende sociale bewegingen brachten voor hun leden boekencollecties bijeen.
De actieve afdeling Gorredijk van de Sociaal-Democra-tische Bond bijvoorbeeld stichtte al in 1893 een 'socialistische bibliotheek' om de arbeiders te vormen en politiek bewust te maken.

     


Kort na de eeuwwisseling schoten de koren en zangverenigingen
als paddestoelen uit de grond,
niet alleen in de steden maar vooral ook op het platteland.
Verscheidene ervan,
zoals dit koor uit het Noordhollandse Wognum,
traden ook buiten de eigen dorpsgemeenschap op
en reisden zelfs naar het buitenland.




  RENAISSANCE VAN HET VOLKSLIED

In de 19e eeuw was het langzaam maar zeker achteruitgegaan met zang en toonkunst in Nederland.
Het Nederlandse lied was saai, braaf vervlakt en vervreemd van het volkskarakter.
Zangpedagogen, componisten en liederenschrijvers hadden zich ingespannen de volkszang nieuw leven in te blazen.
Maar tegen het einde van de eeuw waren alle pogingen
tot herstel nog altijd op niets uitgelopen.

Een van de markantste figuren onder hen was de compo-nist en volkslieddichter Jan Pieter Heije.
Als zoon van een kwakzalvende barbier had hij als medisch student geen hoge ogen gegooid, maar tijdens de Tien-daagse Veldtocht tegen de muitzieke Belgen had hij zich ontpopt als een geestdriftige en vooral bloemrijke aanhanger van het vaderland.
Als algemeen secretaris van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst maakte Heije zich later vooral verdienstelijk door oude volksmuziek op te sporen en deze opnieuw te propageren.
Hij zag het volkslied als een middel tot volksopvoeding en al vanaf 1842 had hij talloze liederenbundels gepubliceerd.

Toch duurde het tot de eeuwwisseling voor het nationale lied weer enigszins in ere werd hersteld.
Een zekere rol daarbij speelde F.R.Coers Frzn., een wat merkwaardige figuur die het, naar eigen zeggen, vooral te doen was om de 'wiegelende cadans der goddelijke muziek' en het 'weergeven van aandoeningen'.
En vooral wilde hij zich niet laten 'vermuffen door weten-schappelijke weters van muziek, folkloristen, letterweters en geschiedkundigen'.
Delen uit zijn 'Liederboek van Groot-Nederland' werden op 25 april 1901 voor het eerst uitgevoerd in de Grote Zaal van het Koninklijk Zoölogisch-Botanisch Genootschap in Den Haag.
In aanwezigheid van liefst vier ministers luisterde het publiek naar de openingszang:

Hel-ruischend stuwt nu als een zilv'ren water-stroom
Door 't bleeken dagen-gaan van dit ontkracht geslacht
Het oude eigen Lied, sterk van zóó reine kracht.

Veel brood konden de aanwezigen er niet van bakken.
Toch werd in 1904 de liederenvereniging 'Het Nederland-sche Lied' opgericht dat de denkbeelden van Coers wilde uitdragen.

Nieuwe impulsen kreeg de volkszang uit een geheel andere hoek: die van de socialisten.
In een nagenoeg ononderbroken stroom verschenen vanaf 1880 liedjesboeken met honderden 'proletariërsliederen'.
En ze werden gezongen ook.

Vanaf 1897 bijvoorbeeld door de Amsterdamse sociaal-democratische zangvereniging Steeds Voorwaarts',
de voorloper van de later zo bekende 'Stem des Volks'.

Dirigent ervan was ene Lebon.
Achter die doorzichtige naam ging Otto de Nobel schuil die bang was zijn baan bij het Amsterdamse Conservatorium te verspelen als bekend zou worden dat hij zich inliet met dat 'rode zootje'.
Hij is de componist van onder andere het socialistische strijdlied 'Morgenrood'.

Het Amsterdamse voorbeeld werd al snel door andere steden gevolgd. Zodoende kon in 1902 de 'Bond van Arbeiderszang' worden opgericht, een socialistische zangbeweging die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog 126 koren met in totaal 6500 leden omvatte.

naar inhoud 1900 naar index