HET LANDSCHAP



  Decor van menselijke makelij


 

 

 

Gezicht op de veenkolonie Ommelanderwijk
aan het begin van deze eeuw.
Deze aquarel van B. Bueninck,
gemaakt voor een schoolplaat,
geeft onder andere een beeld van de primitieve vervoersmogelijkheden
op het platteland:
een paardetram, een hondekar
en een binnenscheepje dat met mankracht door een vaart wordt getrokken.

 

 

 

 

Tot de bijzondere gebieden omstreeks de eeuwwisseling
behoorden onder andere de nog vrijwel ongerepte vennen
met hun verlande oevers in bepaalde delen van Noord-Brabant.

 

 

 

 

 

Jac. P. Thijsse,
onderwijzer, auteur
en een van de eersten die zich zorgen maakten
over de bedreiging van de natuur in Nederland.

 

Aan de vooravond van de 20e eeuw was het Nederlandse landschap zeker niet ongerept.
Maar vooral het platteland was nog van een schoonheid die inmid-dels grotendeels voorbij is.

Grote delen van Nederland waren slechts met moeite bereikbaar. Lastig, vooral voor wie er woonde. Maar het betekende wel
dat er links en rechts nog paradijsjes lagen met een weelde aan planten en dieren en een horizon waaraan geen mensenhand te pas was gekomen.

De meeste geschiedschrijvers beschouwen het landschap als
een gegeven.
Het is er eenvoudig; een doorgaans veelvormig decor waartegen de geschiedenis van een streek, een land zich afspeelt. Landschappen veranderen weliswaar, maar tot voor kort was dat een proces van eeuwen of- voor de komst van de mens - zelfs vele miljoenen jaren. Pas deze eeuw, en met name na de Tweede Wereldoorlog, hebben de meeste landschappen in Europa onder invloed van de mens een bijna revolutionaire verandering
ondergaan.

Ongerept landschap had Nederland aan het begin van de 20e eeuw allang niet meer. Daarvoor was er in de voorbije eeuwen
te veel ontgonnen, gekapt, op de schop genomen, drooggelegd, ingepolderd en geexploiteerd en had de mens ook in andere zin
zijn sporen achtergelaten in de vorm van steden en dorpen,
wegen, dijken en kunstmatige waterwegen.


Toch zou een Nederlander van nu dat cultuurland van omstreeks 1900 nauwelijks herkennen. Het zou hem in elk geval veel minder vertrouwd voorkomen dan een landgenoot uit, laten we zeggen,
de 17e eeuw.
Want hoewel er sinds de Gouden Eeuw in de meeste delen van Nederland van alles en nog wat was veranderd, waren de meeste van die veranderingen kleinschalig geweest en hadden ze de grote contouren niet of nauwelijks aangetast. Men mag gerust zeggen dat het landschap van omstreeks 1900 nog in veel opzichten leek op dat uit de eeuwen daarvoor.

PANORAMA VAN NEDERLAND

Tot de hogergelegen delen van het land behoorden Oost- en
Zuid-Nederland, Oost-Groningen en het daarop aansluitende deel van Drenthe.
Dit laatste was honderd jaar geleden al volop wingebied van turf — naast hout de brandstof die massaal werd gebruikt.
Was het veen eenmaal afgegraven dan kwam het land doorgaans in gebruik als akkergrond. Daartoe werden landbouwkolonies gesticht, vaak van mensen die er min of meer gedwongen naartoe werden gestuurd: armen, reclasseringsgevallen en onmaatschap-pelijke elementen die men hier hoopte om te vormen tot nuttige leden van de maatschappij.

De kop van Overijssel was nog puur waterland; alle verkeer ging praktisch per punter of platte schuit.
Meer naar het oosten lag het boerenland van Salland en Twente. In de Achterhoek was men volop aan het ontginnen.
Sinds 1850 waren hier al veel woeste gronden verdwenen, maar wat er van was overgebleven was een romantisch paradijs van beekjes, bossen en heuvels.
De Veluwe was tot het begin van de middeleeuwen bedekt geweest met natuurbossen. Die waren echter grotendeels gekapt en hadden plaatsgemaakt voor een eindeloos gebied van heiden en zandverstuivingen.

Zuid-Limburg was mooier en romantischer dan in onze tijd.
De grote steenkoolexploitatie door de Staatsmijnen moest nog beginnen; de rijke en vaak unieke flora en fauna waren nog vrijwel onaangetast.
Het Peelgebied van Noord-Limburg was, net als Drenthe, eveneens in ontginning, al ging dat erg langzaam; tot 1940 bleef het een geïsoleerd veengebied vol sagen en legenden.

Noord-Brabant was, buiten de steden, een streek vol paarse heidevelden, met als bijzondere gebieden de Loonse en Drunense duinen, de vennen van Oisterwijk en vooral de Biesbos:
een rimboe van water.

Het lage land was vooral waterland. Het rivierengebied doorsneed Nederland van Lobith tot de Moerdijk: een zilveren lint met dijken, wielen, kribben, uiterwaarden en steenfabrieken.
Echt in zijn greep had de mens dit landschap nog niet; tot ver in
de eeuw gingen de overstromingen er gelijk op met de seizoenen.

De Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden vormden een archipel van schorren, slikken en vruchtbare polders waartussen de zeearmen met hun getijden ver landinwaarts reikten.

In Zuid- en Noord-Holland en in het westelijke gedeelte van Utrecht was al sinds de 17e eeuw veel land veroverd op het water. Het kostte echter nogal wat die veroveringen te behouden en
ze uit te breiden, in de 19e eeuw bijvoorbeeld met de Haarlemmermeerpolder.
In 1894 waren er al meer dan 500 stoomgemalen in bedrijf en dat aantal zou nog stijgen.

DE GROTE VERANDERING

Het fijnmazig netwerk van stoomtrein- en stoomtram-verbindingen dat vooral tijdens de laatste decennia van
de 19e eeuw was aangelegd had kort vóór de Eerste Wereldoorlog zijn maximale omvang bereikt.

Met de stoomgemalen is een van de moderne middelen genoemd waarmee de mens het landschap ingrijpend veranderde;
het modernste middel zelfs, in die tijd.
Een andere factor van verandering werd vanaf het einde van
de vorige eeuw de toepassing van kunstmest om de landbouw te intensiveren. Deze vernieuwing droeg bij tot de omvangrijke uitbreiding van de landbouw.

Het zou nog lang duren voor raffinaderijen, slakkenbergen, mergelafgravingen, chemische industrieën, hoogovens en vuilverbrandingsinstallaties natuur en milieu gingen belasten
en het landschap op verontrustende wijze begonnen aan te tasten. Maar toch rees al aan het begin van de eeuw bezorgdheid over
het behoud van de natuur.

Staatsbosbeheer, opgericht in 1899, bleek een kracht ten goede. En in 1905 kwam de Vereniging tot Behoud van Natuurmonu-menten in Nederland tot stand.
Deze kocht het jaar daarop het Naardermeer en begon wat later, in 1913, een actief aankoopbeleid teneinde de vennen van Oisterwijk van de verloedering te redden.
De stichting van Natuurmonumenten was voor een belangrijk deel te danken aan de onderwijzer Jac. P. Thijsse die al in 1896
de Nederlandse Natuurhistorische Vereniging had opgericht.


naar inhoud 1900
naar index