De Lagere School


 

 

 

 

 

 

Generaties schoolkinderen groeiden
vanaf 1905 op met de fameuze vertelselplaten en leesboekjes
van de illustrator C.Jetses waarin Ot en Sien de hoofdrol speelden.
Er verschenen zelfs aangepaste versies
voor het onderwijs in Nederlands-IndiŽ,
met de avonturen van Ot en Sien in de gordel van smaragd.

 




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De overwintering op Nova Zembla,
een van de schitterende historische schoolplaten van J.Isings
die op de scholen hun intrede deden nadat in 1857 het geschiedenis-onderwijs verplicht was gesteld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderwijspionier Jan Ligthart
wilde onder andere de fantasie en zelfwerkzaamheid
van de kinderen stimuleren door op school aandacht te besteden
aan allerlei vormen van handenarbeid.
Op deze foto zijn ze bezig met het nabouwen van een kalkoven.

 

In de klas bij Ot en Sien

 

De Leerplichtwet van 1900 betekende geen absolute breuk in het lagereschoolonderwijs.
Wel leidde ze op de duur mede tot een andere aanpak die het schoolgaan plezieriger maakte.

Een hoofdonderwijzer in Brabant had omstreeks 1870 een jaar-
salaris van f. 350 plus vrij wonen en een grote tuin.
En om het schoolverzuim tegen te gaan kreeg hij er voor iedere geregelde leerling een stuiver per maand bij.
Geen vetpot dus.

 

In de Tweede Kamer vond op 30 maart 1900 een belangrijke stemming plaats, beslissend voor de jeugd van toen.
De liberale minister Goeman Borgesius had een wetsontwerp ingediend waarin voor kinderen van 7 tot 13 jaar de leerplicht
werd voorgesteld.
De economische ontwikkeling vereiste nu eenmaal geschoolde mensen. En bovendien, zo redeneerde de bewindsman:
als je kinderen verplicht naar school te gaan, kunnen ze geen kinderarbeid verrichten!

Maar er was veel verzet tegen het wetsontwerp, vooral van confessionele zijde.
Het ouderlijke gezag zou door de leerplicht worden ondermijnd; nuttige bijverdiensten zouden verloren gaan en bovendien:
bij gebrek aan katholieke en protestantse scholen zouden veel kinderen noodgedwongen naar de openbare school moeten...

Op de beslissende dag waren 99 van de 100 Kamerleden aanwezig.
Alleen baron Schimmelpenninck van de Oye, verklaard tegen-
stander van het wetsontwerp, lag in bed; hij was van zijn paard gevallen.
De uitslag van de stemming: 50 voor, 49 tegen - net aangenomen dus!

Binnen de kortste keren circuleerde in het land het volgende versje:

Baron Schimmelpenninck en zijn biek
Doen beiden aan politiek;
De baron zei: 'Tegen, zonder manco',
De schimmel zei: 'Wij stemmen blanco'.
Zo werd Borgesius' Leerplichtwet
door paardepolitiek gered.

Want zou de man niet zijn gevallen dan hadden de stemmen gestaakt en zou de Leerplichtwet verworpen zijn.
De katholieke krant 'De Maasbode' was woedend: 'Een wet, enkel geboren uit de zucht om in den wedloop der volkeren toch vooral niet achter te staan in kennis en ontwikkeling. Een voor christenen hatelijke dwangwet.'

Behalve nagenoeg alle confessionelen stemden overigens ook Troelstra en zijn socialisten tegen.
Zij vonden dat de wet de armen zou opzadelen met zware financiŽle lasten.
De nieuwe wet had overigens geen abrupte breuk in het school-
verzuim tot gevolg (dat was al sinds 1884 aan het dalen) en maakte evenmin een einde aan het typische verschijnsel van de standen-
scholen.

In de grote steden hadden de scholen voor de arbeidersklasse niet eens een naam; een nummer was voldoende.
Zo gaf de bekende schrijver en onderwijsman Theo Thijssen tussen 1900 en 1920 les op 'School 104' in de Tweede Boerhaavestraat te Amsterdam.
Een leerling die van zo'n school kwam ging op zijn dertiende doorgaans meteen werken, terwijl de scholen in de betere buurten doelgericht voorbereidden op het vervolgonderwijs.

Tot 1880, toen er op dit punt dwingende voorschriften kwamen, verkeerden schoolgebouwen vaak in zo'n erbarmelijke toestand dat artsen er alarmerende artikelen over publiceerden.
Het 'Bouwbesluit 1880' schreef o.a. voor dat een schoolgebouw niet te dicht mocht staan bij plaatsen die een gevaar waren voor
de volksgezondheid en dat meer dan honderd kinderen in ťťn klaslokaal uit den boze was.
Het besluit leidde tot een ware bouwgolf. Veel oude schoolgebouw-
en van nu dateren dan ook uit de laatste twee decennia van
de vorige eeuw.

De Juffrouw bekritiseerd

In de 19e eeuw was het onderwijs nog het domein van de man.
Pas kort voor de eeuwwisseling deed op de lagere school de onder-
wijzeres haar intrede; in 1900 bestond een derde van de leer-
krachten uit vrouwen.

Aanvankelijk werd er geklaagd over de gebrekkige aansluiting van de 'juffrouwen' bij de leefwereld van hun pupillen, zeker in volks-
buurten.
Veel van deze dames waren immers, in tegenstelling tot hun mannelijke collega's, afkomstig uit de hogere kringen en zagen
hun beroep vooral als een manier om zich te onttrekken aan
de verveling thuis.

Het heeft overigens nog lang geduurd voor deze onderwijzeressen ook voor de hogere klassen stonden: de schoolhoofden, nagenoeg uitsluitend mannen, konden zich niet voorstellen dat de dames voldoende kennis bezaten om ook deze klassen te leiden.

De financiŽle waardering voor het beroep van onderwijzer steeg pas aan het einde van de 19e eeuw.
Toen hoofdonderwijzer Willem Schiks in 1870 werd aangesteld op zijn nieuwe schooltje aan de Sambeekse Hoek,in Oost-Brabant, gebeurde dat tegen een jaarwedde van f. 350 en vrij wonen en
een flinke tuin.

Voor elk kind dat geregeld de lessen bezocht kreeg hij er nog eens
5 cent per maand bij.
Die maandelijkse stuiver was bedoeld als een prikkel voor
de onderwijzer het schoolverzuim tegen te gaan.
Maar omstreeks 1900 verdiende een schoolhoofd meestal reeds zo'n f. 1000 per jaar en begon een jonge onderwijzer met een gegarandeerd salaris van f. 575 dat vervolgens snel opliep.
Ter vergelijking: het gemiddelde arbeidersloon bedroeg in die tijd circa f 500 per jaar.

AAP, NOOT, MIES

Bij alle veranderingen kwam er voorlopig geen wijziging in het oude en vertrouwde klassikale systeem. En tot 1916 kende de Neder-
landse schooljeugd geen schoolreisje, geen schoolwandelingen - of ze moest bij Theo Thijssen in de klas zitten - en had ze niet meer dan vijf weken vakantie.

Wel was er sinds 1860 veel veranderd in de leerstof.
Plaats voor muzische vakken was er - buiten de zangles- weliswaar nauwelijks, maar de stof was wel kindvriendelijker geworden.
Dat was bijvoorbeeld goed te zien in het taalonderwijs. Oude boekjes waar de braafheid van afdroop, zoals 'Brave Hendrik' van Anslijn, werden vervangen door de aap-noot-Mies-leesplankjes van M.B.Hoogeveen.
Ook illustraties gingen een grotere rol spelen, zoals de bekende vertelselplaten van C.Jetses waarvan in 1905 de eerste versie verscheen. Dankzij Jetses' palet deden op vrijwel iedere school
de roemruchte Ot en Sien hun intrede.

Het rekenonderwijs werd na 1875 verbeterd door de invoering
van de methodische studie voor het rekenonderwijs van J.Versluys. Deze verving het befaamde, 17e-eeuwse rekenboek van de spreekwoordelijk geworden Bartjens.

Geschiedenisonderwijs werd pas vanaf 1857 bij wet verplicht.
Over het nut ervan werd verschillend gedacht.
Sommigen betoogden dat het de leerlingen leerde begrijpen hoe ingewikkeld de wereld in elkaar zat; anderen legden de nadruk op de opvoedende waarde ervan in nationale en godsdienstige zin.
Toen het vak eenmaal was ingevoerd duurde het niet lang of in
alle schoollokalen hingen de prachtige historische schoolplaten van J.Isings, met onderwerpen die varieerden van de overwintering op Nova Zembla tot de rede van Bantam.

Bij Meester JAN

Omstreeks 1900 kwam er toch wel een andere kijk op het lager onderwijs.
De belangrijkste pionier was Jan Ligthart, van 1885 tot aan zijn dood in 1916 hoofd van een volksschool in Den Haag.
Tucht en orde waren in zijn opvatting van geen belang; des te meer de band tussen onderwijzer en leerling.
De kinderen zelf konden veel ontdekken. Door aanschouwelijk onderwijs, als het even kon in de openlucht, zou hen het verband tussen natuur en cultuur duidelijk worden; de leerstof werd genomen uit 'natuur, nijverheid en verbruiksleven'.

Ook de fantasie diende geprikkeld. Bij handenarbeid moesten
de kinderen knippen, timmeren, boetseren en tekenen; in
de schooltuintjes werd gezaaid, gewied en geoogst.
Door Ligthart en zijn medestanders raakte het idee geaccepteerd dat het kind ook via het onderwijs zijn eigen omgeving moet leren ontdekken.
Het klassikale systeem was daarmee nog lang niet afgeschaft.
Maar mede door de vele schoolboekjes die hij schreef hebben tal van schoolgeneraties ook na Ligtharts dood zijn invloed ondergaan.

 
 
 
 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index