|
In
de klas bij Ot en Sien
De Leerplichtwet
van 1900 betekende geen absolute breuk in het lagereschoolonderwijs.
Wel leidde ze op de duur mede tot een andere aanpak die het schoolgaan
plezieriger maakte.
Een
hoofdonderwijzer in Brabant had omstreeks 1870 een jaar-
salaris van f. 350 plus vrij wonen en een grote tuin.
En om het schoolverzuim tegen te gaan kreeg hij er voor iedere geregelde
leerling een stuiver per maand bij.
Geen vetpot dus.
In de Tweede Kamer
vond op 30 maart 1900 een belangrijke stemming plaats, beslissend voor
de jeugd van toen.
De liberale minister Goeman Borgesius had een wetsontwerp ingediend waarin
voor kinderen van 7 tot 13 jaar de leerplicht
werd voorgesteld.
De economische ontwikkeling vereiste nu eenmaal geschoolde mensen. En
bovendien, zo redeneerde de bewindsman:
als je kinderen verplicht naar school te gaan, kunnen ze geen kinderarbeid
verrichten!
Maar
er was veel verzet tegen het wetsontwerp, vooral van confessionele zijde.
Het ouderlijke gezag zou door de leerplicht worden ondermijnd; nuttige
bijverdiensten zouden verloren gaan en bovendien:
bij gebrek aan katholieke en protestantse scholen zouden veel kinderen
noodgedwongen naar de openbare school moeten...
Op de
beslissende dag waren 99 van de 100 Kamerleden aanwezig.
Alleen baron Schimmelpenninck van de Oye, verklaard tegen-
stander van het wetsontwerp, lag in bed; hij was van zijn paard gevallen.
De uitslag van de stemming: 50 voor, 49 tegen - net aangenomen dus!
Binnen
de kortste keren circuleerde in het land het volgende versje:
Baron Schimmelpenninck
en zijn biek
Doen beiden aan politiek;
De baron zei: 'Tegen, zonder manco',
De schimmel zei: 'Wij stemmen blanco'.
Zo werd Borgesius' Leerplichtwet
door paardepolitiek gered.
Want
zou de man niet zijn gevallen dan hadden de stemmen gestaakt en zou de
Leerplichtwet verworpen zijn.
De katholieke krant 'De Maasbode' was woedend: 'Een wet, enkel geboren
uit de zucht om in den wedloop der volkeren toch vooral niet achter te
staan in kennis en ontwikkeling. Een voor christenen hatelijke dwangwet.'
Behalve
nagenoeg alle confessionelen stemden overigens ook Troelstra en zijn socialisten
tegen.
Zij vonden dat de wet de armen zou opzadelen met zware financiële lasten.
De nieuwe wet had overigens geen abrupte breuk in het school-
verzuim tot gevolg (dat was al sinds 1884 aan het dalen) en maakte evenmin
een einde aan het typische verschijnsel van de standen-
scholen.
In de
grote steden hadden de scholen voor de arbeidersklasse niet eens een naam;
een nummer was voldoende.
Zo gaf de bekende schrijver en onderwijsman Theo Thijssen tussen 1900
en 1920 les op 'School 104' in de Tweede Boerhaavestraat te Amsterdam.
Een leerling die van zo'n school kwam ging op zijn dertiende doorgaans
meteen werken, terwijl de scholen in de betere buurten doelgericht voorbereidden
op het vervolgonderwijs.
Tot 1880, toen er op dit punt dwingende voorschriften kwamen, verkeerden
schoolgebouwen vaak in zo'n erbarmelijke toestand dat artsen er alarmerende
artikelen over publiceerden.
Het 'Bouwbesluit 1880' schreef o.a. voor dat een schoolgebouw niet te
dicht mocht staan bij plaatsen die een gevaar waren voor
de volksgezondheid en dat meer dan honderd kinderen in één klaslokaal
uit den boze was.
Het besluit leidde tot een ware bouwgolf. Veel oude schoolgebouw-
en van nu dateren dan ook uit de laatste twee decennia van
de vorige eeuw.
De
Juffrouw bekritiseerd
In de
19e eeuw was het onderwijs nog het domein van de man.
Pas kort voor de eeuwwisseling deed op de lagere school de onder-
wijzeres haar intrede; in 1900 bestond een derde van de leer-
krachten uit vrouwen.
Aanvankelijk
werd er geklaagd over de gebrekkige aansluiting van de 'juffrouwen' bij
de leefwereld van hun pupillen, zeker in volks-
buurten.
Veel van deze dames waren immers, in tegenstelling tot hun mannelijke
collega's, afkomstig uit de hogere kringen en zagen
hun beroep vooral als een manier om zich te onttrekken aan
de verveling thuis.
Het
heeft overigens nog lang geduurd voor deze onderwijzeressen ook voor de
hogere klassen stonden: de schoolhoofden, nagenoeg uitsluitend mannen,
konden zich niet voorstellen dat de dames voldoende kennis bezaten om
ook deze klassen te leiden.
De financiële
waardering voor het beroep van onderwijzer steeg pas aan het einde van
de 19e eeuw.
Toen hoofdonderwijzer Willem Schiks in 1870 werd aangesteld op zijn nieuwe
schooltje aan de Sambeekse Hoek,in Oost-Brabant, gebeurde dat tegen een
jaarwedde van f. 350 en vrij wonen en
een flinke tuin.
Voor
elk kind dat geregeld de lessen bezocht kreeg hij er nog eens
5 cent per maand bij.
Die maandelijkse stuiver was bedoeld als een prikkel voor
de onderwijzer het schoolverzuim tegen te gaan.
Maar omstreeks 1900 verdiende een schoolhoofd meestal reeds zo'n f. 1000
per jaar en begon een jonge onderwijzer met een gegarandeerd salaris van
f. 575 dat vervolgens snel opliep.
Ter vergelijking: het gemiddelde arbeidersloon bedroeg in die tijd circa
f 500 per jaar.
AAP,
NOOT, MIES
Bij
alle veranderingen kwam er voorlopig geen wijziging in het oude en vertrouwde
klassikale systeem. En tot 1916 kende de Neder-
landse schooljeugd geen schoolreisje, geen schoolwandelingen - of ze moest
bij Theo Thijssen in de klas zitten - en had ze niet meer dan vijf weken
vakantie.
Wel
was er sinds 1860 veel veranderd in de leerstof.
Plaats voor muzische vakken was er - buiten de zangles- weliswaar nauwelijks,
maar de stof was wel kindvriendelijker geworden.
Dat was bijvoorbeeld goed te zien in het taalonderwijs. Oude boekjes waar
de braafheid van afdroop, zoals 'Brave Hendrik' van Anslijn, werden vervangen
door de aap-noot-Mies-leesplankjes van M.B.Hoogeveen.
Ook illustraties gingen een grotere rol spelen, zoals de bekende vertelselplaten
van C.Jetses waarvan in 1905 de eerste versie verscheen. Dankzij Jetses'
palet deden op vrijwel iedere school
de roemruchte Ot en Sien hun intrede.
Het
rekenonderwijs werd na 1875 verbeterd door de invoering
van de methodische studie voor het rekenonderwijs van J.Versluys. Deze
verving het befaamde, 17e-eeuwse rekenboek van de spreekwoordelijk geworden
Bartjens.
Geschiedenisonderwijs werd pas vanaf 1857 bij wet verplicht.
Over het nut ervan werd verschillend gedacht.
Sommigen betoogden dat het de leerlingen leerde begrijpen hoe ingewikkeld
de wereld in elkaar zat; anderen legden de nadruk op de opvoedende waarde
ervan in nationale en godsdienstige zin.
Toen het vak eenmaal was ingevoerd duurde het niet lang of in
alle schoollokalen hingen de prachtige historische schoolplaten van J.Isings,
met onderwerpen die varieerden van de overwintering op Nova Zembla tot
de rede van Bantam.
Bij
Meester JAN
Omstreeks
1900 kwam er toch wel een andere kijk op het lager onderwijs.
De belangrijkste pionier was Jan Ligthart, van 1885 tot aan zijn dood
in 1916 hoofd van een volksschool in Den Haag.
Tucht en orde
waren in zijn opvatting van geen belang; des te meer de band tussen onderwijzer
en leerling.
De kinderen zelf konden veel ontdekken. Door aanschouwelijk onderwijs,
als het even kon in de openlucht, zou hen het verband tussen natuur en
cultuur duidelijk worden; de leerstof werd genomen uit 'natuur, nijverheid
en verbruiksleven'.
Ook
de fantasie diende geprikkeld. Bij handenarbeid moesten
de kinderen knippen, timmeren, boetseren en tekenen; in
de schooltuintjes werd gezaaid, gewied en geoogst.
Door Ligthart en zijn medestanders raakte het idee geaccepteerd dat het
kind ook via het onderwijs zijn eigen omgeving moet leren ontdekken.
Het klassikale systeem was daarmee nog lang niet afgeschaft.
Maar mede door de vele schoolboekjes die hij schreef hebben tal van schoolgeneraties
ook na Ligtharts dood zijn invloed ondergaan.
|