De komst van de auto


 

 

 

 

 

Automobilisme anno 1906.
Zowel bestuurder- hier even afwezig - als passagier(s)
zaten meestal in de openlucht
en dienden zich te kleden tegen weer,
wind en het opstuivend stof van onverharde wegen.





Een van de fraaiste modellen
van de autofabriek Trompenburg van de gebroeders Spijker.
Hun Amsterdamse bedrijf werd opgericht in 1902
en bleef tot kort na de Eerste Wereldoorlog bestaan.

 

 


Een automobiel van de Belgische fabriek FN,
in 1899 gefotografeerd in de omgeving van het Brabantse Oosterhout.
De topsnelheid bedroeg 25 km per uur.

 

 

 

 

wedstrijd voor automobielen op de boulevard van Scheveningen,
een opname uit 1905 of 1906.

 

Een gevaar op de weg

 

Omstreeks de eeuwwisseling wist Nederland nog niet zo goed wat het met de auto aan moest.
De nieuwe vinding leek vooral een gevaar op de weg en daarom waren er maatregelen nodig.

In 1898 organiseerde de Automobile Club de France
de wedstrijd Parijs-Amsterdam v.v. voor 'door mechanische kracht voortbewogen rytuigen'.
Auto's dus. Het ging allemaal prima, al waren er natuurlijk weer zeurpieten die vonden dat er te veel ambtenaren waren ingezet.

Anno 1900 was de trein het aangenaamste en betrouwbaar-
ste middel van vervoer. Hij was comfortabel, reed op tijd en bracht de reiziger snel op de plaats van bestemming.
Vanuit Utrecht bijvoorbeeld, zo'n beetje het midden van
het land, kon men de meeste delen van Midden-Nederland (zeg maar tussen Den Haag en Apeldoorn en tussen de grote rivieren en de Zuiderzee) in minder dan twee uur bereiken.
De auto was omstreeks de eeuwwisseling beslist geen vervoermiddel; erin rijden was een dure vorm van sport
die slechts weinigen zich konden (of durfden) veroorloven.
En die enkelingen moesten dan de wegen van die tijd op
de koop toe nemen: slecht, stoffig, vol steenslag en vooral vol kuilen.

In 1908, toen dat eens een keer werd nagegaan, telde men op de route van Amsterdam naar Haarlem slechts een twaalftal automobielen per dag.

 

GEVAAR VOOR WEGGEBRUIKERS

De overheid was van mening dat voor 'het berijden van rijkswegen met motorrijtuigen' een vergunning nodig was.

De commissarissen van de koningin ontvingen daartoe in 1908 een lijst van namen van lieden die een auto bezaten.
In heel Nederland waren dat er minder dan zeshonderd.
De auto, zo was de algemene overtuiging, was een gevaar voor andere weggebruikers.

Bij Koninklijk Besluit van 19 januari 1898 werd bepaald dat iedere auto niet alleen een 'cijferbord' moest dragen, maar
na zonsondergang ook voorzien diende te zijn van
'een helderlichtgevende lantaarn waarvan het licht vooruit en zijwaarts goed zichtbaar' was.

Bovendien moest hij uitgerust zijn met een bel of hoorn
die tot op honderd meter afstand hoorbaar was.

Vooral de snelheid van de auto werd in die tijd van paardekarren en voetgangers beschouwd als een risico.
Daarom moest de bestuurder, als hij paarden of 'langs den weg gedreven vee' tegenkwam, onmiddellijk stoppen of op z'n minst vaart verminderen als hij merkte dat de dieren schichtig werden.
Bovendien was het verboden sneller te rijden dan 20 km per uur.

Tekenend voor de onwennigheid van de wetgever ten aanzien van de auto was de formulering over de remmen:
'Het rijtuig moet zijn voorzien van eene inrichting, waardoor het zoo noodig elk oogenblik van volle vaart binnen een af-
stand van 10 Meter tot stilstand kan worden gebracht.'

Dat de auto toch sneller was dan de wetgeving blijkt uit
een wat ongemakkelijke opmerking tijdens de voorbereiding van een nieuwe verkeerswet in het voorjaar van 1902.

Geconstateerd werd toen dat 'niet zelden motorrijtuigen ongestraft over de wegen voorbij snellen met eene vaart,
die aan de snelheid van een gewonen spoorwegtrein doet denken'.

RACE DOOR NEDERLAND

Heel instructief ten aanzien van de auto is de gang van zaken in 1898, toen de Amsterdammer J.Rahusen namens
de Automobile Club de France aan de minister van Water-staat, Handel en Nijverheid toestemming vroeg
'tot het houden van eenen wedstryd van Parijs naar Amster-
dam en terug, met door mechanische kracht voortbewogen rytuigen, zwaarder dan 150 Kilogram doch het gewicht van 1200 Kilogram niet te boven gaande'.

De 'rytuigen' zouden rijden met een snelheid van dertig tot veertig kilometer per uur, en het verzoek was dan ook om in alle steden en dorpen langs de route veiligheidsmaatregelen te treffen.
De minister werd uitgenodigd een ingenieur van Waterstaat aan te wijzen om de wedstrijd te volgen.
Wat de man te wachten stond, werd uitvoerig beschreven.

De 'coureurs de vitesse' zouden over heen- en terugreis drie dagen doen; de 'coureurs touristes' hadden vijf dagen tot hun beschikking.

De Franse club kreeg toestemming voor de 'wedstryd',
maar de overheid trof wl haar maatregelen.
Binnen de bebouwde kom werden posten opgesteld en geluidssignalen gegeven als de coureurs naderden.
Hetzelfde gebeurde als, tussen twee gemeenten in, onover-
zichtelijke bochten gevaar opleverden.

Natuurlijk werd er veel harder gereden dan de Nederlandse autoriteiten voor mogelijk hadden gehouden.
Achteraf kreeg de verantwoordelijke minister dan ook te horen dat voor dergelijke evenementen nooit meer toestem-
ming zou mogen worden gegeven.

De burgers langs de route hadden te veel risico gelopen en te veel ambtenaren hadden zich enige dagen moeten vrijmaken voor het genot of voordeel van enkelen'.

Het risicolopend publiek had zich tijdens de doortocht
de 'coureurs' echter uitstekend vermaakt. Sensatie was er volop.
Bijvoorbeeld toen een van de equipes tegen een boom knalde, in een poging een paar koeien te ontwijken.

PER AUTO NAAR DE MAJESTEIT

De overheid mocht dan haar twijfels hebben, het publiek vond de auto iets moois.
Maar pas omstreeks 1910, aan de vooravond van de Eerste Wereld-oorlog, deed de auto in Nederland zijn intrede als vervoermiddel - aardig wat later dan in landen als Engeland, Frankrijk en Duitsland.

Tijdens de kabinetsformatie van 1913 bijvoorbeeld kwamen de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer ieder met hun eigen auto naar Het Loo.
Voor het eerst hoefde de hofmaarschalk er niet meer voor te zorgen dat, zoals vroeger, aan het station te Apeldoorn voor beide heren een rijtuig gereedstond om hen naar de Majes-
teit te brengen.

Pas in de jaren twintig kwam in Nederland de opmars van
de auto op gang. Naarmate de wegen beter werden en er een netwerk van benzine-stations was aangelegd, bleek de auto het middel bij uitstek om mensen en vracht van huis naar huis te brengen.

 
 
 
 
 
naar inhoud 1900 naar index