|
Een
gevaar op de weg
Omstreeks de eeuwwisseling
wist Nederland nog niet zo goed wat het met de auto aan moest.
De nieuwe vinding leek vooral een gevaar op de weg en daarom waren er
maatregelen nodig.
In 1898
organiseerde de Automobile Club de France
de wedstrijd Parijs-Amsterdam v.v. voor 'door mechanische kracht voortbewogen
rytuigen'.
Auto's dus.
Het ging
allemaal prima, al waren er natuurlijk weer zeurpieten die vonden dat
er te veel ambtenaren waren ingezet.
Anno
1900 was de trein het aangenaamste en betrouwbaar-
ste middel van vervoer. Hij was comfortabel, reed op tijd en bracht de
reiziger snel op de plaats van bestemming.
Vanuit Utrecht bijvoorbeeld, zo'n beetje het midden van
het land, kon men de meeste delen van Midden-Nederland (zeg maar tussen
Den Haag en Apeldoorn en tussen de grote rivieren en de Zuiderzee) in
minder dan twee uur bereiken.
De auto was omstreeks de eeuwwisseling beslist geen vervoermiddel; erin
rijden was een dure vorm van sport
die slechts weinigen zich konden (of durfden) veroorloven.
En die enkelingen moesten dan de wegen van die tijd op
de koop toe nemen: slecht, stoffig, vol steenslag en vooral vol kuilen.
In
1908, toen dat eens een keer werd nagegaan, telde men op de route van
Amsterdam naar Haarlem slechts een twaalftal automobielen per dag.
GEVAAR
VOOR WEGGEBRUIKERS
De overheid
was van mening dat voor 'het berijden van rijkswegen met motorrijtuigen'
een vergunning nodig was.
De commissarissen van de koningin ontvingen daartoe in 1908 een lijst
van namen van lieden die een auto bezaten.
In heel Nederland waren dat er minder dan zeshonderd.
De auto, zo was de algemene overtuiging, was een gevaar voor andere weggebruikers.
Bij
Koninklijk Besluit van 19 januari 1898 werd bepaald dat iedere auto niet
alleen een 'cijferbord' moest dragen, maar
na zonsondergang ook voorzien diende te zijn van
'een helderlichtgevende lantaarn waarvan het licht vooruit en zijwaarts
goed zichtbaar' was.
Bovendien
moest hij uitgerust zijn met een bel of hoorn
die tot op honderd meter afstand hoorbaar was.
Vooral de snelheid van de auto werd in die tijd van paardekarren en voetgangers
beschouwd als een risico.
Daarom moest de bestuurder, als hij paarden of 'langs den weg gedreven
vee' tegenkwam, onmiddellijk stoppen of op z'n minst vaart verminderen
als hij merkte dat de dieren schichtig werden.
Bovendien was het verboden sneller te rijden dan 20 km per uur.
Tekenend voor de
onwennigheid van de wetgever ten aanzien van de auto was de formulering
over de remmen:
'Het rijtuig moet zijn voorzien van eene inrichting, waardoor het zoo
noodig elk oogenblik van volle vaart binnen een af-
stand van 10 Meter tot stilstand kan worden gebracht.'
Dat
de auto toch sneller was dan de wetgeving blijkt uit
een wat ongemakkelijke opmerking tijdens de voorbereiding van een nieuwe
verkeerswet in het voorjaar van 1902.
Geconstateerd
werd toen dat 'niet zelden motorrijtuigen ongestraft over de wegen voorbij
snellen met eene vaart,
die aan de snelheid van een gewonen spoorwegtrein doet denken'.
RACE
DOOR NEDERLAND
Heel
instructief ten aanzien van de auto is de gang van zaken in 1898, toen
de Amsterdammer J.Rahusen namens
de Automobile Club de France aan de minister van Water-staat, Handel en
Nijverheid toestemming vroeg
'tot het houden van eenen wedstryd van Parijs naar Amster-
dam en terug, met door mechanische kracht voortbewogen rytuigen, zwaarder
dan 150 Kilogram doch het gewicht van 1200 Kilogram niet te boven gaande'.
De 'rytuigen'
zouden rijden met een snelheid van dertig tot veertig kilometer per uur,
en het verzoek was dan ook om in alle steden en dorpen langs de route
veiligheidsmaatregelen te treffen.
De minister werd uitgenodigd een ingenieur van Waterstaat aan te wijzen
om de wedstrijd te volgen.
Wat de man te wachten stond, werd uitvoerig beschreven.
De 'coureurs
de vitesse' zouden over heen- en terugreis drie dagen doen; de 'coureurs
touristes' hadden vijf dagen tot hun beschikking.
De Franse
club kreeg toestemming voor de 'wedstryd',
maar de overheid trof wèl haar maatregelen.
Binnen de bebouwde kom werden posten opgesteld en geluidssignalen gegeven
als de coureurs naderden.
Hetzelfde gebeurde als, tussen twee gemeenten in, onover-
zichtelijke bochten gevaar opleverden.
Natuurlijk
werd er veel harder gereden dan de Nederlandse autoriteiten voor mogelijk
hadden gehouden.
Achteraf kreeg de verantwoordelijke minister dan ook te horen dat voor
dergelijke evenementen nooit meer toestem-
ming zou mogen worden gegeven.
De burgers
langs de route hadden te veel risico gelopen en te veel ambtenaren hadden
zich enige dagen moeten vrijmaken voor het genot of voordeel van enkelen'.
Het
risicolopend publiek had zich tijdens de doortocht
de 'coureurs' echter uitstekend vermaakt. Sensatie was er volop.
Bijvoorbeeld toen een van de equipes tegen een boom knalde, in een poging
een paar koeien te ontwijken.
PER
AUTO NAAR DE MAJESTEIT
De overheid mocht dan haar twijfels hebben, het publiek vond de auto iets
moois.
Maar pas omstreeks 1910, aan de vooravond van de Eerste Wereld-oorlog,
deed de auto in Nederland zijn intrede als vervoermiddel - aardig wat
later dan in landen als Engeland, Frankrijk en Duitsland.
Tijdens
de kabinetsformatie van 1913 bijvoorbeeld kwamen de voorzitters van de
Eerste en Tweede Kamer ieder met hun eigen auto naar Het Loo.
Voor het eerst hoefde de hofmaarschalk er niet meer voor te zorgen dat,
zoals vroeger, aan het station te Apeldoorn voor beide heren een rijtuig
gereedstond om hen naar de Majes-
teit te brengen.
Pas
in de jaren twintig kwam in Nederland de opmars van
de auto op gang. Naarmate de wegen beter werden en er een netwerk van
benzine-stations was aangelegd, bleek de auto het middel bij uitstek om
mensen en vracht van huis naar huis te brengen.
|