Kiesrecht

 

 

 

 

 

Op dinsdag 19 september 1911,
'Rode Dinsdag' zoals de dag zou gaan heten
en
1912 trokken ruim 20.000 SDAP-aanhangers
door de straten van Den Haag op naar het Binnenhof.


Ze hadden meer dan driehonderd-duizend handtekeningen
bij zich ten gunste van het algemeen kiesrecht.
Bedoeling was deze aan te bieden aan de regering
-maar de delegatie kwam niet verder dan de portier
van het ministerie van Binnenlandse Zaken.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gedeelte van het stembiljet voor de tussentijdse verkiezingen
voor nieuwe leden van de Amsterdamse gemeenteraad in 1907.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Belangstelling voor de verkiezingsuitslagen van 1897
op de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal.
Tussenstanden en uitslagen werden aangeplakt
door de aldaar gevestigde andelijke dagbladen.

 

Stemrecht voor iedereen

 

 

Het recht om te kiezen was aan het begin van deze eeuw nog voorbehouden aan een kleine groep Nederlanders.
Dat elitaire systeem moest veranderen, vonden vooral socialisten.

In 1911 en 1912 trok links Nederland massal op naar Den Haag om het algemeen kiesrecht af te dwingen.
De demonstraties hadden in zoverre succes dat de SDAP voldoende stemmen won om de conservatieven uit de regering te houden.


De beraadslagingen worden geopend.

Verlangt iemand het woord ?
Aarzelend kijkt de Voorzitter van de Eerste Kamer
rond na deze vraag.
Stilte.
Eerste-Kamer-stilte.
"Indien niemand het woord verlangt...?"
Stilte.
Eerste-Kamer-stilte.
Schroomvallig wordt de hamer opgeheven.
" Dan worden de beraadslagingen..."
Uit de bank dicht hij de ministerstafel (...) gaat een arm
de lucht in en spreekt kort een stem:
" 'k Vraag 't woord."
"Het woord is aan den heer Van Houten."

Op deze wijze begon de journahst C.K.Elout in 1907 zijn beschrijving van het optreden van mr. Sam van Houten,
een bedachtzame liberaal van conservatieve snit, vaak tegen de draad in en een van de uitgesproken tegenstanders van het algemeen kiesrecht.

 

Angst voor het proletariaat

Toch was juist deze Van Houten aan het begin van zijn politieke carrière, omstreeks 1870, krachtig opgekomen voor uitbreiding van het kiesrecht, zelfs tegen de grote liberale staatsman Thorbecke in.

Er was één verschil.
Toen waren het nog uitsluitend de beter gesitueerden die mochten stemmen.
Nu, aan het begin van de 20e eeuw, was er alle kans dat bij invoering van het algemeen kiesrecht de lagere klassen
de meerderheid zouden krijgen.
Dat was althans wat Van Houten vreesde.

Elout meende er wel een verklaring voor te hebben:
Van Houten zocht naar evenwicht.
'Daarom vroeger zijn verzet toen het plutocratisch element zeer overheerschte; daarom thans zijn even felle afwering nu hij 't proletarisch element om de overheersching strijden ziet.'

Van Houtens opvattingen waren typerend voor de conser-vatieven die vonden dat er langzamerhand wel voldoende maatschappelijke hervormingen waren geweest.
Vooruitstrevende liberalen vonden dat conservatisme stuitend.
'Er is dringend behoefte aan een vrijzinnig democratische partij tussen conservatieven en sociaal-democraten.
Wij hebben in woorden en daden de vrijzinnig-democra-tische beginselen te belijden en daarvoor te strijden!'
riep de voorzitter van de liberale kiesvereniging te Middelburg in 1901.

Dat jaar volgde dan ook de oprichting van de Vrijzinnig-Democratische Bond, een partij die tot na de Tweede Wereldoorlog zou blijven bestaan en meer invloed kreeg
dan haar geringe ledental zou doen vermoeden.

Het algemeen kiesrecht, niet alleen voor mannen maar ook voor vrouwen, was een van de eerste programmapunten van de Bond.

In 1900 was het aantal stemgerechtigden gestegen tot bijna 25 procent van het aantal mannen boven 25 jaar.
Maar nog altijd bleef het kiesrecht voor mannen beperkt door allerlei eisen van opleiding, inkomen en welstand.

Vrouwen waren al helemaal niet tot de stembus toegelaten.
Van algemeen kiesrecht was dus geen sprake.

Dat werd het doel van zowel de vrijzinnig-liberalen als
de sociaal-democraten.
Op 19 september 1910 zette de SDAP een actiejaar in met een demonstratie op het IJsclubterrein in Amsterdam.
Er namen 25.000 mensen aan deel.

In 1911, na een jaar van massabijeenkomsten, vergaderingen en demonstraties elders in het land, wilde
de SDAP als voorlopig sluitstuk van haar kiesrechtactie
de regering een petitionnement aanbieden, en wel tijdens een demonstratie op het Binnenhof op de derde dinsdag
van September, de opening van de Staten-Generaal.

Samenwerking op dit punt met anderen, de Vrijzinnig-Democratisch Bond bijvoorbeeld, mislukte zodat de sociaal-democraten besloten het er maar alleen op te wagen.
Want een waagstuk was het, zo'n demonstratie op een door-deweekse dag.

Geen arbeider kreeg er van zijn baas vrij voor je het wist stond je nog op straat ook.
Maar werkdag of niet, er kwamen ruim 20.000 mensen opdagen om de meer dan driehonderdduizend hand-tekeningen onder het petitionnement aan te bieden.
Het einde van de demonstratieve tocht door Den Haag was echter een anticlimax.

Omdat de minister-president weigerde de handtekeningen in ontvangst te nemen gaf W.H.Vliegen, één van de voor-mannen van de SDAP, de pakken maar af bij de portier van Het ministerie van Binnenlandse Zaken aan het Binnenhof. Toch maakte deze demonstratie diepe indruk.

Confessionelen in de oppostie.

Op 'rode dinsdag', de volgende Prinsjesdag, kwamen de sociaal-democraten opnieuw in groten getale naar Den Haag, nu voor een bijeenkomst in Houtrust.

Maar anders dan een jaar eerder verbood de Haagse burgemeester dit keer een optocht door de stad.
Geen nood!

In tien gescheiden groepen trokken de demonstranten
vanaf Houtrust langs allerlei routes naar het centrum.
Het Binnenhof was weliswaar afgezet en daar gebeurde
dan ook niet veel.
Maar dat het optreden van de duizenden SDAP'ers toch gevolgen had bleek in 1913, toen er verkiezingen waren
voor de Tweede Kamer.

De Vrijzinnige Concentratie, een samenwerkingsverband van Vrijzinnig-Democraten en andere vooruitstrevende liberalen, had het algemeen kiesrecht eveneens op haar programma staan.
Maar het was vooral de SDAP die bij dit programmapunt garen spon en behoorlijk wat zetels won.
De confessionele partijen verloren danig en kwamen in
de oppositie.

Weliswaar bleven de socialisten bij de volgende kabinets-formatie uit eigen verkiezing buiten de regering, maar ze waren wel bereid het nieuwe extra-parlementaire kabinet-Cort van der Linden te steunen toen dit het algemeen kiesrecht op de agenda zette.

In 1917 was het zover: alle mannelijke Nederlanders
kregen stemrecht.
Korte tijd later volgden de vrouwen.

Vóór 1917 werden de leden van de Tweede Kamer nog gekozen in hun eigen kiesdistrict.
Ze voerden er propaganda in rokerige cafézaaltjes of buiten, met harmonieorkesten en heftig discussiërende omstanders.
De meesten konden de spreker niet verstaan - luidsprekers waren er nog niet -maar men kende de kandidaten van gezicht en zag hen aan het werk.
Dat gaf betrokkenheid en bracht leven in de brouwerij.
Als op de dag van de verkiezingen de uitslagen binnen-stroomden stond het publiek in dichte drommen bij de krantenbureaus om te zien wie er had gewonnen.

De democratie bereikte rond 1900 nog maar een deel van de bevolking, maar de verkiezingen waren een opwindende gebeurtenis omdat men in de districten meeleefde met 'zijn' kandidaat.

Met de komst van het algemeen kiesrecht ging dat Districtenstelsel overboord. In zekere zin was dat een verarming.
Iedereen mocht stemmen -maar de kamerleden kwamen verder af te staan van de man in de straat.

 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index