Kermis en Circus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In september 1900 kreeg Rotterdam bezoek
van het befaamde Amerikaans circus Barnum en Bailey.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Hoogtepunt van iedere kermis was voor elk kind
de moderne stoomcarrousel met zijn levensechte paarden,

draaipriëlen, zwanen en schuitjes.

De muziek van het mechanische orgel
verhoogde de sprookjesachtige sfeer van de dolle rit in de rondte.

 

 

'Komt dat zien!
Komt dat zien!'

 

De kermis en het circus hoorden tot de toppers van
het Nederlandse volksvermaak, ook al was iedere dominee er fel tegen. Waar ze verschenen was het feest.

Voor veel Nederlanders, niet alleen op het platteland maar ook in de stad, waren de kermis en het circus tot ver na de eeuwwisseling hoogtepunten in een jaar vol zorgen en hard werken.
De kermis miste nog de technische hoogstandjes van nu, maar was er des te romantischer door.

Een of meer keer per jaar verscheen het rondreizend kermisvolk en bouwde op markt of dorpsplein zijn spullen op.
Terwijl de jeugd vol verwachting toekeek, verrezen in razend tempo de draaimolens en schiettenten, de nougat- en poffertjeskramen, de gokpaleizen en de vele wonder-lijke attracties waardoor niet alleen boeren en buitenlui maar ook het stadsvolk zich met plezier lieten beduvelen:
de wonderdokter en de fakir, de dikke dame, de waar-zegster en de onvermijdelijke 'professor' met zijn wonderbaarlijke uitvinding.

'Komt dat zien! Komt dat zien!'
probeerde de directeur vanaf een verhoogd podium het voorbij-schuifelende publiek naar binnen te lokken.

En het publiek kwam, ook al gaf 'de echte neger uit Donker Afrika' in de regen wat af en bleek hij in onvervalst Drents dialect te kunnen vloeken...

Een klassiek circus in de Europese betekenis was B & B eeigenlijk niet.
Het was veel meer een reizende verzameling rariteiten
en curiosa die in twaalf tenten te bezichtigen was.
Sommige ervan, zoals de paarden en de wilde beesten, traden ook op tijdens de voorstellingen.
In een aparte tent kon het publiek verversingen gebruiken.

Moderne pronkstukken waren de stoomcarrousel en vooral de donkere tentschuur waarin bewegende beelden te zien waren: voor veel plattelanders de eerste kennis-making met het fenomeen film.

Kermis - dat was glitter en bonte kleuren, exotische attracties en veel feestelijks.
De fabrieken lagen een paar dagen stil, jong en oud flaneerde over het kermisterrein.
De kleintjes jengelden voor snoep- en speelgoedkramen, de mannen doken al gauw het café in.
Vechtpartijen hoorden er ook bij. Een mes was in dronkenmanswoede snel getrokken en vaak genoeg had de krant een kermismoord te melden.
De jongelui dansten tijdens de kermis voor het hele jaar en alsof het voor de laatste keer was.
Vaak was het dat ook in zekere zin:
veel huwelijken uit die tijd werden binnen negen maanden na de kermis gesloten.

'de pest voor jonge levens'

Geen wonder dus dat er verzet was tegen de kermis.
Niet alleen van de 'betere standen', in verband met over-last in de buurt van hun herenhuizen, maar vooral ook van pastoors en predikanten door de excessen en
de gevaren voor de goede zeden.

De dominees waren de felste; ze waren nooit vergeten
dat de kermis van katholieke oorsprong was, een paapse lichtzinnigheid.
Voor het Rotterdamse Anti-Kermis Comité schreef
een dominee uit Arkel in 1907 een brochure met de titel 'In naam van moraliteit en naastenliefde'.
Een tekst als van dik hout zaagt men planken:
als de spullebazen hun tenten opsloegen, werden in
de mens 'alle dierlijke neigingen' opgewekt.

Gezellig en onschuldig vermaak? Geen sprake van.
Volgens dominee was de kermissfeer ongezond zwoel,
met ordinair zingende vrouwen, dronkelappen en verhit vrijende paartjes.
De kermis is de pest voor de jonge levens.
Laat ons toch de jeugd bewaren, zoolang we kunnen,
van de besmettingen der zonde.
De kermis leert hen van nabij kennen ellendige, dierlijk dronkenschap, onbarmhartig vloeken en leert vuile deunen zingen, alle even prullig van vorm, maar met
de welgeslaagde bedoeling het beestachtigste vuil onder het bereik van allen te brengen.

Waarschuwingen tegen de excessen van de kermis waren er niet de oorzaak van (dat was de opkomst van ander vermaak) maar toch was de kermis als toppunt van volksvermaak omstreeks 1900 al op zijn retour.
In elk geval gold dat voor het westen en noorden van
het land.
Elders, met name in Zuid-Nederland, bleef dit volksfeest tot ver na de Tweede Wereldoorlog populair.
Nog altijd is de Tilburgse kermis de grootste van het land.

JAN PIGGE EN DE CIRCUSROMANTIEK

Het circus was een fenomeen apart, zeker in een tijd waarin deze amusementssector nog tal van kleine ondernemers kende. Een onweerstaanbare attractie:
de romantiek van zaagsel en stalgeuren; de halsbrekende toeren van trapezeartiesten en acrobaten te paard;
de clowns; het circusorkest en als het even kon de dressuur van wilde beesten.
Maar meestal ging het er in die dagen wat bescheidener aan toe.

Zoals bij het circus van Jan Pigge, een rasechte Tilburgenaar van boerenafkomst die eigenlijk Pigmans heette.
Hij had zijn geld verdiend als fabriqueur in de textiel en dat, vrijgezel en circusgek als hij was, in zijn grote hobby gestoken.

Een circus van formaat was het niet, Circus Pigge.
Zelf deed Pigmans het paardennummer, met zeven raspaarden waaronder de Arabische hengsten Zampa, Samson en Norma.
Ook kon hij een geit kunstjes laten vertonen.
Een gymnastiekvereniging zorgde voor een 'menselijke piramide' en de ster van de gymnastiekvereniging was tevens de enige acrobaat van Circus Pigge:
Toontje Klaassen die op diens oude dag zijn baas nog jaren lang zou dienen als huisknecht.

De circuswagens van Jan Pigge trokken jarenlang door Midden-Brabant en de Belgische Kempen.
Veel verder kwam het gezelschap niet, daarvoor had het te weinig in huis.
In de bak onder de wagens sliepen de 'artiesten' die onderweg tijdelijk waren geëngageerd: plaatselijke kerels met een origineel kunstje.

Een beetje armoedig ook waren de 'monsters' en 'wilde dieren' uit het programma: opgeschoten jongens die in lattenconstructies en felbeschilderde lappen het hoog-geëerde publiek als reuzenvleermuizen en draken de stuipen op het lijf probeerden te jagen.

De sterkste nummers bracht Pigge met zijn zeven raspaarden, waaronder drie Arabische hengsten.
Toch werkte het in die dagen, in het zuiden althans.
Iedereen doorzag het, iedereen grinnikte om de bizarre kostuums en de Franse bevelen van de directeur.
Maar samen hielden toeschouwers en artiesten de illusie van het exotische in stand.

 
 
 
 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index