INDUSTRIE IN OPKOMST

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De (late) komst van de stoomkracht
in de Nederlandse industrie
betekende het einde voor een groot aantal windmolens,
met name in de Zaanstreek
waar windkracht altijd een grote rol had gespeeld.
In twintig jaar tijd viel meer dan de helft van de Zaanse molens
onder de slopershamer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De nieuwe ontwikkelingen ten spijt bleef in sommige bedrijfstakken
windkracht nog jarenlang een rol spelen, vooral in de kleinere ondernemingen.
In de Zaanstreek maakte bijvoorbeeld de houtzagerij er nog lange tijd gebruik van.
De afbeelding is afkomstig van een schoolplaat.

De industrialisering van Nederland begon in de jaren zeventig
van de vorige eeuw onder andere in de textiel.
In 1913 werd in Gouda een tentoonstelling gehouden
die een overzicht gaf van de ontwikkeling in deze bedrijfstak.
Tal van textielbedrijven toonden er hun nieuwste machines.

 

 

De kracht van de motor

 

 



Eeuwenlang had de Nederlandse nijverheid een sterk ambachtelijk karakter gehad.
Aan het einde van de 19e eeuw begon daarin in snel tempo verandering te komen.

Anders dan in het buitenland was in ons land niet de zware industrie de motor achter de economische vooruitgang.
Hier vond de groei evenwichtiger plaats en over een veel breder terrein. De groei van de handel speelde daarbij een belangrijke rol.

Sinds het midden van de 19e eeuw was de industriële beroeps-bevolking in ons land jaarlijks met zo'n vijfduizend arbeids-krachten toegenomen.
Toen die gestage groei omstreeks 1895 plotseling versnelde tot twaalfduizend per jaar was dat een teken dat er in
de Nederlandse nijverheid iets ingrijpends aan het veranderen was.

Inderdaad betekende deze abrupte sprong voorwaarts méér dan een uitbreiding van het bestaande. Een deel ervan was zonder twijfel een gevolg van het feit dat de traditionele, ambachtelijke nijverheid aan steeds meer handen werk gaf.
Maar de groei in deze sector, goed voor zo'n tweeduizend nieuwe arbeidsplaatsen per jaar, was toch minder dan vroeger.
De plotselinge versnelling moest dus een andere oorzaak hebben. En die was er ook: de opkomst van de industrie die met behulp van stoomkracht de ambachtelijke nijverheid begon te verdringen en zich ging toeleggen op nieuwe produkten.

DE WIND UIT DE ZEILEN

Een goed voorbeeld zijn de veranderingen die plaatsvonden in
de Zaanstreek.
De windmolens in dit gebied, ooit de trots van de Hollandse nijverheid, verloren in korte tijd de wind uit hun donkere zeilen. Van de ruim 140 die er anno 1895 in bedrijf waren, bleef twintig jaar later nog slechts een zestigtal over. De rest was vervangen door een betrekkelijk klein aantal stoomfabrieken.

Er werd in de Zaanstreek nog altijd hout gezaagd, rijst gepeld en mosterd gemaakt. Alleen gebeurde dat niet langer op windkracht maar met behulp van stoommachines.
Tegelijkertijd ontstonden industrieën die de traditionele halffabrikaten van de streek (gezaagd hout, lijnolie) ter plaatse gingen verwerken. En ten slotte vestigden zich langs de Zaan volstrekt nieuwe bedrijven: de emballage-industrie, de blikfabricage en fabrieken voor de produktie van cacao en chocoladeprodukten.

Ook elders in het land legden wind- en waterkracht het af tegen de stoom: tussen 1890 en 1914 nam de stoomaan-drijving toe met zo'n 250 procent.
Omstreeks 1890 kwam daar, zij het voor korte tijd, de gas-motor bij, niet lang daarna gevolgd door de elektromotor.

In 1890 was deze laatste nog een curiositeit waarover in
de bladen met verwondering werd bericht; in 1911 waren in de Nederlandse industrie al meer dan 13.000 van deze motoren in bedrijf.

NIEUWE FINANCIERINGSVORMEN

De industrialisering van de Nederlandse nijverheid was in
de jaren zeventig begonnen in de lichte industrie:
de textiel, de fabricage van kleding en schoenen en
de voedings- en genotmiddelenindustrie.
In de katoenweverij bijvoorbeeld verdubbelde tussen 1890 en 1910 het grondstoffenverbruik doordat het aantal machines met 70 procent werd uitgebreid. Het aantal arbeidskrachten nam eveneens toe, zij het niet in verhouding: slechts 40 procent.

Vergelijkbare ontwikkelingen vonden onder andere plaats in
de landbouwindustrie, de margarinefabricage en de bier-
brouwerij.
De industrialiseringsgolf uit de jaren omstreeks de eeuw-
wisseling viel echter vooral op door de gang van zaken in
de zware industrie: het vervaardigen van produktiemiddelen als machines, motoren en transportmiddelen.
Deze sector, die tot dusver in Nederland weinig van zich had laten horen, stelde hoge eisen aan de kapitaalvoorziening —
en juist dat was iets waaraan familiebedrijven en andere traditionele ondememingsvormen maar moeilijk konden voldoen.

Vooral deze tak leidde tot een nieuwe vorm van financiering.
Een verandering in de belastingwetgeving maakte het in 1894 aantrekkelijk van een onderneming een naamloze vennoot-schap te maken. Ze maakte het ondernemers gemakkelijker hun geldbehoefte te dekken op de open en vooral onpersoon-lijke kapitaalmarkt.
De rechtstreekse band tussen de ondernemer en degene die hem geld beschikbaar stelde om zijn bedrijf uit te oefenen verdween daardoor in toenemende mate.

Vanaf dat moment nam het aantal naamloze vennootschap-pen jaarlijks met zo'n 30 tot 50 procent toe.
Het meest sprekende voorbeeld van die groei vond plaats in de metaalnijverheid: het aantal arbeiders in deze sector nam tussen 1890 en 1910 toe met 51.000, ruim drie keer zoveel als in de voorafgaande dertig jaar.

BREDE ONTWIKKELING

Toch fungeerde de zware industrie, met haar snelle ontwik-keling, niet echt als motor voor de rest van de Nederlandse nijverheid. Anders dan in het buitenland, waar vaak slechts enkele sleutelsectoren de doorslag gaven, was in ons land omstreeks 1900 sprake van een evenwichtige groei over de gehele lijn.
Binnen het geheel van de nijverheid kwamen tegelijkertijd allerlei uiteenlopende bedrijven en bedrijfstakken tot ontplooiing die elk op zich fungeerden als grote of kleine groeikernen.
De industrialisering in Nederland was dan ook niet zozeer te danken aan bijzondere omstandigheden waarvan in eerste instantie slechts een beperkt aantal industrieën kon profiteren maar aan de economische ontwikkeling in het algemeen.

Van groot belang was bijvoorbeeld de spectaculaire groei van de wereldhandel. Tussen 1895 en 1910 nam de handel in half-fabrikaten toe met 60 en die van industriële eindprodukten zelfs met 100 procent.
Nederland haakte bij die ontwikkeling aan en had daarbij veel baat van het bezit van Nederlands-Indië. De kolonie leverde grondstoffen, fungeerde als afzetmarkt en droeg aan de kapitaal-rijkdom van Nederland bij doordat de winsten werden overgeboekt naar het moederland.

De groei van de handel kwam ook de doorvoer naar de om-
ringende landen ten goede, in het bijzonder die naar Duitsland.
Tussen 1890 en 1910 groeide het internationale scheepvaart-verkeer in de Nederlandse havens met bijna 250 procent.
De daaruit voortvloeiende investeringen ter verbetering van
de havenfaciliteiten en de gehele infrastructuur zorgden voor werk en inkomen waardoor de binnenlandse koopkracht steeg en de industriële afzet toenam.

De algehele modernisering van het produktieproces ging gepaard met ingrijpende veranderingen in de werk-
gelegenheid.
Los werk en eenvoudige loonarbeid namen in betekenis af,
het aantal toezichthoudende en administratieve functies steeg, de 'witte boorden' waren in opmars. Reeds in 1910 behoorde één op de zeven á acht werknemers tot dit moderne 'salariaat'.

De scholingsgraad van de beroepsbevolking nam sprongs-
gewijs toe.
Lonen en salarissen stegen dientengevolge; tussen 1890 en 1910 zelfs met 25 tot 30 procent.
Ook dat leidde tot een toeneming van de koopkracht waarvan de Nederlandse industrie in het algemeen profiteerde.

naar inhoud 1900 naar index