DECEMBERMAAND

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Van een baarlijke schrik die zich zelden liet zien
en voor de kleinen daardoor nóg angstaanjagender was,
veranderde Sinterklaas omstreeks de eeuwwisseling
in de goedheiligman zoals we hem nu kennen:
een goedmoedige grijsaard die gul zijn gaven in het rond strooit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 



 

Terug naar de huiskamer

 

Sinterklaas werd van grommelaar een kindervriend,
het kerstfeest rukte op en op oudejaarsavond maakten geweren en buksen plaats voor kleurrijk vuurwerk.
De decemberfeesten veranderden van karakter.

Behalve kinderen mochten ook dienstboden en knechten voortaan de schoen zetten, en ze vonden daarin ook wat.
En van folkloristische evenementen op straat werden
de decemberfeesten meer en meer gebeurtenissen in huiselijke kring.

Halverwege de 19e eeuw was Sinterklaas zeker nog niet
de gulle kindervriend die hij later met krachtige hulp
van de middenstand zou worden: de vriendelijke bisschop
die in alle gezinnen ruimhartig zijn gaven rondstrooit.
De schrijvende predikant Petrus de Genestet schilderde in 1860 een voor die tijd realistischer beeld van de latere goedheiligman.

Al grommend in den baard,
die afstroomt van zijn kin;
Een  masker voor 't gelaat,
afschuwelijk van kleuren.

Want zo iemand was de Sint tot omstreeks de eeuwwisseling: geen kindervriend maar een kinderschrik; een figuur die onder kettinggerammel op deuren en ramen bonsde en
de ouders hielp om de lieve kleinen tot gehoorzaamheid te dwingen.

Pas omstreeks de eeuwwisseling kwam daar verandering in.
Zelfs de grootste rekel werd niet meer in de zak gestopt om voorgoed te worden afgevoerd naar Spanje, en de gard of roede was in de handen van Zwarte Piet eerder een symbool geworden dan een strafwerktuig.
In een enkele stad werd de bisschop zelfs officieel ingehaald en hier en daar vertoonde hij zich, op uitnodiging van het schoolbestuur, in de laagste klassen van de lagere school.
Weliswaar met het grote boek waarin alle pekelzonden stonden genoteerd - maar met in de kleine lettertjes ook al wel de wensen van de kinderen.
Bovendien was de verjaardag van Sinterklaas inmiddels niet alleen een kinderfeest, maar was deze geëvolueerd tot een gezellig familiegebeuren.
Dienstboden mochten net als de kinderen, aan de vooravond van het feest hun schoen of klomp zetten; volwassenen wisselden op sinterklaasavond presentjes uit en gedichten waarin ze elkaar op plagende wijze de waarheid zeiden.

 

Kerst in opkomst

Een duidelijke concurrent voor het sinterklaasfeest, een belangrijk deel katholiek van oorsprong tenslotte, was
het kerstfeest.

Vooral de protestanten gaven aan dit laatste de voorkeur.
Voor hen waren de kerstdagen een tijd van overdenking.
Men ging ter kerke en vierde het feest van Christus geboorte vervolgens in huiselijke kring, met een sobere maaltijd bij kaarslicht.

Maar ook de rooms-katholieken deden mee. Zij gingen het holst van de nacht naar de nachtmis en zetten zich daarna eveneens aan tafel - zij het door de bank genomen minder sober dan hun protestants-christelijke broeders en zusters.

Met name in het zuiden van het land wilde eerste kerstdag nog weleens uitlopen op iets dat wel heel erg in de buurt kwam van een drankfestijn.
In niet-christelijke gezinnen ging het er inmiddels iets anders aan toe. Daar had de uit Duitsland afkomstige kerstboom zijn intrede gedaan als symbool van de nieuwe winterse huise-lijkheid - en onder die boom lagen in toenemende mate
de geschenken die anderen elkaar op sinterklaasavond gaven.
Nog tot ver in de 20e eeuw verzetten zowel katholieken als protestanten zich tegen deze heidense nieuwlichterij - om uiteindelijk toch het hoofd te buigen voor de nieuwe tijd.
De roomsen pasten zich, hun aard getrouw, nog het gemakke-
lijkste aan. Ze haalden de kerstboom in huis, maar zetten aan de voet ervan hun vertrouwde kerststalletje. 

Oudjaar

Na sinterklaasavond en kerstmis volgde oudejaarsavond,
ook alweer zo'n halfheidens feest dat min of meer gekerstend was. In de kerken werd in speciale avonddiensten plechtig
het oude jaar uitgezongen - waarna buiten het knallen en donderen begon. Hoewel niet meer zo erg als vroeger.
Met name in de steden had de jaarwisseling een huiselijker en daardoor rustiger karakter gekregen.
Al in 1870 meldde de geschiedschrijver Jan ter Gouw 'van
de huidige dag niets dan lof' in vergelijking met enige tientallen jaren geleden, toen de viering van het nieuwe jaar nog met 'volle bekers en luide zangen en de straat vol dronkenlui' was.

Verdwenen waren inmiddels de lantaarnopstekers, askarrenmannen, doodgravers, nachtwachten, porders en straatvegers die, niet prenten schooiend, aan de deur kwamen in de hoop op een fooi.
Verdwenen was ook het nieuwjaarszingen, waarbij rond-trekkende armen de burgerij luidkeels verzochten om een aalmoes. In de stad althans.
Op het platteland bleven veel oudejaarsgebruiken nog tientallen jaren in zwang.

Kinderen trokken met de foeke- of rommelpot langs
de deuren om geld of snoep op te halen; elders, zoals in Ootmarsum, liep een nachtwacht door de straten om op het juiste moment 'twaalf heit de klok' te roepen en in Drenthe, Overijssel en op sommige waddeneilanden bleef het gebruik van het 'nieuwjaarsslepen' in zwang, waarbij de opgeschoten jeugd van de boerenerven alles wegsleepte wat ook maar enigszins loszat.
Algemeen gebruik bleef het maken van buskruitlawaai.
In de steden beperkte de bevolking zich, door de toenemende
controle op vuurwapenbezit, meer en meer tot het afsteken van vuurwerk. Maar ten plattelande werd op oudejaarsavond nog menig kanon, buks of geweer afgeschoten - of werd bij gebrek daaraan gebruikgemaakt van melkbussen die met carbid waren omgetoverd tot levensgevaarlijke pseudokanonnen.

Toch werd omstreeks 1900 ook oudejaarsavond meer en meer een huiselijk feest, met drank en oliebollen en om twaalf uur 's nachts het geluid van kerkklokken, scheepsfluiten, vuurwerk en ander lawaai dat het volk overigens slechts even naar buiten kreeg. Daarna ging de deur weer dicht en wenste men elkaar een zalig, een gelukkig of een gelukzalig nieuwjaar.
De beleving van de feestdagen in december legde op die manier getuigenis af van de veranderingen in de Nederlandse samenleving.
Vroeger speelden ze zich voornamelijk af op straat;
na de eeuwwisseling werden ze meer en meer in huiselijke kring gevierd.

 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index