HET BINNENHOF

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

klik voor een groter formaat

 

Na de restauratie van de middeleeuwse Ridderzaal in 1904
werd de jaarlijkse opening van de Staten-Generaal
een verheven ceremonieel dat dynastie en natie extra cachet gaf.
De Gouden Koets, hoewel van recentere datum, droeg daar in belangrijke mate toe bij.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Premier Th. Heemskerk arriveert op het Binnenof
voor de opening van de Staten-Generaal in 1912.

Dat jaar werd de plechtigheid voor het eerst gefilmd ter vertoning in de bioscoop.
Zo kon ook 'de provincie' iets proeven van de sfeer in Den Haag op Prinsjesdag.

 

 

 

 

 


 

TOCHT IN HAAGSE KRINGEN

De Eerste en Tweede Kamer vergaderden ook omstreeks de eeuw-wisseling al aan het Haagse Binnenhof. Maar echt comfortabel hadden
de leden het niet, zeker niet die van de Eerste Kamer.

Op Prinsjesdag was het vooral na de restauratie van de Ridderzaal feest
in Den Haag. Kleurige uniformen, militairen te paard, de Gouden Koets achter een prachtig achtspan en bovenal het koninklijk gezin dat voor
een dag dicht bij het volk stond - letterlijk.


Eind vorige eeuw ging het er op het Binnenhof doorgaans rustig aan toe. Maar op de derde maandag van september 1883, bij de opening van de zitting der Staten-Generaal, werd die rust op een wat merkwaardige wijze verstoord.
Een stoet van Haagse weesmeisjes in hun zondagse jurken stroomde twee aan twee het gebouw van de Tweede Kamer binnen en nam plaats op de publieke tribune. Aanschouwelijk onderwijs in de beginselen van de Nederlandse staatkunde?

Dat was het niet. De kinderen waren naar het Binnenhof gehaald om te voorkomen dat de tribunes zouden vollopen met roerige demonstranten voor een algemeen kiesrecht.
Minister-president mr. J. Heemskerk Azn. had succes met zijn slimme actie: de rust werd niet verstoord.
De meisjes zullen wel geïmponeerd zijn geweest door de kleurige uniformen die ministers en kamerleden voor de gelegenheid uit de kast hadden gehaald. En anders wel door koning Willem III die, zoals gebruikelijk, de Troonrede uitsprak.

EERHERSTEL VOOR DE RIDDERZAAL

Het was overigens een van de laatste keren dat de plechtige openings-zitting op een maandag plaatsvond.
Veel kamerleden moesten al de dag tevoren uit hun woonplaats vertrekken om tijdig op het Binnenhof te kunnen zijn en daarmee was
de zondagsheiliging allerminst gediend.

Vier jaar later werd de ceremonie dan ook verplaatst naar de derde dinsdag in september - en zo is het sindsdien ook nog steeds gebleven.

Later veranderde ook de plaats van de bijeenkomst.
Tot 1904 vond de opening van de Staten-Generaal plaats in de vergader-zaal van de Tweede Kamer en stond de troon opgesteld achter de ministerstafel.
In 1904 verhuisde hij naar de gerestaureerde Ridderzaal.
In de Kamer kwam daardoor wat meer ruimte voor het midden-vierkant, de ruimte tussen het spreekgestoelte en de ministerstafel die volgens
het kamerreglement vrij moest blijven en waarin ook de stenografen hun werk deden.
Maar die regel werd nogal eens met voeten getreden als het er in het debat stevig aan toe ging en de verhitte kamerleden om de spreker dromden om hem te interrumperen.

Graaf Floris V had de Ridderzaal in de 13e eeuw laten bouwen als
een uitbreiding van het kasteel van de graven van Holland.
Maar eind 19e eeuw was de zaal gedegradeerd tot een bergplaats voor archiefstukken van het ministerie van Binnenlandse Zaken:
een akelige ruimte waarvan de houten kap was vervangen door
een karakterloos dak en waarin de wanden schuilgingen achter rekken vol stoffig papier.

Hagenaars die hart hadden voor de bouwwerken in hun stad vroegen koningin Emma ten slotte of ze niet kon zorgen dat de zaal haar oude aanzien terugkreeg. Dat gebeurde, de Ridderzaal werd ingrijpend gerestaureerd. De houten kap keerde terug, allerlei latere toevoegingen aan het gebouw werden gesloopt en het geheel kreeg weer zijn middeleeuwse uiterlijk.

Op de derde dinsdag van september 1904 opende koningin Wilhelmina er voor het eerst de verenigde zitting van de Staten-Generaal, in gezelschap van koningin-moeder Emma en prins Hendrik.

PRINSJESDAG IN DE BIOSCOOP

In 1912 konden de Nederlanders voor het eerst naar de bioscoop om er
op het journaal de opening van de Staten-Generaal te zien.
Ze zagen de aankomst van de koningin op het Station Staatsspoor
en de rijtoer door de stad naar het Binnenhof.
Ook in de Ridderzaal was gefilmd, op eerbiedige afstand van de troon uiteraard en zonder de extra verlichting die eigenlijk nodig zou zijn geweest om een fraai beeld te krijgen.

Maar voor het eerst zagen ook mensen die nog nooit in Den Haag
waren geweest een glimp van de regeringsgebouwen en proefden ze iets van de sfeer op Prinsjesdag.
Het waren mooie beelden, zij het nog niet in kleur.
Kamerleden en ministers in uniform, het corps diplomatique in feestelijke uitdossing. En op het Binnenhof en daarbuiten de duizenden die
het schouwspel niet wilden missen:
de Gouden Koets achter een span van acht prachtige paarden, militairen
te paard in gala-uniform. En bovenal het koninklijke gezin, in het gewone leven onmetelijk ver weg maar nu voor één dag even heel dichtbij.
Zelfs op het witte doek.

In die jaren was er opnieuw een Heemskerk minister-president,
mr. Theo Heemskerk, een zoon van de man die het plan met
de weesmeisjes had bedacht.

Ook hij had inmiddels een kiesrechtactie achter de rug, in 1911;
hij had de koningin zelfs gevraagd weg te blijven bij de opening
van de Staten-Generaal.
Men kende hem wel in Den Haag.
'Als hij buiten wandelt, ietwat-voorover-gebogen, de hoed een tikje
in de oogen, met een telkens terugkeerend licht hoofdschokje,
alsof hij hem wat op zijn plaats wil werken, lekker een sigaar rokend,
de jas veelal open, dan staren zeer veel menschen, wanneer zij gepasseerd zijn, hem even na en vertellen aan elkander, dat
minister Heemskerk daar gaat,' schreef parlementair journalist
D. Hans over hem.

FRISSE WIND IN DE EERSTE KAMER

Aan het Binnenhof, aan de kant van het befaamde Torentje, vergaderde ook de Eerste Kamer.
Ooit zetelden daar de machtige Staten van Holland voor wie zelfs
de Engelse koning eens zijn hoed afnam.

De journalist C.K. Elout schreef in 1907 echter dat de eens zo fraaie vergaderzaal in zijn tijd een wat onttakelde indruk maakte.
Ze werd nog verlicht met gasbollen die - ook tijdens een zitting -
door een kamerbode één voor één met een lange stok moesten worden aangestoken; de ruimte werd verwarmd door een zelfs toen al ouderwetse plaatijzeren kachel.
Bovendien stond er in de ruimte een gestage tocht door de wind die vanaf de Vijverberg vrijelijk door de kierende ramen naar binnen kwam.

De leden van de Eerste Kamer lieten zich door deze ongemakken echter niet afleiden. Hun beraadslagingen werden in die tijd waardig geleid door voorzitter J.E.N.baron Schimmelpenninck van der Oije van Hoevelaken die bij de stemmingen hoogstpersoonlijk de namen van de illustere leden afriep.
'En elke naamsvoorlezing wordt gevolgd door 'n kleine stilte, door
een stukje van die Stilte, die een levenselement is in de Eerste Kamer...' schreef Elout. Want kalm en deftig ging het er inderdaad aan toe in de Eerste Kamer van toen.

naar inhoud 1900 naar index