DE HERVORMDEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Conrad Busken Huet
was een van de predikanten uit de Nederlandse Hervormde Kerk
die in de tweede helft van de 19e eeuw afhaakten
omdat ze zich niet langer konden verenigen met de behoudende koers.
Hij en zijn geestverwanten werden vervolgens het zwaarst bestreden
door collega's die het eigenlijk met hen eens waren.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijeenkomst in 1913 van hervormde theologen
in het gebouw van de Maatschappij voor den Werkenden Stand
te Amsterdam.
De grootste geschillen waren inmiddels bijgelegd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ds. Allard Pierson op latere leeftijd.
Ook hij was een van de dissidenten die voor de eeuwwisseling
het ambt neerlegden en elders hun heil zochten.

 

De kerk der predikanten

 

Na een aantal felle botsingen in de tweede helft van de 19e eeuw waren de kaarten geschud en maakte de Nederlandse Hervormde Kerk zich eensgezind op de burgerlijke waarden van de natie te verdedigen.

Hervormde predikanten waren uitsluitend ondergeschikt aan
de hogere organen van hun nationale kerkorganisatie — waarvan ze de leden zelf en uit eigen kring benoemden.
Financieel waren ze onafhankelijk en hoefden ze bij niemand
de hand op te houden.

 

Hoewel aan haar bevoorrechte status als overheidskerk al meer dan een eeuw eerder een einde was gekomen, was de Nederlandse Hervormde Kerk omstreeks 1900 nog steeds het meest officiële en meest vooraanstaande kerkgenootschap in de samenleving.
Ze was het nauwst van alle met de staat verbonden, het hechtst verweven met groepen die in de maatschappij de toon aangaven. Ze voelde zich dan ook de vaderlandse kerk bij uitstek - en in feite had ze daar ook wel een beetje gelijk in.

Toch had ze in de 19e eeuw zware klappen gekregen.
Als gevolg van twee afsplitsingen, de Afscheiding van 1834 en
de Doleantie van 1886, was haar ledental gedaald tot minder dan de helft van de Nederlandse bevolking.
Bovendien bestond de groep Nederlanders die zich bij volkstel-
lingen onkerkelijk noemde voornamelijk uit ex-hervormden.
De groep was weliswaar nog klein, maar begon sinds de jaren tachtig snel in aantal toe te nemen.
Erger nog dan de daling van het ledental waren de verwarring
en onzekerheid onder de hervormden als gevolg van de strijd
die zich in het laatste kwart van de 19e eeuw binnen hun kerk
had afgespeeld.
Omstreeks de eeuwwisseling was het kerkgenootschap zich langzaam van deze crisis aan het herstellen. In de jaren van felle strijd, tussen 1880 en 1890, was de Nederlandse Hervormde Kerk er niet eens meer in geslaagd voldoende kandidaat-predikanten aan te trekken en op te leiden. In 1889 waren er zodoende zo'n 400 predikantenplaatsen vacant, bijna een kwart van het totaal. In 1910 echter was het aantal vacatures reeds gedaald tot honderd.


MACHT IN EIGEN HAND

Deze cijfers zijn belangrijk omdat de Hervormde Kerk in belang-
rijke mate een predikantenkerk was. Sinds het laatste kwart van de 18e eeuw vormden haar dominees sociaal en nationaal een min of meer homogene beroepsgroep. De reorganisatie van de kerk onder Willem I was met deze situatie in overeenstemming geweest.
In de 19e eeuw was de Hervormde Kerk dan ook centraal en hiërarchisch georganiseerd. Ze vormde een nationaal samen-
hangend lichaam waarbinnen de predikanten als groep een grotere invloed hadden dan onder de Republiek ooit het geval was geweest.
Hervormde predikanten werden betaald uit de opbrengsten van de oude bezittingen van de kerkelijke gemeenten en een eventuele rijksbijdrage. Anders dan de afgescheiden en gereformeerde dominees waren ze dus niet afhankelijk van de mate waarin ze
de gelovigen wisten te bewegen hen financieel te steunen. Anders
ook dan hun voorgangers onder de Republiek waren ze bovendien onafhankelijk van lokale elites, zoals in de steden de burge-
meesters of op het platteland de rijke boeren en de landadel.
Wel waren ze ondergeschikt aan de nationale organisatie van hun kerk — maar daarin speelden ze zelfde belangrijkste rol.
Het waren in feite de predikanten die in deze organisatie de hogere bestuursorganen samenstelden en er zitting in hadden.
Bovendien was de homogeniteit van het predikantencorps zeer groot, zodat bij plaatselijke conflicten de hogere organen vrijwel altijd de zijde van de dominee kozen.

Omstreeks het midden van de 19e eeuw was binnen deze groep van hervormde predikanten een aantal theologische stromingen ontstaan, een logisch gevolg van de opbloei van de theologie aan
de herleefde universiteiten. Wetenschappelijke studie en een toegenomen bezinning op de aard van het geloof hadden geleid tot uitgesproken standpunten, tot meningsverschillen daarover en tot de voor de hand liggende zucht in die richtingenstrijd de overhand te krijgen. Deze ontwikkeling leidde ten slotte tot de opkomst van (aanvankelijk kleine) kerkelijke partijen.

Toen na 1867 de hervormde kerkeraden voortaan door de lid-
maten gekozen konden worden en de gelovigen zodoende invloed kregen op de keuze van de predikant in hun gemeente, begonnen dergelijke partijen een grotere rol te spelen. Ze vormden bijvoor-
beeld kiesverenigingen om zoveel mogelijk dominees van eigen richting beroepen te krijgen. Op deze wijze werden ook veel gewone kerkeleden gemobiliseerd. Voor velen moet het de eerste mogelijkheid zijn geweest in de kerk daadwerkelijk iets te doen.

 

DOMINEES IN DE CLINCH

Ondanks de felheid en bitterheid waarmee deze conflicten werden uitgevochten, bleef de homogeniteit van het hervormde predi-
kantencorps groot. Zo waren er nauwelijks dominees betrokken
bij het Réveil, een protestbeweging in de eerste helft van de 19e eeuw tegen de toestand in de kerk.
Toen in de tweede helft van de eeuw ter linkerzijde enige moder-
ne, vrijzinnige predikanten de kerk verlieten of hun ambt neer-
legden (voor een deel waren het de besten uit het corps: mannen als Conrad Busken Huet en Allard Pierson) werden zij het felst bestreden door geestverwanten die trouw bleven aan de kerk en aan de geest van het corps.
Hetzelfde gebeurde toen tijdens de Doleantie zo'n vijftigtal orthodoxe dominees de zijde van Kuyper koos en met hem mee-
ging. Ook zij vonden hun grootste tegenstanders juist onder orthodoxe predikanten die in de Hervormde Kerk bleven. Niemand was bij deze orthodoxe achterblijvers zó gehaat als Abraham Kuyper.
Na de Doleantie werd het politieke spel in de Nederlandse Hervormde Kerk nooit meer zo hard en om zulke hoge inzetten gespeeld. Gaandeweg ontstonden weliswaar grote kerkpolitieke partijen, met eigen organisaties en theologische kenmerken, maar deze erkenden in feite elkaars bestaansrecht en functioneerden zodoende als de politieke partijen in een democratische staat. Geleidelijkaan zou iedere hervormde predikantenplaats in het land een eigen 'kleur' krijgen en tendeerde de kerkstrijd naar een vreedzame verdeling in twee, ongeveer even grote blokken:
een behoudend en een progressief blok. Belangrijke beslissingen in de Algemene Synode, het hoogste beleidsorgaan van de Neder-
landse Hervormde Kerk, werden in de eerste helft van de 20e eeuw dan ook meestal genomen met een meerderheid van slechts één stem. En vaak werd zo'n besluit in een volgende vergadering weer teruggedraaid - opnieuw met een verschil van één stem!

Omstreeks 1900 deelden alle kerkpolitieke stromingen de opvat-
ting dat de Hervormde Kerk nauw verbonden was met de natie en een belangrijke taak had bij de vorming van het volk - en het beteugelen ervan. Alle aanvaardden de vanzelfsprekendheid van de standenmaatschappij; alle ook hechtten grote waarde aan
de theologisch geschoolde predikant die aan een universiteit was opgeleid en zich de omgangsvormen van de hogere burgerij had eigen gemaakt. Alleen de in 1906 opgerichte Gereformeerde Bond, de meest orthodoxe groep binnen het kerkgenootschap, zou zich tegen deze voorkeur voor burgerlijke waarden verzetten. Het lijkt dan ook geen toeval dat juist deze groep in de loop van de 20e eeuw zou uitgroeien tot de succesvolste kerkpolitieke partij binnen de Nederlandse Hervormde Kerk.

naar inhoud 1900 naar index