TOESTANDEN IN DE HAVEN

 

 

 

 



Schafttijd in de haven van Rotterdam
op een aquarel uit 1895 van Jan de Jong.

De bootwerkers waren vaak zo lang achtereen in touw
dat hun kinderen hen een pannetje met eten kwamen brengen.

 

 

 

 

Kolensjouwers in de Rotterdamse haven, eind 19e eeuw.
Het werk was bijna onmenselijk zwaar
omdat de steenkool in zakken of manden
de schepen moest worden ingedragen.

 

 

 

Jubileumprent uit 1913
van de Vereeniging tot Verbetering van de Armenzorg te Rotterdam.

De vereniging stelde zich vooral tot doel de armen,
zowel mannen als vrouwen,
aan werk te helpen zodat ze konden ontsnappen aan de vernederende onderstand.

 

Keerzijde
van romantisch Rotterdam

 


De opkomst van Rotterdam als wereldhaven trok
duizenden plattelanders naar de Maasoever.
Maar voor de bootwerkers en hun gezinnen lag daar
slechts een zwaar bestaan te wachten.

Eten uit de knijverzak, zweten in zwaar bombazijn en
maar wachten tot je voor een kwartje per uur de manden
met steenkool de loopplank op mocht dragen.
Zo was het harde leven van de armoedzaaiers op Caland
en uit de Rotterdamse Zandstraat.

Van de twee grote Nederlandse havens groeide die van
Rotterdam aan het begin van de 20e eeuw het snelste.
Het werd er steeds drukker, onder andere door de aan-
voer van graan en andere massagoederen van overzee.
De meeste van deze bulkvrachten moesten in rijnaken
worden overgeslagen voor vervoer naar het Ruhrgebied.
Van de Zuidhollandse eilanden en uit de noordwesthoek
van Brabant stroomden dan ook duizenden plattelanders
naar Rotterdam-Zuid om er emplooi te zoeken als boot-
werker.

Dat werk was er wel, volop zelfs, maar het was geen vast
werk. Wie aan de slag wilde moest ervoor zorgen in
de buurt te zijn als er een vrachtschip afmeerde.
Zodra dat het geval was bestormden de mannen
het kantoortje van de stuwadoor in de hoop te worden
uitgekozen.
Sommigen wachtten op dat belangrijke moment achter
een hek, anderen kenden het klappen van de zweep beter
en keken in een cafeetje naar de scheepstijdingen die
een nieuwsbureau telefonisch doorgaf vanuit Maassluis.
Vanaf 1906 stond er aan de Boompjes bij de Leuvehaven
een wachtlokaal.
Het lag midden in de lus waarop de paardetram keerde
om weer terug te rijden naar de stad. In dat hok, want
meer was het niet, zaten de bootwerkers in hun zweterige
bombazijn te wachten en te zwetsen, de onafscheidelijke
pluk pruimtabak in een mondhoek. Aan het einde van
de middag was de tegelvloer bruin en glibberig van
het uitgespuugde tabakssap en kwam de reinigingsdienst
om er de slang op te zetten.

Werken in de haven was een zwaar bestaan.
Steenkool voor de stoomketels bijvoorbeeld werd nog in manden de scheepstrap opgedragen; graan werd in het
ruim in zakken geschept, gewogen en vervolgens naar
boven getakeld. Daar werd het uitgestort in een goot
die naar het wachtende binnenschip voerde. Vooral deze
graanoverslag leverde veel werk op.
Het lossen van een zeeschip duurde vijf tot zes dagen en
per jaar moest alleen al voor Duitsland vier miljoen ton
graan worden overgeslagen.
Mede door de wachttijden maakten de bootwerkers lange
dagen; het was niet ongewoon dat ze 72 uur achtereen van
huis waren. Ze namen eten mee in een 'knijverzak' die
over de schouder hing en waaraan een blikken kan met
koffie bungelde. En rijk werden ze er niet van.

De uurlonen kwamen aan het begin van de eeuw uit op een kwartje. Het duurde dan ook niet lang of de vakbond deed in de haven zijn intrede.

 

MACHINE ALS BROODROVER

Dat gebeurde aanvankelijk met behulp van Engelse
vakbondsmensen. Deze waren naar Rotterdam gekomen
omdat Britse reders er een handje van hadden
de bemanningen voor hun rechtstreekse lijndiensten
tussen Amerika en het Europese vasteland in de Maasstad
aan- en af te monsteren.
Samen met de Nederlandsche Scheeps- en Bootwerkers-
bond richtten de Engelsen in de Calandstraat een kantoor-
tje in: twee schrijftafels, een 'bestuurstafel' en een paar
stoelen. Daar kwamen de bootwerkers zich aanmelden als
lid of klagen over hun bazen en de slechte arbeids-
voorwaarden.
Een van de eerste arbeidsconflicten in de Rotterdamse
haven ontstond in 1905. Oorzaak was de komst van twee
elevators die het graan automatisch wogen en vervolgens
het ruim uit voerden.
Voor de graanwerkers onder de havenarbeiders waren
de elevators ordinaire broodrovers en ze reageerden zoals
verwacht kon worden: met werkoproer, boycots en
vechtpartijen. De onrust duurde anderhalf jaar.
Ze eindigde doordat er wat betere arbeidsvoorwaarden
kwamen. Bovendien werden de bootwerkers in slaap
gesust met het verhaal dat die paar elevators toch niet alle
graanaanvoer konden verwerken en de meeste schepen
gewoon met de hand gelost bleven worden.

Ernstiger werd de situatie in 1908 en 1909 toen
de activiteiten in de haven terugliepen als gevolg van een
economische crisis. De werkloosheid sloeg toe, ook al
omdat de mechanisering bij het laden en lossen van
bulkgoed natuurlijk toch doorging.
Bootwerkers hadden vaak een 'blinde week' waarin ze niet
konden werken en dus ook niets verdienden. Wie langer
werkloos was probeerde van een kerkelijke charitatieve
instelling of van het gemeentelijke armbestuur wat steun
te krijgen. In dat laatste geval kwam een controleur aan
huis opnemen of de echtgenote misschien een werkhuis
had, wat de kinderen deden en of er niet wat linnengoed
was dat men naar de pandjesbaas kon brengen.
Heel vaak kreeg de steunvrager dan ook een briefje thuis
met 'afgewezen'.

De vakbonden stonden machteloos en waren bovendien
geen aantrekkelijk toevluchtsoord omdat ze, in plaats van
steun te geven, contributie vroegen.
Een kracht van betekenis waren ze nog niet, met name
door het gebrek aan samenwerking tussen de verschil-
lende bonden van haven- en transportarbeiders.
Wel was er enige tijd belangstelling voor de veel radicalere
organisaties van syndicalisten en anarchisten.
Deze boetten echter in werfkracht in na de bloedige
onderdrukking van de anarchisten in Rusland.

Van de bedrijvigheid in de Rotterdamse haven in deze periode bestaan fraaie schilderijen en nostalgische foto's
vol dampende paarden en wagens met balen en kisten.
Maar achter die romantiek gaat het harde leven schuil
van duizenden hongerige gezinnen in de Zandstraat,
op Caland en in Zuid. De keerzijde van een zich
moderniserende wereldhaven.

naar inhoud 1900 naar index