Gas als energiebron

 

 



De lantaarnpaalopsteker was een dagelijkse verschijning
in steden met een straatverlichting op gas.

Het schilderachtige maar slecht betaalde beroep verdween
met de komst van de elektrische straatverlichting.

 

 

 

Het eerste Amsterdamse gasbedrijf aan de Haarlemmerweg,
in 1885 in gebruik genomen door een Engelse particuliere maatschappij.

 

 


Het inmiddels gemeentelijke gasbedrijf van Amsterdam
kort voor de Eerste Wereldoorlog.
In de grote tank werd het gas opgeslagen.

 

 

 


Stadsgas zoals dat in de hoofdstad werd gemaakt uit steenkool.

Die werd dan ook iedere dag in grote hoeveelheden per spoor aangevoerd.

 

Intermezzo met problemen

 

Aan het einde van de 19e eeuw deed fabrieksgas zijn intrede als energiebron. Het sloeg niet echt aan.
Maar vooral als stadsverlichting gaf het een sfeer die niet te evenaren is.

Fabrieksgas was giftig, een gasmeter lastig en een gaskousje kwetsbaar. Veel particulieren hielden liet dan ook maar bij de petroleum lamp.

De overheid had andere problemen met het gas.
Mocht een gemeente bijvoorbeeld zelf een gasfabriek exploiteren?

Londen, Parijs, Amsterdam bij gaslicht - het zijn titels voor histo-rische romans en documentaires.
Nostalgie naar de vorige eeuw, toen gaslantaarns met hun warme gloed in donkere, winterse straten zorgden voor de sfeer van een kerstvertelling.
Zo heel veel licht gaven die lantaarns overigens niet en het was een heel karwei ze iedere avond aan en 's ochtends weer uit te krijgen. Daar was in elke stad een klein legertje gasopstekers voor op de been.

Veel praktischer, maar dan zitten we alweer een aantal jaren verder, waren de elektrische booglampen. Ze gaven meer en beter licht en konden, hij wijze van spreken, met ťťn druk op de knop worden ontstoken.

Voor de verlichting binnenshuis gold zo ongeveer hetzelfde.
De meeste mensen hielden het maar hij de vertrouwde olielamp.
De aanleg van een gasleiding was kostbaar.
Als er ook maar even iets mis ging stroomde het (toen nog) giftige gas de woonkamer binnen en het 'gaskousje' was kwetsbaar: even aanraken en het moest vervangen worden.
Voor wie over die bezwaren heen stapte, was er nog altijd de muntmeter: om van een gestage gasaanvoer verzekerd te zijn moest je die toch wel een paar keer per week bijvullen.
Geen goed idee dus voor de gemiddelde werkman die aan het einde van de week vaak zo krap bij kas zat dat er geen munt meer af kon. Petroleum was dan gemakkelijker; een litertje of zo kon je altijd nog wel op de pof krijgen.


Voor de produktie van het gas zorgde de gasfabriek.
In iedere stad verrees er wel een; op oude stadsfoto's zijn ze altijd
te herkennen aan de huizenhoge ketels waarin het gas werd bewaard.

De gasfabrieken stookten het gas uit steenkool; wat overbleef was cokes, een bijprodukt dat voor bepaalde verbrandingsprocessen nog heel goed bruikbaar was en dus geld opleverde.
Met de produktie van gas viel dikke winst te maken, zeker in de jaren voor 1880.

In een stad als Amsterdam bijvoorbeeld was de straatverlichting van gas afhankelijk en in de eerste tien jaar van deze eeuw vervier-voudigde er het aantal gasmeters in particuliere woningen.
Maar fabrieksgas als energiebron zette uiteindelijk toch niet door.
Het aantal aansluitingen op het gasnet bleef achter bij de verwachtingen; de gasmotor voor industrieel gebruik sloeg niet echt aan; koken op gas zou pas na de Eerste Wereldoorlog hier en daar populair worden.
De gasfabrieken bleven daardoor relatief klein en de investeringen erin riskant.
Bovendien diende zich al heel snel een andere verlichtingsbron aan die gemakkelijker, beter en vooral goedkoper was: de elektriciteit.

Gemeente als ondernemer

Wel zorgde het gas voor een nieuwe en opmerkelijke ontwikkeling: de overheid als ondernemer.
Aanvankelijk waren de gemeentelijke gasfabrieken opgericht om moderne straatverlichting mogelijk te maken. Dat was een zaak van openbaar nut en dus een taak van de plaatselijke overheid.
Hier en daar waren daarvoor ook particuliere gasfabriekjes in bedrijf,
maar die kwamen nogal eens in moeilijkheden omdat ze hun verplichtingen tegenover de klanten niet konden nakomen.

De gemeente met haar straatverlichting was van die klanten meestal de grootste en voor haar zat er weinig anders op dan de verleende concessie in te trekken en zelf de gasproduktie ter hand te nemen.

De klassieke liberalen fronsten over die ontwikkeling de wenk-brauwen.
De overheid, zo was toen nog hun opvatting, had alleen te zorgen voor rust en orde en voor de beveiliging van ieders eigendom.
De vooruitstrevenden onder hen vonden weliswaar dat de overheid aan de burgers 'alles moest verschaffen wat vereist wordt om hun het volle genot der beschaving te verzekeren ', maar de meeste conservatieven vonden toch niet dat dit het beheer van een industriŽle onderneming diende in te houden.

Toch zette deze ontwikkeling door.
Kort voor 1900 nam de gemeente Amsterdam bijvoorbeeld
de exploitatie van alle plaatselijke gasfabrieken over en al spoedig daarna volgden de waterleiding, de telefoon, het openbaar vervoer (toen voornamelijk nog de tram) en het electriciteitsbedrijf.
Bijna onopgemerkt was het tijdperk aangebroken van de 'openbare nutsbedrijven'.

PROBLEMEN IN UTRECHT

In 1881 waren er 31 gemeentelijke gasfabrieken in bedrijf, in 1911 was hun aantal gestegen tot 136.
De orthodoxe liberalen hadden, met hun dogma van 'staats-onthouding', kennelijk aan het kortste eind getrokken. Ze hadden inmiddels echter een interessante strijd gevoerd op politiek, economisch en juridisch gebied.

De neerslag daarvan is bijvoorbeeld te vinden in een promotie uit 1887 over 'De Utrechtse Gasfabriek uit rechtskundig oogpunt beschouwd'.
Promotor was een van de grote juridische coryfeeŽn uit die tijd, prof.J.de Louter.
In het proefschrift worden alle voors en tegens van overheids-deelneming van stal gehaald, waardoor het een aardige kijk geeft op de veranderende opvattingen in die tijd. Vragen waren er genoeg.

Liet de Gemeentewet van Thorbecke van 1851 wel toe dat een gemeente een fabriek oprichtte en die als onderneming exploiteerde?
En zo ja, mocht een gemeente dan met zo'n fabriek winst maken?
Waren zulke winsten wel wettig?
Had de gasprijs niet wat weg van een gasbelasting, zeker als de gemeente hogere tarieven berekende dan strikt genomen nood-zakelijk was?
En wat te doen als een gemeente zich juist sociaal opstelde en bijvoorbeeld minder draagkrachtigen voor een zacht prijsje cokes verkocht?

Praktische problemen te over dus.
De gedachtenvorming erover was echter wel van belang voor een veranderende samenleving waarin volgens velen de overheid niet als ondernemer mocht optreden maar wel een zorgende taak had.

 
 
 
 
 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index