Turf en steenkool

 

 

 

 

 

 

 

Ir. Cornelis Lely speelde als minister van Waterstaat een belangrijke rol in de ontwikkeling van het Zuidlimburgse mijnbouwgebied.
Hij gaf in 1893 de eerste concessie na de economische depressie uit
en introduceerde in 1901 het principe van de staatsexploitatie.


 

 

 

 

 

 

 

 

 



Bezoek van Koningin Wilhelmina aan de staatsmijn Emma in 1917.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ondergronds vervoer van steenkool
in de staatsmijn Wilhelmina in 1917,
tien jaar na de opening van deze mijn.
De locomobiel werd aangedreven door een benzinemotor
en vervoerde de karretjes met steenkool
via smalsppoorrails naar de centrale schacht.




ondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkensondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkens
ondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkens ondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkens
ondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkensondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkens
ondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkens ondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkensondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkens
ondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkens ondergrondse mijnarbeid -foto Hub Leufkens


bekijk deze ansichten hier in groter formaat

 

Energie uit eigen land

 

Turf was eeuwenlang een belangrijke brandstof geweest en leek aan het einde van de 19e eeuw terug te komen.
Het veenprodukt moest het uiteindelijk afleggen tegen
de steenkool uit Limburg.

Diepe schachten, lange nachten, zware arbeid vond Herman Heijermans in 1911. Hij had gelijk.
Maar kort na de eeuwwisseling zorgden de Limburgse steenkoolmijnen al wel voor een belangrijk deel van 's lands energiebehoefte.

Omstreeks 1880 leek voor de turfwinning in Nederland een nieuwe bloeitijd aan te breken.
De vroegste sporen van dit bedrijf gaan terug tot het begin van de jaartelling.
Duizend jaar later gingen de turfafgravingen samen met
de aanleg van de eerste dijkenstelsels en kregen de turf-
gronden ook handelswaarde.
Weer later, in de 17e eeuw, bereikte de turfwinning een hoogtepunt: per jaar werd toen zo'n 15,5 miljoen m3 veengrond uitgebaggerd.
Het effect daarvan op de energievoorziening, het vervoers-
wezen, de werkgelegenheid en de economische ontwik-
keling in het algemeen was enorm.
Turf leverde in de Gouden Eeuw een hoeveelheid energie op die twee keer zo groot was als het verbruik per hoofd van de bevolking in 1850.

Na 1700 was het met de turfstekerij bergafwaarts gegaan maar aan het einde van de 19e eeuw kwam daar verandering in. Al in 1878 nam de Drentsche Machinale Turfmaatschappij 'De Ster' in Nieuw-Amsterdam een stoombaggermachine in bedrijf. Zeven jaar later ging
de onderneming weliswaar failliet door de agrarische depressie maar de machinale vervening was toch niet
meer te stuiten.
In het laagveengebied van de Vinkeveense Plassen slokte een stoomveentrekmachine in 1896 dagelijks een halve hectare turf op, met tien man personeel en een 'handels-
man' als ploegleider.
En in het hoogveen kwam niet zoveel later de persturf-machine in gebruik.
Toch bleven deze 'turffabrieken' uitzondering. In laagveen-
gebieden als die van Vinkeveen bijvoorbeeld bleef het handmatige 'slagturven' de overhand houden. Met hun baggerbeugels schepten de 'baggelaars' vanonder de waterspiegel het veen uit het petgat om het vervolgens op de legakker te deponeren.
Onder invloed van wind en zon en met veel trappen, spitten, mengen, harken en scheppen veranderden
de natte veenkluiten in turven.
Vervolgens trokken de Vinkeveense verveners met hun turfscheepjes naar Amsterdam.
Ze verkochten hun turf aan gezinnen, scholen, bakkerijen en andere bedrijven en aan de water- en vuurvrouwtjes: straatverkoopsters die langs de deur of vanuit hun winkel-
tjes heet water en warme stoofjes aan de man brachten.
Volgens een schatting hebben de veengronden in de 19e eeuw ruim twaalf miljard turven geleverd.

Maar na de agrarische crisis van de jaren tachtig werd met name het platteland een steeds slechtere klant van
de turfwinnerij.
De nieuwe agrarische industrieën die in de plaats waren gekomen van bijvoorbeeld de Zeeuwse meekrapstoven gaven voortaan de voorkeur aan steenkool als brandstof.
De Zeeuwse turfschipper, in Vinkeveen jarenlang een bekende verschijning, bleef weg.
Ook in de steden schakelde de nieuwe stoomnijverheid steeds vaker over op steenkool.
Het 'bruine goud' maakte in de eerste jaren van de 20e eeuw steeds sneller plaats voor het 'zwarte goud':
de steenkool uit Limburg.
De tienduizenden - onder wie veel vrouwen en kinderen - die in de turfmakerij jarenlang een boterham hadden verdiend slonken tot duizend- en ten slotte zelfs tot honderdtallen.

De jacht op de steenkool

 

De binnenlands behoefte aan steenkool werd in deze periode voor ongeveer 10 procent gedekt door
de Limburgse mijnen, hetgeen tijdens de Eerste Wereldoorlog wel enige problemen opleverde omdat men voor het overige nog afhankelijk was van invoer uit Duitsland.

De ondergrondse winning van steenkool in Nederland is van jongere datum dan de turfafgraverij maar dateert
toch al uit de late middeleeuwen.
Van grote betekenis was ze in de 19e eeuw nog niet.
Een van de oudste en belangrijkste bedrijven in deze sector, de Domaniale Steenkoolmijnen bij Kerkrade, leverde tot halverwege de vorige eeuw slechts magere resultaten op.
Daarin kwam verandering tussen 1870 en 1880 als gevolg van spectaculaire ontwikkelingen in het Duitse Ruhrgebied brak in Zuid-Limburg een wilde jacht op concessies los.
Een dertigtal aanvragen leidde tot 25 kostbare proef-
boringen.
De aanvragers, veelal Duitsers beloofden gouden bergen, bijvoorbeeld door de toezegging dat zij de spoorweg-
ontsluiting van Limburg voor hun rekening zouden nemen.

De Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken, Mr.A.Heemskerk voorspelde Limburg al 'ene schoone toekomst'.
Maar tegelijkertijd constateerde hij ook nuchter dat het wellicht niet zo'n vaart zou lopen. Voorlopig kreeg hij gelijk.
Door de economische depressie van de jaren zeventig en tachtig liep de speculatieve dwaaljacht op de Limburgse steenkool dood. In 1890 waren de meeste concessies al weer verlopen.

In deze situatie kwam verandering toen in 1893 nieuwe concessie werd verstrekt aan de Oranje-Nassau-mijn bij Heerlen.
Drijvende kracht achter dit mijnbouwbedrijf was
de Maastrichtenaar H.Sarolea die zich in Nederlands-Indië had gespecialiseerd in de aanleg van spoorwegen.
Terug in het vaderland vestigde hij zich in Heerlen.
Via relaties lukte het hem het benpdigde kapitaal en
de technische kennis bijeen te brengen die nodig waren voor het exploiteren van de Limburgse steenkool-
voorraden.

En belangrijker nog: door zijn uit Indië stammende vriendschap met de directeur-generaal van de Staats-
spoorwegen, ir.J.Cluysenaar, kreeg hij diens medewerking voor de aansluiting van Zuidoost-Limburg op het spoor-
wegnet, een essentiële voorwaarde voor de exploitatie
van de steenkoolvoorraden.

De concessie aan de 'Oranje-Nassau' was verstrekt door
de belangrijkste minister van Waterstaat uit de Neder-
landse geschiedenis: de liberaal Cornelis Lely, grondlegger van de latere drooglegging van de Zuiderzee.
Het was zijn eerste maar zeker niet laatste daad op mijnbouwgebied.
In zijn Mijnwet van 1901 bijvoorbeeld introduceerde hij
het beginsel van de staatsexploitatie:
een radicale omwenteling van het tot dan toe gevoerde beleid.
Samen met particuliere mijnen als de Oranje-Nassau
en de Laura dekten staatsmijnen als de Wilhelmina (1907) en de Emma (1914) al spoedig zo'n tien procent van
de binnenlandse behoefte aan steenkool.

Met het oprichten van de Dienst der Rijksopsporing van Delfstoffen in 1904 (de dienst zou later zoutlagen, aardolie- en aardgasvoorraden vinden) kwam de staat nog verder tegemoet aan de wens van de jeugdige katholieke parlementariër W.H.Nolens uit 1898:
'Een land dat zijne natuurlijke hulpbronnen van rijkdom niet weet te gebruiken, bewijst dat het deze niet waard is'.

Veel meer dan Nolens noodkreet werd het staatsingrijpen van Lely echter ingegeven door de vrees dat Nederland op mijnbouwgebied weleens wat al te afhankelijk zou kunnen worden van de machtige buurman Duitsland.

Lang niet iedereen echter raakte in de ban van Limburgs 'schoone toekomst'.
Op kerstavond 1911 ging in Amsterdam 'Gluck Auf' in première:
Herman Heijermans 'spel-van-de-mijnen in vier bedrijven en zeven taferelen'.
De later befaamd geworden Louis Bouwmeester speelde er twee bijrolletjes in.
In het toneelstuk, verduidelijkte de sociaal bewogen auteur, 'is gepoogd iets van het ontzaggelijk tijds-epos weer te geven, iets van de reuzenworsteling tusschen Kapitaal en Arbeid. Dat is de werkelijkheid van de Mijnstreek'.

kijk hier voor bewegende beelden over de Staatsmijnen op Youtube

 
 
 
 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index