|
De
opkomst van de elektriciteit

Eind
19e eeuw was de elektriciteitsvoorziening
in veel gevallen nog een zaak van particuliere ondernemingen.
In 1887 bijvoorbeeld werd in het blokstation van de Maatschappij 'Electra'
aan de Amsterdamse Kalverstraat
deze gelijkstroomdynamo in gebruik genomen.
Hij had een vermogen van 40 kilowatt en was gebouwd in Duitsland.
Met deze prentbriefkaart
introduceerde Philips in 1913
haar nieuwe energiezuinige lamp van 1/2 Watt
bij handelaars en installateurs.

Aan de Hoogtekadijk
in Amsterdam werd in 1913
een nieuwe, voor die tijd zeer moderne elektriciteitscentrale ingebruikgenomen.
Op dat moment was een belangrijk gedeelte van de hoofdstad
reeds aangesloten op het gemeentelijke elektriciteits net.
|
Stroom
als statussymbool
Gas als
energiebron werd na de eeuwwisseling glorieus voorbijgestreefd door elektriciteit.
Die was goedkoper gemakkelijker en als lichtbron veruit superieur.
Elektrisch
licht was zowel voor bedrijven als particulieren
een statussymbool. Je liet ermee zien dat je modern was en oog had voor
de 'eisch des tijds'.
Toen bekend
werd dat Bremen en Hamburg dachten over elektrische kranen in de haven
kon Rotterdam niet achterblijven.
Palen langs de buitenwegen, met 'draden' voor het overbrengen
van elektrische stroom, begonnen omstreeks 1900 een normaal verschijnsel
te worden. In de steden ontbraken ze, daar vond
de stroomlevering plaats via een ondergronds kabelnet.
Al aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw had
een Rotterdams hotel een eigen elektriciteits-voorziening.
In 1886 richtte de gemeente Nijmegen een elektrische centrale in om de
(overigens moeizaam functionerende) straatverlichting met booglampen van
stroom te voorzien.
Elders leverden kleine, particuliere bedrijven stroom aan winkeliers en
notabelen die met de moderne tijd mee wilden en er het geld voor over
hadden.
Elektriciteit
in opmars
Elektriciteit
diende voor verlichting maar ook voor kracht.
Vooral kleine bedrijven waren vaak meer gebaat met een elektro-motor dan
met een omvangrijke en arbeidsintensieve stoom-machine.
Ondernemers
die om dezelfde reden een gasmotor hadden geïnstalleerd, begonnen aan
het begin van de eeuw steeds vaker elektriciteit als krachtbron te gebruiken.
Het snel toenemende elektriciteitsverbruik kwam daarom eerder op rekening
van het bedrijfsleven dan van de nog aarzelende particulieren.
Nederland liep ook op dit punt niet voorop.
De elektrificatie van ons land kwam op gang na de grote elektriciteits-tentoonstelling
van 1891 in Parijs en kreeg een extra impuls door de activiteiten van
Gerard en Anton Philips die in 1891/1892 in Eindhoven begonnen met de
produktie van gloei-lampen.
In 1913
waren in Nederland al zestig elektriciteitscentrales in bedrijf en werd
er in deze sector fors geïnvesteerd. Maar vergeleken met het buitenland
waren we nog niet zo ver; zelfs landen als Württem-berg, België en Zwitserland
lagen in 1913 ver op ons voor.
Van die zestig elektriciteitscentrales stonden er 25 in Noord- en Zuid-Holland.
Utrecht had er acht, Gelderland en Noord-Brabant elk zes, Groningen vijf
Friesland, Zeeland en Limburg elk twee. Drenthe moest het nog zonder doen.
DE EERSTE VERBRUIKERS
Alles
wijst erop dat het installeren van elektrische verlichting aanvankelijk
vooral uit prestigeoverwegingen gebeurde.
Hotels gingen er prat op dat ze zelfs hun terras op deze wijze verlichtten;
winkeliers lieten ermee zien dat ze modern waren en oog hadden voor de
'eisch des tijds' en zelfs voor particulieren was elektrisch licht een
statussymbool. Om de aanleg ervan te rechtvaardigen namen ze de argumenten
van de reclame over.
Elektrisch
licht was gemakkelijker te bedienen dan gas en ook minder brandgevaarlijk;
het verbruikte geen zuurstof en leidde vooral in kleinere vertrekken dus
niet tot luchtbederf, het gaf geen aanslag op gepolijste meubels, was
helderder en zorgde voor een gelijkmatiger lichtverdeling.
'Verrast
elkaar electrisch' luidde in december 1909, bij het naderen van de feestdagen
een aansporing in de advertentiekolommen.
Aanvankelijk was elektrische verlichting beduidend duurder dan gas. Pas
toen de kwetsbare gloeilampen beter en goedkoper werden verdween die financiële
drempel - maar dat gebeurde pas in de laatste jaren voor de Eerste Wereldoorlog.
Tot dat moment vonden de verbruikers een kleine elite; alleen zij konden
zich de magie van het moderne veroorloven.
Tot
de particuliere stroomverbruikers van het eerste uur behoorden notabelen
als advocaten, notarissen en welgestelde zakenlieden.
De eerste winkels waar elektrische verlichting werd geïnstalleerd waren
vooral banketbakkerij en galanteriezaken, juweliers, kleding-zaken en
een betrekkelijk klein aantal kruideniers- en sigarenzaken die belang
hechtten aan hun status.
ELEKTRICITEIT
IN HET BEDRIJFSLEVEN
Ook
in het bedrijfsleven speelden concurrentieverhoudingen een rol bij de
overschakeling op elektriciteit.
In Rotterdam, waar in 1895 een gemeentelijk elektriciteitsbedrijf was
opgericht, werd het stadsbestuur op dit punt pas echt actief toen het
vernam dat in de havens van Bremen en Hamburg over-wogen werd elektrische
kranen in te zetten.
Dat
vroeg om maatregelen! Er kwam een regeling waardoor de haven-bedrijven
in de Maasstad tegen een zeer laag tarief - onder de kostprijs zelfs -
stroom konden afnemen.
Ook kleinere bedrijven schakelden geleidelijk van gasmotoren over op elektriciteit.
In graanpakhuizen werden op deze wijze de verwerking en het interne transport
van graan gemechaniseerd; veel drukkerijen schakelden over op stroom en
spoedig volgden ook andere sectoren.
'Stoomboterfabriek' werd een naam die naar het verleden rook; wie modern
wilde zijn afficheerde zich als 'Electrische Broodbakkerij'.
CONCENTRATIE VAN
CENTRALES
Kort voor de Eerste Wereldoorlog werd duidelijk dat de vraag naar elektriciteit
snel zou toenemen.
De organisatie van de elektriciteitslevering paste zich daarbij aan.
Gemeentelijke elektriciteitsbedrijven zouden spoedig te klein zijn om
aan de vraag te kunnen voldoen.
En omdat het inmiddels technisch mogelijk was geworden stroom op tamelijk
eenvoudige wijze over grote afstanden te transporteren ontstonden in sommige
streken districtscentrales.
In Zwolle
kwam in 1910 een commissie tot de conclusie dat het voordeliger was voor
Zwolle en Deventer samen één centrale te bouwen - en dat het nog goedkoper
zou zijn als er meer gemeenten zouden meedoen.
Wegens de grote investeringen en de financiële consequenties zou bij de
nieuwe centrale ook de provincie moeten worden betrokken, al was het maar
voor de aanleg van het kabelnet.
En zo doemden in de eerste helft van deze eeuw de contouren op van de
provinciale elektriciteitsbedrijven zoals we die tegenwoordig kennen.
|