PHILIPS

 

 

Reclame voor de moderne gloeilampen van de firma Philips.

Het bedrijf maakte aanvankelijk zelf zijn reclame-uitingen,
vaak in de vorm van prentbriefkaarten
die ruime verspreiding vonden.

 

Vergelijkende Philipsreclame voor
het wonder der moderne verlichting,
de elektrische gloeilamp.
Dat tussen olie- en gloeilamp
lange tijd met succes de gaslamp werd toegepast,
bleef buiten beschouwing.

 

Gerard Philips in 1890.

In dat jaar experimenteerde deze eigenlijke grondlegger
van het bedrijf in Amsterdam met de ideale gloeidraad.

 

Al vrij vroeg werd de produktie van gloeilampen in Eindhoven
zoveel mogelijk gemechaniseerd.
Dat gebeurde onder andere met behulp van deze carrousels,
die werden bediend door vrouwen.

 

 

EINDHOVEN
en het elektrieke licht

 

Even leek het of de Nederlandse gloeilamp haar opmars zou beginnen in Nijmegen. Twee zoons van een sigarenhandelaar
uit Zaltbommel staken daar kort voor 1900 een stokje voor.

De gloeilamp van Philips werd ontwikkeld in Amsterdam en begon vanuit Eindhoven haar zegetocht over de wereld.
Voor het eerste zorgde Gerard Philips.
Het internationale succes was te danken aan 'meneer Anton'
die zelfs in St. Petersburg de orders lospraatte.

Aan het einde van de 19e eeuw maakte de westerse wereld met iets van opgetogen verbijstering kennis met het 'elektrieke licht' en de bron ervan, de elektrische gloeilamp.
De generatie die dat overkwam was nog groot geworden met
het bescheiden licht van kaars en olielamp of in het beste geval van het suizende gaskousje.
De pioniers van het elektrische licht - Thomas Alva Edison, Joseph Wilson Swan en St. George Lane-Fox - leefden allen nog. Maar in de Verenigde Staten werden in 1890 al vijf miljoen gloeilampen per jaar gemaakt en in Europa zowat evenveel, waarvan de helft in Duitse fabrieken.
Kon Nederland dan achterblijven?
Ondernemers roken hun kans.
Koffiehandelaars in Rotterdam en geldschieters in Venlo staken geld in de nieuwe vinding. In Middelburg, Rotterdam, Venlo en Nijmegen floreerden kleine fabriekjes.
Met name in de laatste stad leek de Nederlandse gloeilamp-
produktie zich te concentreren.
Installateur C.Alewijnse en zijn compagnon Jos Roothaan produceerden al in 1896 een miljoen lampen per jaar en leken daarmee de grootste gloeilampenfabrikanten van Nederland
te zullen worden.

VAN SCHEEPSBOUW NAAR GLOEILAMP

In die situatie verscheen Gerard Phihps, de zoon van een rijk geworden tabakshandelaar uit Zaltbommel die daarnaast ook nog in bankzaken deed.
Gerard had in Delft een ingenieursopleiding gevolgd en was onder andere gaan werken in Glasgow, in die tijd het wereld-
centrum van de scheepsbouw.
Zijn belangstelling voor de gloeilamp ontstond toen hij in Schotland colleges volgde bij een van de leidende figuren op
het terrein van elektrische verlichting en aandrijving.
Het latere succes van Philips is wel eens verklaard uit het feit dat Gerard in Glasgow een wetenschappelijk niveau bereikte
dat zijn concurrenten - voor het merendeel geldmakers en patentenjagers - nooit hebben kunnen evenaren.
Feit is in elk geval dat Gerard Philips in Glasgow besloot van
de scheepsbouw over te stappen op de prille elektriciteitskunde.

Hij was 31 jaar toen hij in 1889 op de gedachte kwam een eigen gloeilampenfabriek te beginnen.
Het was een gedurfd idee, want de concurrentie was in die dagen hevig en er woedde een felle strijd om octrooien en patenten.

Gerard Philips wilde echter twee dingen:
Een goed produkt en de massafabricage ervan. Hij realiseerde zich dat vooral dit laatste een probleem was.
In de zomer van 1890 begon bij aan de Amsterdamse Heren-
gracht een eigen gloeilamp te ontwikkelen, in samenwerking
met de scheikundige Jacob Reesse.
Aan het einde van dat jaar had hij de lamp die hem beviel.
Voor de massaproduktie van dat laboratoriummodel kreeg
hij geld van zijn vader, Frederik Philips.

Heel even is er nog getwist over de vraag waar het bedrijf gevestigd zou worden.
Het had Breda kunnen worden - maar uiteindelijk gaf de mening van de geldschieter de doorslag.
Philips senior was met zijn tabaks- en sigaren- handel georiŽn-
teerd op Den Bosch en Eindhoven.
En die laatste stad werd het, met name wegens haar arbeids-
reservoir in omliggende dorpen als Gestel, Stratum, en Woensel.
De fabriek werd ingericht in 1891, in 1892 begon de produktie en in 1894 speelde het bedrijf quitte.

Lampen naar St.PETERSBURG

In 1895 werd Gerards jongere broer Anton naar Eindhoven geroepen om de commerciŽle kant van het bedrijf ter hand te nemen. Hij was net 21 jaar en werkzaam op een effectenkantoor te Londen.
Zijn nieuwe taak, Nederlandse gloeilampen verkopen in geheel Europa, was niet een van de eenvoudigste; hij moest ten slotte concurreren met grote Duitse rivalen als Siemens en AEG.
Anton Philips reisde door Duitsland en de Balkan, trok naar Spanje en ItaliŽ en ging met zijn orderboek zelfs naar St. Peters-
burg, toen de hoofdstad van Rusland.
En hij verkocht; de ene grote order na de andere.

Op een of andere manier slaagde hij erin de mensen voor zich
te winnen, in Westfalen en het Rijnland, zelfs in Rusland.
En tussen de bedrijven door zette hij al ver voor de Eerste Wereldoorlog in geheel Europa een verkoopapparaat van internationale allure op poten.
Door dat alles is de betekenis van 'meneer Anton' in
de geschiedenis van het concern wel een beetje overbelicht.
Enigszins ten koste van zijn broer die de massafabricage van
de Nederlandse gloeilamp niet alleen op gang bracht maar het produkt later ook verbeterde - eerst door de lamp met gespoten metaaldraad en later opnieuw door een gloeilamp waarin getrokken draad voor de lichtproduktie zorgde.
Anton dankte zijn populariteit overigens ook aan de wijze waarop hij, eenmaal verantwoordelijk voor het personeelsbeleid in Eindhoven, met zijn arbeiders omging: in 1908 al meer dan duizend man. Hij streefde ernaar zoveel mogelijk mensen persoonlijk te kennen en probeerde ook 'buiten de poort'
het nodige voor hen te doen.

Vergeleken met de werknemers uit andere bedrijven in die tijd hadden Philipsarbeiders het jarenlang bijzonder goed. Niet alleen qua loon maar ook ten aanzien van bijkomende, achteraf misschien wat paternalistische extraatjes als een Philipsdorp' (redelijk goede arbeiderswoningen, zeker voor die tijd),
een Philips Ontspanningsvereniging en een Philips Sport Vereniging.
Wat die laatste betreft zal zelfs 'meneer Anton' niet hebben kunnen vermoeden dat een onderdeel ervan, de voetballerij nog eens hoge ogen zou gooien in landen waar hij ooit de lampen van zijn broer probeerde te verkopen.
De enige overwinning echter waar hij omstreeks de eeuwwis-
seling aan dacht was die van de Philipsgloeilamp, die was goed, gaf helder licht en had een lange levensduur.
 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index