Een zwaar bestaan

 

 

 

 

 

 

 


Tot de zwaarste taken van de dienstbode behoorde,
behalve het dweilen en boenen,
het kloppen van de losse kleden en tapijten
en bij tijd en wijle van de traplopers.
De stofzuiger was een nog onbekend verschijnsel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze schitterende reclameplaat van een Groningse poetsmiddelenfabrikant, verschenen in 1900,
beloofde de cliëntele heel wat voor de glans van het koperwerk.
Over wie dat koper poetsen moest laat de voorstelling weinig te raden over.

 

 

 

 

 

 

 

 

Boodschappen doen was voor iedere dienstbode een uitje.
Ze was even buiten en onder het oog van mevrouw uit,
ze kon een praatje maken met collega's en winkeliers
en er was altijd wel even tijd om te 'sjansen'
met huisknechten, koetsiers of ander mansvolk op straat.



 

Het leven
van een dienstbode.


Dienstbodes, nog een klein legertje omstreeks de eeuw-wisseling, hadden geen gemakkelijk bestaan. Maar voor velen van hen was het wel de enige mogelijkheid hun eigen milieu te ontstijgen.

Bijna de helft van Nederlandse vrouwen was aan de vooravond van de 20e eeuw werkzaam als dienstbode, was- of werk-vrouw bij de 'betere standen'.
De meesten kwamen wel uit arbeiderskringen of van de boerderij. Veel te vertellen hadden ze niet, maar dat waren ze van huis uit gewend.

Dienstbodes zijn er niet meer, tegenwoordig.
Maar omstreeks 1900 waren ze een alledaags verschijnsel, zowel in de stad als op het platteland.
Ze werkten in de huishoudens van de adel en de gegoede burgerij; ze waren in dienst bij doktoren, notarissen en onder-wijzers; ze maakten zich onmisbaar op pastorieën en in
de gezinnen van ambtenaren en officieren in alle delen van
het land.

Alleen in de arbeidersbuurten ontbraken ze, want daaruit waren ze afkomstig: een leger gedienstigen in gesteven schort dat bij de 'betere standen' het werk deed waarvoor de vrouw des huizes geen tijd vond.

Hoe groot dat leger was is niet precies bekend.
Beroepstellingen onder vrouwen uit die tijd zijn niet helemaal betrouwbaar omdat met name gehuwde vrouwen zelden opgaven dat ze buitenshuis werkten.
Op basis van cijfers uit 1899 blijkt echter dat 43,9 procent
van de Nederlandse vrouwen werkzaam was als dienstbode, wasvrouw, kokkin of werkvrouw.

Lange dagen en handenvol werk

Hadden ze een moeilijk leven, deze vrouwen en (vooral) meisjes die vaak al op hun veertiende uit een arbeidersgezin
of van de boerderij 'in betrekking' gingen?
Ze maakten lange dagen, dat is zeker, en het werk was vaak zwaar.
's Ochtends moest de kachel worden leeggehaald en opnieuw worden aangestoken. Vervolgens moesten de bedden worden afgehaald, de lakens en dekens uitgeklopt en de slaapkamers opnieuw op orde worden gemaakt: bedden weer opmaken, waskommen schoonmaken, lampet-kannen bijvullen.
Dan moest de woonkamer gestoft.

Op vaste dagen dienden de meubels geboend en de tapijten geklopt; op andere momenten moest vaak eindeloos veel koper worden gepoetst, vanaf de traproeden tot het naam-plaatje aan voordeur.
Tot de zware karweitjes behoorden dweilen van de keuken
en de gang en het boenen van het zeil.
Erg zwaar en tijdrovend was ook het werk in 2 keuken en
op maandagen de grote was, met wasbord en mangel en
het strijken daarna.

Veel te vertellen hadden de dienstbodes niet. Maar dat was thuis niet veel anders.
'Houd je brutale mond', hoorden ze thuis even vaak als bij hun mevrouw als die niet het verkeerde been uit bed was gestapt.
Ook de onderdanigheid die vaak van hen verwacht werd kwam niet als een verrassing.
Ze waren niet anders gewend; ook hun vaders - arbeider in
de fabriek of in dienst bij baas of boer- stond meestal met de pet in de hand.
Het beste hadden het nog de meisjes die in betrekking waren bij adel of bij gegoede families. Daar hoorde het dienstperso-neel praktisch tot het gezin en ontstond vaak een vriend-schappelijke relatie met de opgroeiende kinderen.

Lastdier of leerschool?

De meeste tijdgenoten oordeelden overigens niet ongunstig over de werkomstandigheden van de dienstmeisjes. Wel vonden velen dat hun rechtspositie beter geregeld diende te worden, bijvoorbeeld door een arbeidscontract.
Vooral de sociaal-democraten schilderden vaak in schrille kleuren de rechteloosheid en de wantoestanden.

De strijdbare socialistische dichteres Henriëtte Roland Holst hekelde in 1901, op een spreekbeurt in Den Haag,
het 'afbeulen van de dienstboden'.
Ze sprak over de 'lastdieren' van de familie die bevrijd moesten worden uit het dienstmeisjesproletariaat en vond
dat er eisen moesten worden gesteld:
meer en meer vrije tijd, betere voeding en huisvesting, behoorlijke verwarming in de winter.

De verslaggever van De Telegraaf' meldde dat mevrouw Roland Holst toegaf dat niet alle mevrouwen over één kam geschoren konden worden, maar dat ze met allerlei 'gruwel-beelden en o, nog veel vreselijker, de aanwezige dienstmeisjes (allen in toilet de ville) trachtte te doordringen van het wezenlijke nut van organisatie, teneinde als invloed bezittende vakvereeniging een einde te maken aan de misstanden'.

Maar dat was, zeker voor een deel, socialistische propaganda -en met die 'vakvereeniging' lukte het dan ook niet erg.
Niet alleen de mevrouwen vonden dat nodeloos radicaal, maar ook de meisjes zelf en zeker de meesten van hun ouders.
Daar kwam bij dat de kerken en veel sociale filantropen van oordeel waren dat een meisje uit de volksklasse als dienstbode heel wat kon leren.
Huishoudelijk werk vormde immers een ideale voorbereiding op het huwelijk.
En de sfeer in een goed gezin was te prefereren boven die op de fabriek waar de meisjes weinig méér leerden dan vuile praatjes en een brutale mond.
'Fabrieksmeiden' stonden op de maatschappelijke ladder dan ook heel wat lager aangeschreven dan dienstbodes.

En het klopte natuurlijk ook wel dat er voor een volkskind
dat het in haar 'dienstje' niet al te slecht trof, heel wat te leren viel: omgangsvormen die ze van huis uit niet kende,
een beetje algemene ontwikkeling, hygiëne en de fijne kneepjes van het huishoudelijke werk.

Veel meisjes vonden het maar wat interessant de dinertafel te dekken met damast, zilveren bestek en prachtige kristallen glazen. Ze zagen de schilderijen aan de muur, ze hoorden de gesprekken tussen mevrouw en meneer over de schouwburg-voorstelling of die tussen de opgroeiende kinderen over
de nieuwste mode of het leven op school.
Veel dienstbodes profiteerden later van de ervaringen die ze in betrekking hadden opgedaan en konden daardoor hun gezin meer geven dan ze vroeger thuis hadden meegekregen.

De dienstbodes hadden het vaak zwaar.
Ze werden dikwijls bot behandeld, veel verdienden ze niet en de omstandigheden waarin ze moesten werken heten nogal eens te wensen over.
Maar de werkelijkheid was voor de meesten van hen toch minder neerslachtig dan in sommige kringen wel eens is gesuggereerd.
En een aantal zou dat later ook volmondig toegeven.

 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index