DE ROOMS-KATHOLIEKEN

 

 

 

Mgr. Hendricus van de Wetering,
van 1895 tot 1929 de vierde aartsbisschop van Utrecht
sinds het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland.

Hij maakte een einde aan de hetzerige campagne
van M. Thompson in 'De Maasbode'.

 

 

De Nederlandse rooms-katholieken
- vroom, traditioneel en trouw aan Rome -
verkeerden jarenlang in een maatschappelijk isolement.

Pas aan de vooravond van de 20e eeuw
begon in hun kring 'een kwarteeuw der ontluiking',
zoals de katholieke historicus L.J. Rogier het later zou noemen.

 

 


De plaats van de katholieke vrouw in de samenleving
was lange tijd vrijwel uitsluitend het gezin of het klooster,
al maakten veel vrouwelijke religieuzen
zich onder andere verdienstelijk in het onderwijs.
Deze foto, van kinderen die in het Noord-Hollandse Laren aankomen
voor de traditionele St. -Jansprocessie,
dateert uit 1910.

 

VAN ZOEAAF
TOT LANDGENOOT

 

 

 

 

Het duurde even voor de rooms-katholieken in Nederland erin slaagden zich los te maken uit hun isolement.
Maar aan de vooravond van de eeuwwisseling vonden ze alsnog hun plaats in de natie.

De rooms-katholieke vrouwenbeweging was bijna gestruikeld
over de aartsreactionaire hoofdredacteur van een voor aanstaand katholiek dagblad. Maar zijn in vitriool gedoopte pen werd hem uiteindelijk door de bisschoppen zelf uit handen genomen.

 

Tot 1795 hadden de rooms-katholieken in Nederland zo'n beetje buiten de natie geleefd, in het schemerduister van een tweede-
rangs burgerschap. Pas de Bataafse revolutie van dat jaar bracht hun ook officieel gelijke rechten. En pas sinds 1853, na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie, beschikten ze weer over een volledige kerkelijke organisatie waarin bisschoppen in hun diocees de lagere geestelijkheid konden organiseren en besturen.
Een nieuw tijdperk leek daarmee aangebroken.

Maar in feite gebeurde er de volgende decennia weinig of niets. Om de rooms-katholieke Nederlanders uit hun achterlijke isole-
ment te verlossen en hen tot onderdeel van de natie te maken, zouden daadkrachtige leiders en een goed geschoold kader nodig zijn geweest - en die ontbraken vooralsnog.
Gevolg was dat de katholieken zich vastklampten aan hun traditionele trouw aan de paus in Rome en zich daarmee nog eens extra vervreemdden van hun landgenoten. Het zoeavenlegertje dat in de jaren zestig en zeventig de staatkundige onafhankelijk-
heid van paus en Vaticaan moest verdedigen tegen de Italiaanse staat, recruteerde zijn vrijwilligers niet voor niets voor een verbazingwekkend groot gedeelte uit roomse boerenkerels van het Nederlandse platteland.
Niet zo verwonderlijk dus dat de liberale Leidse hoogleraar
J.F. Buys nog in 1871 betoogde, dat geen verstandig vaderlander ooit zijn vertrouwen zou schenken aan een katholiek...

 

VOLKSDEEL ONTLUIKT

Maar in de jaren tachtig ontstond binnen het rooms-katholieke volksdeel dan toch eindelijk een nieuw elan. En in regering en parlement ontplooiden de katholieken omstreeks 1900 in korte tijd een grote politieke macht die al spoedig niet meer viel weg te cijferen.
In kunst en wetenschap sloten ze op een eigen, zelfstandige wijze aan op de baanbrekende vernieuwingen van die tijd en lieten ze steeds meer van zich horen.

Van essentiële betekenis was bij dit alles de ontwikkeling van een nieuwe, realistische wijsbegeerte en een dito theologie.
Die evolutie stond onder leiding van katholieke 'modernisten' als de Amsterdamse hoogleraar J. V. de Groot en de professoren
J.Th. Beyssen en G.C. van Noort van het seminarie te Warmond.

Hun geschriften, waarin ze probeerden aan te sluiten bij
de moderne tijd, betekenden een breuk met de orthodoxe,
in feite uit de middeleeuwen afkomstige leer.
Ook op het sociale vlak brak bij de katholieken de vernieuwing door.
Na het verschijnen van de encycliek 'Rerum Novarum' in 1891 kwam de rooms-katholieke vakbeweging tot grote bloei, met name onder invloed van priesters als Alfons Ariëns en Henri Poels.
Aan het begin van de 20e eeuw zag het er zelfs naar uit dat
de katholieke vrouwen zouden worden meegesleept in de toen-
malige emancipatiebeweging. Geestelijken als Ariëns en
de norbertijn A. Rijken hadden oog gekregen voor de plaats van
de vrouw in de samenleving.
Die plaats had aan betekenis gewonnen door allerlei technische ontwikkelingen, zoals de uitvinding van de schrijfmachine in 1890, en door maatschappelijke processen die voor vrouwen nieuwe beroepsperspectieven hadden geopend, zoals de opkomst van
het moderne ziekenhuiswezen en het winkelbedrijf.

'Ik sta er versteld van, hoe brave vrouwen en meisjes van
de eenvoudigste families zelfs, bijna zonder uitzondering vragen: waarom mag de vrouw niet even goed stemmen als mannen?', constateerde Ariëns een beetje verbaasd.
En op voorstel van kapelaan L. Simonis uit Den Bosch kwam
onder leiding van Albertine Steenhoff-Mulder in 1910 voor het eerst een r.k. vrouwencomité bijeen dat met de verkoop van zgn. Sobrietasbloempjes voortvarend de drankbestrijding ter hand nam.
Al snel daarna volgde de verschijning van het R.K. Dames-Tijd-
schrift 'De Lelie' - en toen kon het niet lang meer duren of er zou, naar buitenlands voorbeeld, een vrouwenorganisatie worden opgericht.
In maart 1911 kwamen daartoe enkele dames bijeen in Nijmegen. De eerste poging liep mis. De plannen waren uitgelekt omdat
de 'buldoggen van de orthodoxie' kennelijk op wacht lagen.
In allerijl waarschuwden die de bisschoppelijke hiërarchie voor dit 'allerverwerpelijkste streven' van 'personen zonder bevoegdheden' die het hadden gewaagd 'de bisschoppen buiten alles te houden'.

Een berouwvolle Albertine Steenhoff - ook bij dit initiatief was zij betrokken - meldde zich alsnog bij aartsbisschop Hendricus van
de Wetering in Utrecht. Maar monseigneur was des duivels en zond haar heen. Omdat hij echter wel begreep dat er toch iets moest gebeuren, nam hij de zaak zelf ter hand.
De R.K. Vrouwenbeweging kwam er dus, maar wél onder priester-
lijk gezag en in diocesaan verband georganiseerd.
De verklikker die het aanvankelijke plan van de initiatiefneem-
sters in de kiem had gesmoord, was niemand anders dan
de aartsreactionair M.A. Thompson. Sedert 1898 was hij hoofdredacteur van het rooms-katholieke dagblad 'De Maasbode', dat door zijn haatdragende geschrijf en gestook tegen alles wat
zich als vernieuwing aandiende al snel 'De Raasbode' werd genoemd.
Thompson zag overal vijanden van paus en kerk en hij ging hen te vuur en te zwaard te lijf. Scheldkanonnades, verdachtmakingen, insinuaties, lastercampagnes, schandaalmakerij - niets was zijn giftige pen te dol. Lange tijd genoot hij daarbij de stilzwijgende instemming van de bisschoppen. Maar toen de lezers de krant massaal in de steek lieten werd hij in 1912, uit pure financiële nood, toch maar met ontslag gestuurd.

De 'modernisten' wonnen ten slotte, zij het niet zonder spanningen en veel conservatieve tegenwind.
Als georganiseerde gemeenschap stonden de rooms-katholieken nog steeds een beetje apart. Maar van een achterlijk isolement was niet langer sprake: ze hadden geleerd over de confessionele grenzen heen te kijken en met anderen samen te werken.
Aan het begin van de nieuwe eeuw had de inmiddels hechte, roomse zuil zich zodoende ontwikkeld tot een steunpilaar van
de nationale eenheid.

naar inhoud 1900 naar index