DE BLOEMISTERIJ


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De eerste Nederlandse bloemenwinkel
mag dan in Amsterdam hebben gestaan,
Rotterdam had al aan het begin van de eeuw zijn bloemenmarkt.
Ze werd gehouden aan de Coolsingel
en behalve snijbloemen waren er ook tuin- en potplanten te koop.




 

Nederland in de bloemetjes

 

Aan het einde van de 19e eeuw begon Nederland belangstelling te krijgen voor verse bloemen in huis. Vooral in Aalsmeer ontstond daardoor een bedrijfstak van wereldformaat.

Een van de eerste bloemenwinkels was te vinden in Amsterdam;
al in 1872 waren er snijbloemen te koop.

Pas in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog nam de vraag naar bloemen zo'n vlucht dat steeds meer tuinders zich specialiseerden
op de bloementeelt.


Aan het einde van de 19e eeuw werd het bij de welgestelde burgerij gewoonte elkaar op feestdagen of hij speciale gebeurtenissen bloemen
te sturen.
Verse bloemen, wel te verstaan; niet de droogbloemen die al veel
langer in de mode waren.

De laatste werden in vrijwel alle interieurs aangetroffen en hadden
vaak de vorm van een Biedermeiertje of de Engelse variant ervan,
de Victorian posy.

Snijbloemen begonnen ook steeds vaker een rol te spelen in de bloem-stukken en tafelversieringen waaraan de dames uit de betere kringen veel tijd besteedden.
Aanvankelijk kwamen die bloemen rechtstreeks van de tuinman of hovenier.
De handel in bloemen begon pas omstreeks 1900.
Van Amsterdam is bekend dat er al in 1872 een bloemenwinkel was.

KWEKERIJEN

Bloementeelt en -handel hadden in Nederland al eerder een bloei-
periode doorgemaakt, zij het een kortstondige.
Dat was toen in de 18e eeuw de tulp uit Turkije via Wenen in
Nederland belandde en er een belachelijke windhandel in tulpebollen ontstond waarbij fortuinen werden verdiend en weer verloren gingen.
Maar toen die gekte eenmaal over was verdwenen teelt en handel
even snel als ze waren opgekomen.

Naarmate aan het einde van de 19e eeuw de vraag naar bloemen
en andere siergewassen groeide begonnen de Nederlandse tuinders
weer belangstelling te krijgen voor dit luxe produkt.
De toenemende afzetmogelijkheden, ook in het buitenland, leidden
ertoe dat ze naast groenten en fruit ook snijbloemen en potplanten begonnen te kweken, voor een deel zelfs onder glas.

Al in 1890 waren in het Westland kassen in bedrijf.
De produkten die de tuinders niet zelf aan huis verkochten gingen
naar handelaars of bloemenventers, want de meeste kwekers hadden uiteraard geen tijd zelf met hun waar naar de stad te trekken.
Door die nogal willekeurige tussenhandel was de bloemenkweker
in het nadeel. Hij kreeg lagere prijzen dan hem lief was, moest vaak
lang op zijn geld wachten en de consument klaagde nogal eens
over de kwaliteit.
Vooral snijbloemen verwelken gauw en het nog primitieve afzetap-
paraat was te traag en te omslachtig om het produkt snel bij de klant
te brengen. Daarom begonnen de tuinders omstreeks de eeuwwisseling
co÷peratieve verkooporganisaties en veilingen op te richten.

Vooral deze laatste zorgden ervoor dat bloemen (maar ook andere tuin-
bouwprodukten) snel en tegen een behoorlijke prijs verkocht konden worden.
De eerste bloemenveiling, die van 'De Vereenigde Tuinbouwers' te Aalsmeer, werd opgericht in 1901.

Ze richtte zich, behalve op het nabijgelegen Amsterdam, vooral op
de export. Aanvankelijk functioneerde de nieuwe veiling niet optimaal,
vooral omdat een aantal grote handelskwekers niet meededen en hun produkten rechtstreeks bleven uitvoeren.
Maar na 1912 had de Aalsmeerse veiling deze beginproblemen achter de rug.
Ze zou uiteindelijk uitgroeien tot de grootste ter wereld.
Na Aalsmeer kwamen er ook veilingen in onder andere Ter Aar, Rijnsburg en Boskoop.


BLOEMEN VOOR HET BUITENLAND

Al in de jaren tachtig werden bloemen en planten geŰxporteerd,
zij het aanvankelijk nog incidenteel gebeurde vanuit Aalsmeer naar Engeland en Lent, bij Nijmegen, naar Duitsland.

Vanaf 1905 exporteerden de Aalsmeerse kwekers in elk geval regel-
matig snijbloemen en sierheesters naar Engeland en Duitsland.
Uit de exportstatistieken van die tijd blijkt dat het ging om 'levende bloemen, bladen, takken, siergrassen; afgesneden, los of gebonden
in bouquetten of kransen' en om 'levende planten, planten in potten
en kuipen en niet houtvormende siergewassen'.

VERVOER EN VERPAKKING

Het vervoer vond plaats per trein.
Een knelpunt was aanvankelijk de afhaaldienst die de produkten
van kwekerij naar het station moest brengen.
Deze werd pas opgeheven toen Aalsmeer in 1911 een aansluiting op
het spoor kreeg.
Een andere moeilijkheid was de verpakking.
Weliswaar had een Leidse hoogleraar een vorstvrije emballage ontwik-
keld maar in de praktijk voldeed die niet.

Al vrij vroeg, tussen 1894 en 1911, begonnen kwekers en handelaars zich te specialiseren.
Er kwamen aparte bloemistenverenigingen en veel tuinders gingen
zich toeleggen op de teelt van snijbloemen en siergewassen.
Dat laatste vroeg om forse investeringen (in de bouw van verwarmde kassen bijvoorbeeld) en om gespecialiseerde technische en economische kennis.
Een bloemenkweker kon die kennis verwerven door gedurende twee seizoenen onderwijs te volgen aan de tuinbouw-winterscholen waar onder andere ook tuinarchitectuur en bloemsierkunst werden onder-
wezen.
In de Watergraafsmeer kon men al heel vroeg bloementeelt leren op een particuliere school en reeds in 1896 werden in Wageningen cursussen gegeven 'bestemd om aan aanstaande grootere kweekers
een overzicht over het geheele vak te verschaffen'.

POTPLANTEN EN SNIJBLOEMEN

Uit alles blijkt dat aan het begin van de eeuw Aalsmeer het belang-
rijkste centrum van bloementeelt en -handel was geworden.
Aanvankelijk werden er ook veel bomen gekweekt, niet alleen voor
de bezitters van villa's en buitenverblijven maar ook voor aanplant langs polderwegen.
Toen de gouden tijd voor de boomkwekerij voorbij was gingen
de Aalsmeerse kwekers zich meer en meer toeleggen op de teelt
van potplanten en snijbloemen.
In die situatie is sindsdien geen verandering meer gekomen.

 
 
 
 
 
naar inhoud 1900 naar index