BANKWEZEN

 

 

 

 

 

 



Interieur van het Haagse filiaal van de Nationale Bank in 1914.
De invloed van bank en beurs op de Nederlandse ondernemerswereld
was in deze periode nog gering.
In 1914 bijvoorbeeld legden de industriële fondsen
voor nog geen tiende beslag op de beursnoteringen.

 

 

 

Merkwaardige promotie van de stad Bandoeng
die in het begin van de 20e eeuw bedrijven probeerde aan te trekken
ten koste van concurrerende steden op Java.
In Nederlands-Indië kregen de banken eerder dan in Nederland
greep op het bedrijfsleven,
een gevolg van de grote behoefte aan geld bij de koloniale ondernemingen.

 

 

 

 

Nederlands munt- en papiergeld
uit het begin van de 20e eeuw.
De bankbiljetten werden uitgegeven door De Nederlandsche Bank,
de munt en het muntbiljet door de staat.

 

Kooplieden achter de kassa

 

Socialisten wezen al vroeg op de duistere machinaties van het bankkapitaal. Het merkwaardige: er was in hun tijd weinig reden toe. Pas veel later kregen ze een beetje gelijk.

De deftige bankiers van omstreeks de eeuwwisseling waren niet zo geïnteresseerd in industrialiserend Nederland. Ze pasten zorg-
vuldig op de hun toevertrouwde gelden en als ze al speculeerden deden ze het mondjesmaat en onder de korenmaat.

De socialistische voorman F.M. Wibaut wist het zeker.
In een voordracht in 1913, over de nieuwste ontwikkelingen van het kapitalisme, schilderde hij in gloedvolle bewoordingen een angstaanjagende toekomst. Nog even en het duistere bank-kapitaal zou zich alle economische macht hebben toegeëigend,
ook in Nederland. De nijvere industriëlen, de brave kooplieden,
de goede boeren en middenstanders - zij allen hadden geen schijn van kans tegen de sluwe grootbankiers en hun doelbewuste streven naar de macht.
Onstuitbaar was de groei van de hun toevertrouwde deposito's, niet tegen te houden de aanwas van hun aandelenbezit. Syndicaatvorming, onderlinge fusies, overnamen - ze wezen volgens Wibaut alle in dezelfde richting: het bankwezen was doelbewust bezig het dictaat te veroveren over de bedrijfsvoering van geheel ondernemend Nederland.

DISCREET EN SECREET

Zag Wibaut spoken? In het verleden was in elk geval weinig te merken geweest van een komende hegemonie van het bankwezen. In de loop van de 18e eeuw had het zich maar langzaam verzelf-
standigd van de koophandel die aanvankelijk ook bepaalde bankiersactiviteiten had omvat, zoals de commerciële krediet-
verlening en het kassiers- en geldwisselbedrijf.
Maar ook na die verzelfstandiging behaalde de Nederlandse bankier zijn winst vooral op de traditionele koopmansmanier waarin speculatie en routine elkaar afwisselden. Aan de ene kant hield hij het op tamelijk veilige beleggingen in overheidspapieren, aan de andere kant waagde hij wel eens een snel gokje op handels-
en geldmarkten. Maar in beide gevallen beheerden de deftige en vooral behoudende bankier/kassiers zeer zorgvuldig en onder het zegel van geheimhouding de gelden die hun door een selecte clientèle van rentenierende rijken waren toevertrouwd.
En daarmee was elk streven naar een duurzame beheersing van het ondernemende en dus riskante bedrijfsleven uitgesloten.
Van die sector had de bankier geen kaas gegeten en hij wilde er ook niets mee te maken hebben. Wibaut zat er gewoon naast.

Wibaut had in zoverre gelijk dat de betekenis van het bankwezen sinds 1860 of daaromtrent was gestegen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen. Naast het kassiersbedrijf ontstonden binnen
de banksector geleidelijk andere activiteiten zoals de hypotheekbank en de kredietvereniging voor de middenstand.
In de jaren zeventig van de 19e eeuw leek in navolging van Frankrijk ook in Nederland het industriebankwezen van de grond te komen: het crédit mobilier waarmee nieuwe industriële ondernemingen gefinancierd zouden kunnen worden.

Zo'n industriebank was de 'Algemeene Maatschappij voor Handel en Nijverheid'. Maar toen haar directeur, de raadselachtige Alexander Mendel, in 1864 met de noorderzon verdween was het met deze 'Maatschappij voor Zwendel en Nijverheid' snel gedaan. Deze deconfiture en soortgelijke schandalen uit de tweede helft van de 19e eeuw stelden het gehele bankwezen ietwat onterecht
in een ongunstig licht. Dat werkte verlammend op de ontwikkeling van deze bedrijfstak. Als gevolg daarvan is de invloed van
de banken op het economische leven tot het begin van de 20e eeuw dan ook betrekkelijk gering gebleven.

KOLONIAAL KAPITALISME

Een uitzondering, dat moet gezegd, vormde het koloniale bank-
wezen. Nadat de particuliere ondernemers in Indië omstreeks 1870 van de overheid de vrije hand hadden gekregen bleken plantages, mijnbouwondernemingen, spoorwegmaatschappijen
en nutsbedrijven een schreeuwende behoefte aan geld te hebben. Ze werden al gauw bediend door de zgn. cultuurbanken in het moederland - en die kregen geleidelijk inderdaad een sterkere greep op het Indische bedrijfsleven.
In 1890 waren alleen al in Amsterdam 77 cultuurondernemingen gevestigd, met een totaal kapitaal van zestig miljoen gulden.
Vijf jaar later was hun aantal verdubbeld en het kapitaal overeen-
komstig gestegen.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog had Nederland zo'n kleine acht procent van zijn vermogen belegd in Indië. Dat was grotendeels gebeurd door bemiddeling van de banken.
Tussen 1904 en 1914 was bijna een derde van de nieuwe beurs-
fondsen door de banken doorgesluisd naar Indië.

Intussen stelden beurs en banken zich nogal wantrouwend op ten opzichte van industriële fondsen in eigen land. Het eerste industriële aandeel verscheen pas in 1889 op de beurs, toen
de Koninklijke Nederlandsch Beijersche Bierbrouwerij met een emissie kwam. En dat was nu niet bepaald een onderneming uit
de industriële voorhoede. Ook in latere jaren moest de Neder-
landse industrie haar geld- en kapitaalbehoefte vaak zien te dekken buiten het bestaande beurs- en bankwezen om.

Wibaut sloeg in 1913 de plank dus aardig mis. De invloed van bank en beurs op ondernemend Nederland was ook in zijn tijd uitermate gering.
Wel kreeg het Nederlandse bankwezen omstreeks de eeuwwis-seling een nieuw en geheel eigen karakter door de opkomst van
de algemene banken. Ze waren ongeveer in dezelfde tijd ontstaan als het crédit mobilier maar hadden zich verre gehouden van
de financiering van de industrie. In plaats daarvan deden ze allerlei andere zaken, met een nadruk op de kredietverlening op korte termijn. De meeste waren klein van omvang en beperkten zich tot plaatselijke activiteiten.
Aan het begin van de 20e eeuw werd echter duidelijk dat een klein aantal van deze algemene banken bezig was zich te ontwikkelen tot nationale instellingen. Vooral de 'grote vijf zouden uiteindelijk tot ver na de Tweede Wereldoorlog het gezicht van het Neder-
landse bankwezen bepalen: de Twentsche Bank, de Rotterdam-
sche Bank, de Amsterdamsche Bank, de Incasso-Bank en
de Nederlandsche Handelmaatschappij. Een van deze, de Rotter-
damsche Bank, zou bovendien een begin maken met de concentra-
tie in het bankbedrijf die zich tot het einde van de 20e eeuw zou voortzetten en waarvoor Wibaut, lang voor er sprake van was, al zijn vrees had uitgesproken.
Blijft de vraag of de man een vooruitziende blik had of in het heetst van de strijd maar iets riep dat jaren later zou uitkomen. Het laatste lijkt eerlijk gezegd het meest voor de hand te liggen.

naar inhoud 1900 naar index