DE AKKERBOUW



  Kunstmest als redder

 

 

 

 

 

 


Vanaf het einde van de 19e eeuw
voltrok zich in de Nederlandse akkerbouw
een aantal ingrijpende veranderingen.

Een ervan was de gestaag groeiende teelt van aardappelen,
onder andere op de zandgronden,
ten behoeve van de vee- en varkensfokkerij.

Wat voorlopig niet veranderde was de arbeid op het veld.
Die bleef grotendeels handwerk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schaftende landarbeiders in de hooitijd.
Een groot deel van het werk in het boerenbedrijf
kwam in de eerste helft van de 20e eeuw
nog voor rekening van deze categorie van de agrarische bevolking.

Pas na de Tweede Wereldoorlog zou ze praktisch geheel verdwijnen,
overbodig geworden door de mechanisering en een efficiëntere bedrijfsvoering.

 

De Nederlandse akkerbouwers hadden weinig op met
vernieuwing.
Maar ze begrepen algauw dat ze weinig keuze hadden. En daarom gingen zelfs zij op zoek naar nieuwe wegen.


Ingrijpende veranderingen voltrokken zich met name op
de arme zandgronden in het oosten, midden en zuiden van
het land. De veeteelt werd van een nevenbedrijf een belangrijke afnemer van nieuwe gewassen als aardappels, rogge en haver.


De ontwikkeling van de Nederlandse akkerbouw was aan het einde van de vorige eeuw duidelijk achtergebleven bij die van andere
landbouwsectoren.
De doorgaans nogal behoudende akkerbouwers hadden zo hun aarzelingen ten aanzien van nieuwlichterijen als arbeidsbespa-rende methoden; wat was er tenslotte al sinds mensenheugenis goedkoper dan menselijke arbeid?
Maar tegelijk waren ze nuchter en commercieel genoeg om te beseffen dat de tijden aan het veranderen waren en dat ze in feite geen keuze hadden.

De opbrengst van hun produkten bleef gelijk of daalde zelfs;
de lonen van de landarbeiders gingen gestaag omhoog.
Vooral de opbrengst van de graan- en peulvruchtenteelt viel na het einde van de agrarische depressie blijvend tegen. De traditio-nele teelt van deze gewassen werd daarom als eerste het slacht-offer van de modernisering.
Ondanks een duidelijke produktiviteitsstijging werd ze voort-durend ingekrompen, ten gunste van de teelt van aardappels, suiker- en voederbieten en andere knol-, wortel- en bolgewassen.

Behoudend of niet: de Nederlandse akkerbouw werd omstreeks
de eeuwwisseling tegen wil en dank gedwongen andere wegen te zoeken.

VEE OP HET ZAND

Misschien wel de ingrijpendste verandering voltrok zich op
de arme zandgronden in het oosten, midden en zuiden van
het land - traditioneel het grootste gedeelte van het akkerbouwareaal.
De rundveeteelt in de drassige dalen van riviertjes en beken
en de schapenteelt op de hogergelegen heidegronden had al sinds mensenheugenis in dienst gestaan van de akkerbouw.
De boeren in de betrokken gebieden hielden wel wat vee -
maar ze deden dat vooral om de mest die ze nodig hadden voor
de verbouw van akkerbouwgewassen zoals boekweit.

Nu werd de zaak omgedraaid. De akkerbouw op de zandgrond kwam in dienst van de veeteelt, in de eigen streek maar ook elders.
Produkten als boekweit kwamen nauwelijks nog aan de markt; nieuwe gewassen als aardappels, rogge en haver gingen als veevoer naar een zich explosief uitbreidende regionale rundvee-, varkens- en kippenfokkerij.
In 1910 hadden de zandgronden zelfs de traditionele weide-gebieden in het westen en noorden van het land overvleugeld
als boterproducent.

Voor een deel was deze omslag het gevolg van een verbeterde afwatering, onder andere door het 'normaliseren' (zeg maar tot kanaal maken) van schilderachtige maar grillige beekjes en rivieren als Schipbeek, Regge, Dommel, Berkel en Oude IJssel.

Belangrijker echter was het snel toenemende gebruik van kunst-mest waarmee de arme zandgrond kon worden opgepept tot vruchtbaar landbouwgebied.
In 1886 had de commissie-Sickesz nog moeten constateren
dat het schreeuwend tekort aan mest als een kanker knaagde
aan de welvaart van de Nederlandse landbouw.
Maar omstreeks de eeuwwisseling was aan deze kanker een einde gekomen door de explosieve groei van de kunstmestimport. Grofweg gezegd verhonderdvoudigde deze.
In korte tijd was Nederland, internationaal gezien, het land geworden met het hoogste kunstmestverbruik - en het grootste gedeelte van die import verdween in de bodem van de traditionele arme zandgronden.

Anders dan de bewoners van de zandgronden, die toch al aan hun bestaansminimum zaten, werden de rijkere akkerbouwers van
de zeekleigebieden zwaar getroffen door de landbouwdepressie uit het laatste kwart van de 19e eeuw.
Typerend voor hun situatie is, als voorbeeld, de vrije val van
de koopprijzen in Het Bildt, in Noord- Friesland:
van 3000 tot 800 gulden per hectare per jaar.

Rekening houdend met het feit dat de grondeigenaars een pacht-prijsverlaging van zo'n 25% niet uit de goedheid van hun hart toestonden, kan hieruit blijken hoe hoog de nood daar intussen
was gestegen.

Maar ook hier bracht kunstmest uitkomst. Door de toepassing ervan kon de traditionele teeltwisseling - granen in het ene, aardappels in het andere seizoen - vervangen worden door een meer gedifferentieerde; de teeltkeuze kon voortaan beter worden afgestemd op de voordeligste marktverhoudingen.
Vooral de teelt van suikerbieten, aardappels en zaden ging daarbij een rol spelen.
Bijkomende factor in de produktiviteitsstijging van de akkerbouw, niet alleen in de zeekleigebieden maar ook elders, was de vervanging van de os als trekdier door het efficiëntere (trek)paard.

STAD EN PLATTELAND

De akkerbouw in de Nederlandse rivierkleigebieden had het moeilijker. Vooral de lastige bodemgesteldheid maakte het de akkerbouwers in deze streken bijna onmogelijk zich aan de eisen van de tijd aan te passen.

De zgn. zomerbraak (ieder jaar bleef de helft van het bouwland braak liggen) bleef nog lange tijd een gangbaar gebruik en kunstmest was, in het Land van Maas en Waal bijvoorbeeld,
zelfs in 1912 nog een nieuwigheid waarmee slechts een enkeling zich inliet.
De veenkoloniale gebieden in Groningen en Drenthe daarentegen maakten een ongekende ontwikkeling door. Ze waren gemakkelijk bewerkbaar, maar lange tijd was dat een nutteloos voordeel geweest door hun onvruchtbaarheid.
Ook hier bracht de kunstmest uitkomst. Anders dan elders in het land werd grasland hier omgezet in akkerland.
De veeteelt maakte in deze streken plaats voor de teelt van rogge, haver en fabrieksaardappels en liet zich op sleeptouw nemen door de aardappelmeelindustrie en de strokartonfabricage.

Beslissend waren ook hier de exportmarkten. De uitvoer van aardappelmeel vervijftienvoudigde; die van strokarton kon met honderd worden vermenigvuldigd.
De toenemende vervlechting van (akker)landbouw met marktverkeer en industrie was een van de redenen waardoor omstreeks de eeuwwisseling langzamerhand het verschil tussen stad en platteland begon te vervagen.

Spoor- en tramwegen, de fiets en weldra ook de auto legden streken open die eeuwenlang tamelijk ontoegankelijk waren geweest; het gespecialiseerde winkelbedrijf vond zijn weg van
de stad naar het platteland; aan traditionele zaken als kleder-drachten en burenhulp begon de tand des tijds te knagen.

De wettelijke afschaffing van de middeleeuwse tiendrechten (1907) was geen begin maar een sluitstuk van de modernisering van het platteland.
Dat de omwenteling in het maatschappelijke bestaan ten platte-lande in Nederland niet heeft geleid tot schrijnende nood of grote wantoestanden is ondermeer te danken geweest aan de grond- en pachtwetgeving.
Deze leidde ertoe dat de boer, als pachter van een kleinbedrijf,
een redelijk verzekerd bestaan had.
De agrarische vernieuwing is in ons land dan ook gedragen door een groeiend aantal zelfstandige kleine bedrijven, niet - zoals elders - door het grootbedrijf.

naar inhoud 1900 naar index