De Agrarische Revolutie


 

 

 

 

Het eerste rijksboterkeurmerk,
in 1904 ingevoerd om definitief een einde te maken
aan de knoeierijen die de goede naam
van de Nederlandse boter
tot ver in het buitenland hadden verziekt.



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


klik vor een groter formaat

 

Vernieuwing en modernisering van agrarisch Nederland
werden ook bevorderd door een aantal particuliere genootschappen.
Ze gaven onder andere cursussen die indien met succes gevolgd,
de deelnemers een fraai uitgevoerd getuigschrift opleverden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook agrarische tentoonstellingen,
vaak met een competitief element,
droegen bij tot een betere kwaliteit van land- en tuinbouw.
Bovendien kregen allerlei toeleveringsbedrijven er de kans
boeren en tuinders te laten kennismaken
met de nieuwste machines en hulpmiddelen.

Deze foto werd gemaakt in Goes.

 

 

 

Geboorte van
het groene front

 

Aan de basis van de agrarische revolutie in Nederland stonden consciëntieuze ambtenaren als de 'wandelleraar' G.Corten.
Hij en zijn collega-voorlichters reisden het platteland af en leerden de boeren hoe ze hun eeuwenoude métier konden vernieuwen.

Het traditionele boerenbedrijf was in de tweede helft van
de 19e eeuw weggevaagd door de agrarische depressie.
Om te overleven had de Nederlandse boer een revolutie nodig.
Het traditionele boerenbedrijf, eeuwenlang de belangrijkste pijler van werk en welvaart in ons land, ging tussen 1878 en 1895 op dramatische wijze ten onder.
Tijdens de grote agrarische depressie die in deze jaren een groot deel van Europa teisterde, werd het weggespoeld in een verwoestende draaikolk van tegenslagen, erwikkelingen en veranderingen.

Een spectaculair voorbeeld was de teloorgang van de mee-
krapteelt. Meekrap, een rode kleurstof uit de wortels van
de gelijknamige plant, was eeuwenlang onmisbaar geweest voor de textielnijverheid.
Door de opkomst van nieuwe, chemische verfstoffen verloor ze echter binnen een paar jaar haar betekenis en verdween de meekrapteelt vrijwel volledig van het toneel.

Aan de vooravond van de 20e eeuw was één ding duidelijk: zonder een agrarische revolutie was er voor de Nederlandse boerenstand nauwelijks nog een toekomst.

OVERHEID NEEMT HET VOORTOUW

Al in 1884 was tijdens een internationale landbouwtentoon-
stelling in Amsterdam duidelijk geworden dat de vroegere agrarische voorsprong van Nederland veranderd was in een verbijsterende achterstand.
Dat was vooral te wijten aan de technische achterlijkheid en de gebrekkige organisatie van het landbouwbedrijf in ons land.
Om daarin verandering te brengen besloot de overheid tot ingrijpen.
Ze stelde een Staatscommissie voor de Landbouw in
die in 1886 aan het werk toog onder leiding van het Tweede-Kamerlid C.J.Sickesz, de energieke voorzitter van
de Geldersch-Overijselsche Maatschappij van Landbouw.

Een van de eerste wettelijke verbeteringen die door toedoen van de commissie tot stand kwamen was de Boterwet van 1889.
Deze maakte een einde aan allerlei schadelijke knoeierijen die de goede naam van de Nederlandse boter tot ver in het buitenland hadden verziekt en leidde uiteindelijk (in 1904) tot de invoering van het rijksboterkeurmerk.

Belangrijker nog bleek het opzetten van een voorlichtings-apparaat dat de Nederlandse landbouwers moest informeren over de nieuwste technische en wetenschappelijke ontwikkelingen.
Al in 1890 begon de eerste 'wandelleraar', G.F.R.Corten,
zijn voorlichtingsreizen door agrarisch Nederland.
Hij kreeg al spoedig assistentie van anderen en weldra wemelde het op het platteland van landbouw-, tuinbouw-, veeteelt-, zuivel-, bosbouw- en bijenteelt-consulenten.
Tegelijkertijd werd gewerkt aan de uitbouw van het agrarisch onderwijs.
De Rijkslandbouwschool te Wageningen - de huidige Landbouw-universiteit - was al in 1877 opgericht.
Vanaf het einde van de 19e eeuw kreeg ze op wat lager niveau gezelschap van rijkswinterscholen voor landbouw (1893) , tuinbouw (1896) en het zuivelwezen (l904) .

Door deze ontwikkelingen kon de Nederandse landbouw in toenemende mate steunen op resultaten van wetenschap-pelijk agrarisch onderzoek. Dit vond met name toepassing in speciaal daartoe ingerichte proefstations.
Op initiatief van de commissie-Sickesz kwamen er boven-dien voorzieningen op terreinen als landbouw-krediet, landbouwstatistiek, belastingen, grondgebruik en pacht-wezen. Op die manier schiep de overheid in snel tempo
de voorwaarden waaronder de hoogstnoodzakelijke vernieuwing van de Nederlandse landbouw zich kon voltrekken.


GROENE FRONT IN OPMARS

Hoewel de Nederlandse regering in 1906 een afzonderlijke Directie van de Landbouw instelde en daarmee nadrukkelijk liet weten dat ze haar bemoeienis met het agrarische bedrijf niet als tijdelijk beschouwde, moesten natuurlijk de boeren zelf voor de eigenlijke vernieuwing zorgen. Dat deden ze ook wel.
Maar toch duurde het tot in de tweede helft van de jaren negentig voor hun inspanningen vrucht begonnen af te werpen.
De forse teruggang van het landbouw-inkomen tussen 1870 en 1890 was zelfs pas in 1910 volledig ingehaald.
Desondanks was het aandeel van de landbouw in nationale inkomen inmiddels gezakt van 20 naar 15 procent.
En de agrarische beroepsbevolking was in absolute aantallen weliswaar toegenomen maar in verhouding tot de gehele bevolking toch gedaald: van 40 procent tot minder dan een derde.
Ook de uitbreiding van landbouwgrond verliep trager dan vroeger, ondanks inpolderingen, droogmakerijen en de ont-ginning van woeste gronden. Een belangrijke rol in die uitbreiding, met name door de ontginning van zandgronden, speelde de Nederlandsche Heidemaatschappij die in 1888 was opgericht.
Maar de aanleg van spoor-, water- en landwegen en de uit-leg van steden deden aan de uitbreiding van het cultuur-areaal weer afbreuk. Toch had ze wel effect doordat ze gepaard ging met een verschuiving van traditionele teelt-vormen naar de voortbrenging van gewassen en produkten die beter in de markt lagen.
Zo maakte bijvoorbeeld de meekrapteelt voor de verbouw van vlas, koolzaad en suikerbieten.

Ook de produktiviteit in de landbouw nam toe: een gevolg van een verbeterde bedrijfsvoering en met name van
de spectaculaire groei van het kunstmestgebruik.
Desondanks bleef de stijging van de agrarische produktiviteit omstreeks de eeuwwisseling duidelijk achter bij die in andere sectoren van de economie.
De van overheidswege aangezwengelde agrarische revolutie was daarmee zeker niet mislukt.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was
de Nederlandse landbouw duidelijk vernieuwd en versterkt en had ze reeds het karakter gekregen van een modern veredelingsbedrijf.
De organisatorische vernieuwing is misschien wel het belangrijkste aspect van de agrarische revolutie die in Nederland plaatsvond tussen 1895 en 1914.
De onderlinge samenwerking van de boeren kreeg in deze periode op indrukwekkende wijze gestalte.

Nog in 1890 moest de commissie-Sickesz spijtig vaststellen dat de coöperatie van landbouwers een uitzondering was.
Maar vooral na 1895 hebben boeren, tuinders en fruittelers hun economische en maatschappelijke positie versterkt door in korte tijd een omvangrijk apparaat van aankoop-,
krediet-, afzet- en verwerkingscoöperaties in het leven te roepen. Bovendien kreeg hun belangenorganisatie gestalte
in het Nederlandsch Landbouw Comité.
Het werd in 1884 opgericht en in 1893 door de regering officieel erkend als gespreks- en onderhandelingpartner.
Tegelijkertijd ontstonden diverse boeren- en tuinders-bonden en richtten ook de landarbeiders hun eigen organi-saties op. Omstreeks de eeuwwisseling kortom, ontstond in Nederland het machtige geheel aan belangenorganisaties
dat later bekend zou worden 'groene front'.
Vernieuwing en modernisering van agrarisch Nederland werden ook bevorderd door een aantal particuliere genoot-schappen.
Ze gaven onder andere cursussen die, indien met succes gevolgd, de deelnemers een fraai uitgevoerd getuigschrift opleverden.

naar inhoud 1900 naar index