Afvoer van mest en huisvuil

 

 

 

 


De Amsterdamse 'boldootkar' in actie in de Slijkstraat.

In de wijken die niet waren aangesloten op de riolering
bleef deze wijze van ophalen van 'vloeibaar vuilnis'
tot in de jaren dertig in gebruik.





Aanleg van een rioleringsleiding
achter het Rijksmuseum in Amsterdam.
De foto dateert uit 1909.

 

 



Vooral in de grotere steden braken
in de 19e en aan het begin van de 20e eeuw
regelmatig tyfus- cholera-epidemieën uit.
Tegen de oorzaken ervan (besmet fruit, slecht drink-water)
werd de bevolking regelmatig gewaarschuwd.

 

 

In de grote steden werd huisraad
uit panden waarin een besmettelijke ziekte heerste
door de gemeentelijke gezondheidsdienst
overgebracht naar een desinfectieoven.

Hier gebeurt dat in Amsterdam.

 

Ramen dicht!
Daar is de Boldootkar


Naarmate de bevolking toenam, hoopte het vuil zich op en werd Nederland allengs smeriger.
Over riolering werd eindeloos geredetwist; in lang niet alle steden werd het huisvuil opgehaald.

In sommige volkswijken bewaarden de bewoners hun eigen mest op zolder;in Amsterdam hing een verstikken-de stank op de dagen dat de 'boldootkar' langs kwam.
En in Rotterdam dreef het vuil met het ritme van de getijden heen en weer op de Nieuwe Waterweg.

Een studie over de afvoer van huisvuil en menselijke ontlasting in de Nederlandse steden eind 19e eeuw draagt als titel 'Een zeer onfrisse geschiedenis' - en dat is precies wat het was.

In veel straten, vooral in de volksbuurten, kon het ongelooflijk stinken, vooral in de zomer.
In sommige dorpen werd de mest gestort op het markt-plein, de straatgoten deden dienst als riool.
Het kon ook erger.
In de volkswijken van Amersfoort, Coevorden en Roermond bewaarden de bewoners hun faecaliën op zolder, in de kelder en zelfs onder de bedstee.
De mest werd later gebruikt voor de moestuin of verkocht aan de boeren, een mooie manier om er een paar stuiver bij te verdienen.

In lang niet alle steden werd het huisvuil opgehaald.
In Tilburg bijvoorbeeld, toch een stad met bijna 50.000 inwoners, gebeurde dat in 1910 slechts in de betere wijken. Overal lagen vuilnisbelten.
In 1900 klaagde een commissie dat het oppervlakte-water sterk verontreinigd was; op bijna alle sloten, rivieren en grachten dreef rommel of lag een korst van vuil.

TONNENSTELSEL EN BOLDOOTKAR

De medische wereld sprak over een onhoudbare toe-stand en wees op de gevaren voor de volksgezondheid, zeker als het oppervlaktewater tegelijk ook drinkwater was.
De plaatselijke autoriteiten voerden ook op dit terrein lange tijd een weinig actief beleid.
Veel gemeentebesturen werkten het vuil de stad uit of lieten het stroomafwaarts drijven.

Zo schuierde het vuil van Middelburg in het Kanaal door Walcheren tegen de sluizen van Veere en dreef het Rotterdamse volgens het ritme van de getijden heen en weer op de Nieuwe Waterweg.
De Amsterdamse gemeenteraad besloot in 1907, na jarenlange discussies, het stadsvuil ongezuiverd te lozen in de Zuiderzee.

In een aantal steden werd aan het einde van de vorige eeuw min of meer regelmatig de menselijke ontlasting opgehaald.
Dat gebeurde via het zgn. tonnenstelsel voor 'vloeibaar vuilnis'.
Een paar keer per week - of dagelijks als er in de stad cholera of tyfus heerste - kwam de reinigingsdienst langs om de tonnen en emmers op te halen die in huis of voor de deur al klaar stonden.
De inhoud ervan werd in de 'boldootkar' gestort.
Maar omdat de tonnen zwaar waren en tot schouder-hoogte opgetild moesten worden, werd er bij dit over-gieten nogal eens gemorst.
De vuiligheid en stank op straat waren op zulke dagen vaak weerzinwekkend, en ook in huis ging er nogal eens wat mis bij het sjouwen met de tonnen.

TOBBEN OVER EEN OPLOSSING

Een kwart eeuw lang is er in Nederland gediscussieerd over de vraag of de aanleg van riolen de oplossing zou zijn voor het probleem van het onsmakelijke tonnenstelsel.
Afvalwater en ontlasting zouden dan, via een stelsel van gemetselde rioolleidingen, naar een zuiveringsplaats worden gevoerd om daar gecomposteerd of (als mest) verkocht te worden.

Het leek eenvoudig, maar de bezwaren hoopten zich op.
De aanleg van een riolenstelsel was duur. En zou zo'n gemetseld systeem op de duur niet gaan lekken of breken, met een omvangrijke bodemverontreiniging als gevolg?
En hoe moesten de riolen eigenlijk worden doorgespoeld, in een land met zo weinig hoogteverschillen?

Zou het vuil op bepaalde plaatsen niet aaneen koeken en vervolgens gassen gaan vormen die, via het riool zouden binnendringen in de huizen?
En dan de zuivering van al dat rioolwater!
Het was bekend dat hier en daar in het buitenland riool-water werd uitgestort op onvruchtbare gronden - 'vloeivelden' noemde men die- of dat het werd gefilterd en chemisch of biologisch gezuiverd.
Dat laatste procédé werkte echter niet zo goed.
En hoeveel oppervlak aan vloeiveld had men wel niet nodig om al dat rioolwater kwijt te kunnen?

De oplossing van Liernur

De generatie van omstreeks 1900 zag het probleem
wel degelijk.
Het bedreigde de gezondheid, het was iedere dag te ruiken en bodem en oppervlaktewater raakten steeds meer vervuild.
Technisch waren er wel mogelijkheden.

Een ervan was het zgn. Liernurstelsel, bedacht door de Haarlemmer Charles T.Liernur.
Hij wilde gescheiden riolen voor menselijke ontlasting en voor was- en regenwater.
De eerste moest door sterke ijzeren buizen en onder druk worden afgevoerd naar grote reservoirs van waar-uit ze, na ontgast en verdund te zijn, over de akkers werd uitgespreid.
Het gehele systeem zou gefinancierd kunnen worden uit de opbrengst van deze mest.
Het was- en regenwater zou worden afgevoerd via gemetselde riolen.

Het revolutionaire van Liernurs vinding was dat hij, in plaats van water, luchtdruk gebruikte om de toiletten en rioolbuizen door te blazen; zo werd schoon water gespaard.
Dat het systeem werkte kon Liernur aantonen aan de hand van de toepassing ervan in het garnizoen van Praag waar op deze wijze de ontlasting van een kleine tien-duizend soldaten werd afgevoerd.

Desondanks kreeg hij veel kritiek, waarop hij vervolgens uiterst fel reageerde.
Met name in de toepassing van luchtdruk hadden maar weinig van zijn tijdgenoten vertrouwen.
De polemiek over het Liernurstelsel verduisterde jarenlang een zinvolle discussie over de voor- en nadelen ervan.

Toch is het systeem ook in Nederland toegepast.
In Leiden en Amsterdam heeft het ongeveer 45 jaar lang gewerkt, tot in de Eerste Wereldoorlog.
Daarna is men ook daar de riolen toch weer gaan door spoelen met water.

naar inhoud 1900 naar index