|
Afscheid
putzwengel
Goed
drinkwater was in 19e-eeuws Nederland een schaars artikel.
Omdat
de slechte kwaliteit de volksgezondheid bedreigde werden vanaf 1853 in
geheel Nederland waterleidingnetten aangelegd.
Goed
drinkwater is voor het dagelijkse leven en de volks-gezondheid van groot
belang.
Maar halverwege de 19e eeuw schortte er nogal wat aan. Veel zelfs.
In Rotterdam
kwam het drinkwater voor tienduizenden huishoudens uit de Nieuwe Maas
- maar die deed ook dienst als verzamelriool voor een groot deel van de
stad!
Elders
gaf men, waar mogelijk, dan ook de voorkeur aan grond- boven rivierwater,
al kon ook dat buitengewoon slecht zijn.
Regen- en putwater bevatten talloze bacteriën en ijzer-delen; het water
uit zulke bronnen had vaak een bruine kleur en smaakte niet echt lekker.
Enkele streken op de zandgrond uitgezonderd, de omgeving van Nijmegen
bijvoorbeeld, was de drinkwatervoorziening in Nederland dan ook een groeiend
probleem.
Dat de cholera tot laat in de 19e eeuw slachtoffers maakte, vormde daarvan
een bewijs.
Geleidelijk groeide daardoor de overtuiging dat er slechts één oplossing
was: een net van leidingen dat schoon drinkwater naar de huizen zou brengen.
De opkomst van het leidingwater
Haarlem
en Amsterdam waren de eerste steden die leiding-water kregen, al in 1853
zelfs.
Dat was te danken aan de Amsterdamsche Duinwatermaat-schappij, een onderneming
die met Engels kapitaal en Engelse machines werkte en voornamelijk door
Engelse ingenieurs werd geleid.
Rotterdam en Den Haag kregen pas in 1874 een eigen waterleidingbedrijf.
Voor
al die steden gold overigens dat aanvankelijk slechts een kleine groep
bevoorrechten van het koele en heldere leidingwater gebruik kon maken.
De meeste stadsbewoners, zeker in de arbeiderswijken, bleven aangewezen
op pompen, putten en zelfs de gracht. Toch groeide het leidingennet gestaag.
In 1899
telde Nederland 56 waterleidingbedrijven, in 1911 waren het er al honderd.
Daarvan profiteerden echter vooral de bewoners van de grotere gemeenten.
Grote delen van het platteland zouden nog tientallen jaren van leidingwater
verstoken blijven.
Vooral het doortrekken van het net naar afgelegen huizen was (te) duur.
Bovendien zagen veel boeren en andere plattelandsbewoners het nut van
die kostbare nieuwigheid niet in.
De eerste
streekwaterleiding werd tussen 1910 en 1913 aangelegd op Zuid-Beveland.
De opzet ervan diende als voorbeeld voor andere gebieden, met name omdat
de ramingen over kosten, inkomsten, exploitatie en (langzaam) stijgend
verbruik al heel gauw correct bleken
te zijn.
Bij de voorbereidingen was men er op Zuid-Beveland van uitgegaan dat huishoudens
per persoon tussen de 25 en 52 liter water per etmaal zouden gebruiken.
Voor
de aangeslotenen gold een zgn. 'kamertarief': er moest betaald worden
naargelang een woning vertrekken telde.
Het waterleidingbedrijf.
Het
had overigens nogal wat voeten in de aarde voor de putzwengel buiten bedrijf
kon worden gesteld omdat er voortaan water uit de keukenkraan kwam.
De procedure,
voornamelijk technisch en financieel van aard, begon doorgaans met een
comité en een rapport.
Dat eerste was er meestal snel genoeg.
Het rapport, dat uiteindelijk moest worden goedgekeurd door de minister
van Binnenlandse Zaken, vroeg wat meer tijd.
Het moest bijvoorbeeld aantonen dat er in de bodem vol-doende water van
behoorlijke kwaliteit zat; er moest een 'prise d'eau', zijn, een waterwin-plaats.
In het rapport moest verder duidelijk worden gemaakt op welke wijze het
water opgepompt en gezuiverd zou worden, wat de bouw- en exploitatiekosten
van het bedrijf zouden zijn en of er in het gebied voldoende particuliere
en indus-triële afnemers waren om binnen enkele jaren voor een rendabele
exploitatie te kunnen zorgen.
Voor
het oppompen van het water werd gebruik gemaakt van stoommachines, verbrandingsmotoren
of, vooral na 1910, van elektrische energie.
Het pompstation was doorgaans ondergebracht in het hoofdgebouw, de zuiveringsinstallaties
in een of meer bijgebouwen of in de openlucht.
In deze installaties werd het water ontijzerd en van andere ongerechtigheden
ontdaan.
Van
groot belang waren ook het ontwerpen en aanleggen van een hoofdbuizennet
en een daarop aangesloten, plaatselijk distributienet.
Het hoofdbuizenstelsel werd zo gepland dat het door
de dichtstbevolkte gebieden van het waterleidingbedrijf liep. De aanleg
ervan kostte vaak heel wat hoofdbrekens, zeker als het stelsel rivieren,
kanalen of brede sloten kruiste of onder spoorlijnen door ging.
Op al deze kritieke punten moesten extra voorzieningen worden getroffen
om breuk en verzakking te voorkomen.
En bij elk distributiecentrum van enige betekenis moest
een watertoren worden gebouwd waarin het water uit het systeem omhoog
werd gepompt om het plaatselijke water-leidingnet onder druk te houden
en van een buffervoorraad te voorzien voor het geval de wateraanvoer even
zou stokken.
Watertorens
zijn tot na de Tweede Wereldoorlog nodig geweest om voldoende druk in
de leidingbuizen te houden.
Vooral onder de oudste watertorens uit deze periode bevinden zich nogal
wat architectonische curiositeiten die inmiddels, terecht, zijn aangemerkt
als monumenten van industriële archeologie.
In de meeste gevallen zijn ze niet ontworpen door bouw-meesters van naam
maar door waterbouwkundigen die zich, zijdelings, toch hebben laten beïnvloeden
door de destijds populaire neostijlen.
Elk
waterleidingbedrijf, of het nu een streek of een stad bediende, had een
omvangrijk personeelsbestand.
Behalve uit een directeur, een boekhouder en een aantal klerken bestond
het voornamelijk uit een technische dienst (machinisten in het pompstation
en in de watertorens; fitters voor aanleg, onderhoud en reparatie van
leidingen en aansluitingen) en een legertje meteropnemers en geldophalers.
Er zat brood in het water, begin deze eeuw. En dat zou daarna niet meer
veranderen.
De zichtbare
getuigen van de aanleg van eerste waterleidingnetten zijn de vele watertorens
uit die periode.
Vele zijn architectonische curiositeiten die het waard zijn bewaard te
blijven als monumenten van industrie en techniek. In sommige gevallen
is hun behoud al verzekerd.
|