Hotelbedrijf


 

 

 

 

Hotel Krasnapolsky in Amsterdam,
begonnen als koffiehuis,
was omstreeks 1900 onder anderen beroemd om zijn 'wintertuin':
een serre-achtige zaal waaraan een weelde van orangerie-planten
ook 's winters een subtropisch karakter verleende.


 

 

 

 

 

 

 

 

Karakteristieke menukaart van het Amsterdams American Hotel
voor een besloten diner eind 1895.

Op de achterzijde ervan staan de handtekeningen van de gasten,
zo'n twintigtal.
Zo te zien moeten ze zwaar hebben getafeld.

 

 

 

 

 

 

 

 

de twee luxueuze automobielen,
kruisingen tussen een personenauto en een autobus,
waarmee het American Hotel zijn gasten en hun bagage
begin jaren twintig van he station haalde.

In een tijd waar zelfs de elite nog vaak per trein reisde
was dit een service die op hoge prijs gesteld werd.

  Afscheid van de herbergier
 

 

De herbergier had het moeilijk aan het einde van de 19e eeuw.
Want als hij met zijn tijd mee wilde moest hij hotelier worden.
En daar kwam ook toen al het een en ander voor kijken.

In de grote steden, maar ook wel elders, verrezen vanaf 1870 de eerste grand hotels:
paleizen voor de happy few waar wel wat meer te koop was
dan een wankele wastafel met waskom en lampetkan.
Ze hadden ijsmachines en vaatwassers en zelfs hydranten voor als er brand was.

 

 

Tussen 1870 en 1880 bloeide het hotelbedrijf plotseling op, niet alleen in Nederland maar in geheel Europa.
De oorzaak lag voor de hand: sterk verbeterde reismogelijk-heden en een groei van het aantal vakantiereizen -zij het dat deze laatste voornamelijk nog voor rekening kwam van de beter gesitueerden.

Nederland kreeg in deze tijd een paar nieuwe hotels die sinds-dien hun faam hebben gehouden.
Het Amsterdamse Amstel Hotel bijvoorbeeld, gebouwd als een prestigehotel voor vreemdelingen.
Bij een aantal moderniseringen in het begin van de 20e eeuw werd het voorzien van allerlei moderne gemakken.
Zoals elektrisch verlichte kamers, met warm en koud stromend water en telefoon; 63 van de 145 kamers hadden zelfs een privé badkamer.
Het hotel had elektrische liften en in de ruime hal -
een reclamefolder sprak zelfs van 'majestueus' - was
een reisbureau gevestigd waar de gasten voor alle scheepvaartlijnen en treinverbindingen kaartjes konden kopen.

   
 

Hotel Krasnapolsky, eveneens in Amsterdam, kreeg zijn huidige vorm in 1893.
Kort daarvoor had A.W.Krasnapolsky het oorspronkelijke koffiehuis en een paar aangrenzende panden opgekocht in verband met de naderende Wereldtentoonstelling.
In korte tijd liet hij het complex aan de Dam ombouwen tot omvangrijk hotel-café-restaurant.

Kort voor de Eerste Wereldoorlog telde 'Krasnapolsky'
een honderdtal kamers, voorzien van elektrisch licht en
centrale verwarming.
'Kras' was verder beroemd vanwege zijn biljartzaal,
zijn leeszaal en vooral zijn 'wintertuin'.

 

'Hotel de l'Europe', bij de Amsterdamse Munt (al sinds de 17e eeuw een chique herberg die toen nog 'Rondeel' heette),
werd in 1910 grondig gemoderniseerd.
Het had 110 kamers en 48 badkamers, centrale verwarming
en een fraaie eetzaal met zicht op Muntplein.
Bovendien had 'l'Europe' een aantal zalen voor besloten party's en een eigen stoomwasserij.

Aan het Leidseplein, naast de Amsterdamse Stadsschouwburg, verrees het hotel 'American'.
Aan datzelfde plein lag het beroemdste restaurant van
de hoofdstad, 'Trianon', dat in vijf zalen vierhonderd gasten
kon ontvangen.
Het had onder andere een prachtige Louis XVI-zaal en
een Salon Empire. een exacte kopie van een paleiszaal in het Franse Compiègne.

Den Haag had aan de Lange Poten zijn Grand Hotel 'Central', geroemd om de luxe van zijn inrichting.
Eveneens in Den Haag nam het beroemde Hotel des Indes
een belangrijke plaats in.
En ook elders in Nederland verrezen in die jaren nieuwe, moderne hotels, met een eigentijdse accommodatie en met faciliteiten die tegemoetkwamen aan de wensen van de happy few die indertijd de basis legden voor het moderne toerisme.

  Accommodatie
  Het zal duidelijk zijn dat er een grote kloof gaapte tussen deze grand hotels en de eenvoudige onderkomens voor de gewone reiziger.
Die stonden, vooral in de provinciesteden, dicht bij het station
of aan het marktplein.
In deze etablissementen geen marmeren wastafels met koud
en warm stromend water, geen liften, in de meeste gevallen
ook geen elektrisch licht.
De kamers varen eenvoudig, met een krakend ledikant en
een tafeltje waarop een waskom en een gevulde lampetkan.

Het waren dan ook niet deze hotels, per traditie 'Het Witte Paard', 'De Postkoets' of 'Het Wapen van Munster' geheten, waarover de bonzen van de Duitse en Nederlandse Hotel-houdersbond tijdens hun Berlijnse congres van 1911 snoefden dat ze gezien moesten worden als 'een maatstaf van
de ontwikkelingsgang der beschaving'.

Uit de stukken van dat congres blijkt hoe de hotelbranche zich wilde voorbereiden op de nieuwe tijd.

Veel zorg was er voor de hygiëne, met name in de keukens en provisiekamers.
In de betere hotels waren de keukenwanden betegeld en zorgden ventilatoren voor de afvoer van waterdamp en kook-luchtjes. In de koelkamers, met een temperatuur van 4° C, werden de levensmiddelen bewaard.

Nieuwer nog waren de ijsmachines die de temperatuur in
de koelkasten tot onder nul brachten, voor het bewaren van vlees en wild, en die bovendien ijs produceerden voor het koelen van de drankjes.

Een ander nieuwtje was 'de onberispelijk werkende vaatwas-machine... een meesterstuk van moderne techniek'.
Ze kon in één uur meer dan duizend stuks vaatwerk wassen, spoelen en drogen.
Bijkomend voordeel: de machine leverde droog serviesgoed, zodat het minder hygiënisch afdrogen met vieze droogdoeken tot het verleden behoorde.

Er was meer.
Het moderne hotel had, anders dan zijn voorgangers, ruime entrees en brede trappen en gangen, ook op de verdiepingen.
Veel aandacht was er voor de veiligheid, met name in geval
van brand.
Door de verruiming van gangen en trappen verminderden
de risico's als het hotel snel ontruimd moest worden en op iedere etage zouden voortaan 'hydranten' aanwezig zijn: brandblusapparaten.

De redacteur van 'De Hotelhouder' kon na het Berlijnse congres
dan ook alleen maar tot een zonnige conclusie komen.
'Zoo zijn dus onze nieuwerwetsche hotelpaleizen een spiegelbeeld,
waarin de overwinningen der techniek en de vlucht van de hygiënische gedachte in wondere klaarheid te herkennen zijn.'

Rozegeur en maneschijn dus - maar zo was de werkelijkheid
nu ook weer niet.
De moderne hotelhouder aan het begin van de 20e eeuw was inderdaad iemand anders dan de gemoedelijke herbergier
van voorheen.
Maar hij moest nog wel leren dat het hotelbedrijf inmiddels
met zakelijk inzicht geleid diende te worden en dat hij
daarvoor economische kennis moest hebben, op zijn minst
enig idee van een juist personeelsbeleid, wat talenkennis en liefst ook nog wat benul van wetskennis, boekhouding en moderne bedrijfsvoering.
De grote hotels huurden dat alles in; de kleinere zouden met schade en schande wijs worden.

naar inhoud 1900 naar index