DE ZEEVISSERIJ

 

 

 

Vlaardingen had omstreeks de eeuwwisseling
een van de grootste haringvloten van het land.
In 1897 bracht deze vissersplaats
de eerste Nederlandse stoomlogger in de vaart,
vier jaar later gevolgd door de eerste motorlogger.
Deze opname uit 1911
toont een van de laatste Vlaardingse stoomloggers, de Neerlandia'.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Door de opkomst van de trawlvisserij na 1900
steeg de aanvoer van verse zeevis
in korte tijd tot het dubbele en nam ook de variëteit toe.
Vooral in de grote steden leidde dit
tot de komst van gespecialiseerde viswinkels
met een groot en verscheiden aanbod,
zoals deze van Hiemstra en De Jong in Amsterdam.

De foto is uit 1914;
op het bord met aanbiedingen staan vissoorten
die inmiddels uit het assortiment zijn verdwenen.

 

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Traditie onder stoom

 

 

Tot 1870 veranderde er weinig in het traditionele patroon van
de Nederlandse zeevisserij. Vervolgens drongen ook daar
de vernieuwingen door— en dat kostte slachtoffers.


De 'grote visserij' was eeuwenlang de visserij ter haring.
Ze genoot faam en werd door de overheid in de watten gelegd.
Maar aan de vooravond van de 20e eeuw veranderde dit en binnen twintig jaar was de verouderde vloot van buizen en hoekers vrijiwel geheel vernieuwd.

Eeuwenlang had de Nederlandse overheid de 'grote visserij',
dat wil zeggen de haringvangst, de hand boven het hoofd gehouden.
Dat had de vissers in staat gesteld hun traditionele bedrijf op
de vertrouwde manier voort te zetten zonder zich te veel te bekommeren om vernieuwing.
Ze visten als vanouds in ouderwetse, onhandige en zware scheepstypen (haringbuizen en hoekers) en voeren alleen tussen september en november ter haringvangst naar de Doggersbank, onder de Engelse kust. De rest van het jaar visten ze dichter bij huis met de beug op plat- en rondvissen.
Maar omstreeks 1870 kwam aan deze overheidsbescherming een einde en moest er iets gebeuren.
Twintig jaar later had de haringvisserij dan ook een ware gedaante-verandering ondergaan.
De actieradius was aanzienlijk vergroot, het bedrijf werd niet langer seizoenmatig uitgeoefend en met name de rondgebouwde hoekers waren vrijwel van de zee verdwenen.
Ze waren vervangen door de moderne logger.

HET DRIJFNET VERNIEUWD

Deze vervanging vond mede haar oorsprong in de modernisering van het vistuig. Sinds mensenheugenis had de visserij ter haring gebruikgemaakt van zeer zware, uit hennep vervaardigde drijfnetten. Deze hingen als een gordijn in het water, rechtop gehouden door drijvende houten tonnetjes - en zo wachtten
de stilliggende schepen dan op de komst van de scholen haring.

Omstreeks 1865 echter kwamen lichtere netten van katoen beschikbaar. Daardoor nam de lengte van de vleet (het totaal aan uitgezette netten) aanzienlijk toe en stegen de vangsten.
Door het gebruik van deze produktievere netten ontstond echter een wanverhouding tussen zowel de zware, trage schepen en het lichte vistuig als tussen het aantal vaar- en visdagen.
Het ruim was nu immers sneller vol — en dan begon de moeizame en in feite onproduktieve thuisreis met de logge hoekers.

Het antwoord bestond uit de veel lichtere en snelzeilende logger. Maar omdat het vervangen van schepen tijd kostte, duurde het tot 1886 voor de laatste hoeker uit de vaart was genomen.
In 1916 echter had de Nederlandse haringvloot met 900 loggers
een recordomvang bereikt en beschikte ze over een viscapaciteit welke die van de Gouden Eeuw, de topperiode in de Nederlandse zeevisserij, ver achter zich had gelaten.

Verreweg het grootste gedeelte van deze vernieuwde vloot bestond overigens nog uit zeilschepen. Hoewel Vlaardingen in 1897 als eerste vissershaven een stoomlogger in de vaart had gebracht en vier jaar later de eerste motorlogger volgde, vond de stoomkracht in de haringvisserij slechts mondjesmaat toepassing. En zolang de schepen tijdens de vangst stillagen leek de nieuwe aandrijfkracht ook niet zo nodig.
Toch was stoom ook voor de haringvisserij van belang.

Zo was er de stoomspil waarmee in vrij korte tijd de kilometers lange vleet machinaal kon worden binnengehaald. Traditioneel gebeurde dat met handkracht: zeer zwaar werk dat bij ruwe zee bovendien veel extra arbeid kostte die de groeiende vloot eigenlijk beter kon gebruiken.
Toch duurde het tot 1895 voor op de Nederlandse loggervloot
de eerste stoomspil werd geïnstalleerd. Want de visserij mocht zich dan wel vernieuwen, zo snel ging het allemaal ook weer niet.
Gezien de vertienvoudiging van de vangsten tussen 1850 en 1900 hoefde dat ogenschijnlijk ook niet.

DE TRAWLER: VAREND VISSEN

Aanzienlijk sneller verliepen sinds 1898 de opkomst en ontwikkeling van een geheel nieuwe tak in de zeevisserij, de met stoomschepen bedreven trawlvisserij.
De op dat moment nog onbetekenende vissersplaats IJmuiden bracht dat jaar de eerste stoomtrawler in de vaart.
Daarna ging het snel; in 1914 had de Nederlandse trawIervloot al een omvang van 155 schepen.

Anders dan in de haringvangst ging het in de trawlvisserij om schepen die tijdens het vissen bleven varen en waarvoor stoom en motorvermogen dus wel degelijk van belang waren.
De trawlers werkten ook niet met drijfnetten. maar sleepten hun netten aan weerszijden van het schip over de zeebodem.
Ook dat vergde een kracht die het zeilschip niet kon leveren.
Door de ontwikkeling van de trawlvisserij en de komst van ijskoeling aan boord werd het plotseling mogelijk grote hoeveel-heden verse schol, tong, schelvis en kabeljauw aan te voeren.
Tot dan toe was men voor deze soorten aangewezen op het vissen dicht onder de kust, door beugvissende haringbuizen of met behulp van platboomde bomschuiten.

Door de nieuwe ontwikkelingen breidde het vangstgebied zich plotseling uit over de gehele Noordzee en zelfs tot in de IJslandse wateren.
De vangsten stegen tot recordhoogten, maar er was een markt voor.
Hoewel de binnenlandse consument meer dan de helft van
de trawlervangst opnam steeg de uitvoer van verse vis tussen 1900 en 1914 met zo'n 100 procent.
Het grootste gedeelte ging naar Duitsland.

De veranderingen op zee gingen gepaard met ingrijpende vernieuwingen en verschuivingen aan de wal.
Van beslissende betekenis was daarbij de opkomst van IJmuiden, ontstaan aan de monding van het zojuist gegraven Noordzeekanaal (1876).
In 1896 kwam hier de Rijksvisserij haven gereed die niet alleen een uitstekende accommodatie bood aan de moderne trawler-vloot, maar in 1897 bovendien werd aangesloten op het spoorwegnet.
In 1899 volgde de Rijksvisafslag waarvan de opbrengst al
in 1914 was gestegen tot meer dan zeven miljoen gulden.

De concentratie van de zeevisaanvoer en -handel aan
de monding van het Noordzeekanaal ging ten koste van andere vissersplaatsen, ook al verlegden de vissers van bijvoorbeeld Maassluis en Vlaardingen hun aanvoer naar IJmuiden en kreeg Scheveningen in 1904 zelfs een eigen, moderne vissershaven.

Maar met Middelharnis, Zwartewaal en Pernis was het gedaan.
Ook de Zuiderzee- en de Waddenvisserij kregen het zwaar te verduren.
Op de zgn. Zuidwal verdween de visserij uit Elburg en Harderwijk; meer noordelijk gelegen havens als Enkhuizen, Stavoren, Lemmer en Hindelopen wisten zich te handhaven, maar kregen te kampen met overbevissing van hun traditionele visgronden.
De aanleg van de Oranjesluizen in Amsterdam, waardoor het IJ niet langer in open verbinding stond met de Zuiderzee, vormde een nieuw en geducht probleem voor de afzet van de Zuiderzeevisserij.
Onder andere Volendam en Huizen werden hiervan het slachtoffer. Alleen Urk en Marken ontsprongen de dans doordat ze de haringvangst op de Noordzee gebruikten om hun bedrijf op de Zuiderzee gaande te houden als een vorm van seizoenvisserij.
Terwijl de Noordzeevisserij omstreeks de eeuwwisseling dus hoogtijdagen beleefde, ging die op de Zuiderzee een weinig hoopvolle toekomst tegemoet.
Al had dat uiteindelijk ook andere oorzaken.

naar inhoud 1900 naar index