|
DE
ZEEVAART

Op
de grote passagiersschepen
waren altijd prentbriefkaarten van het schip in kwestie te koop.
Wegens de vele buitenlandse passagiers werden ze in diverse talen gedrukt.
De kaarten konden vanuit het scheepspostkantoortje verzonden worden.

Voorbeeld
van de luxueuze wijze
waarop de grote passagiersschepen
uit het begin van de 20e eeuw
werden afgewerkt, althans in de eerste klasse.
Dit
is het interieur van de conversatiezaal
op een van de nieuwe schepen van de Holland-Amerika Lijn.
De passagiers verpoosden zich er
of luisterden er naar de muziek van de scheepspianist.

Reclameaffiche
van de NASM,
de latere Holland-Amerika Lijn.
De eerste schepen van deze rederij
waren tweedehands gekocht in Engeland
en voeren nog op een combinatie van stoom- en windkracht.
Pas in 1898 liet de HAL haar eerste moderne passagiersschepen bouwen.
|
|
Vaart
op Amerika
Nederland schreef
wat laat in voor de race om de transatlantische passagiersvaart. Toch
lukte het de Holland-Amerika Lijn zich te ontwikkelen tot een toonaangevende
rederij.
Tussen de luxe van
de eerste klasse en de soberheid van het tussendek gaapte een onmerzienbare
kloof.
Slechts één keer werd die sociale barrière geslecht:
toen de stampvolle 'Nieuw Amsterdam' in augustus 1914 het Europese oorlogstoneel
ontvluchtte.
Zeereizen waren omstreeks
de eeuwwisseling voor de meeste Europeanen luxe of bittere noodzaak. Het
eerste gold voor
de welgestelden die op de grote oceaanstomers de state-rooms van de eerste
klasse bevolkten; het tweede voor de gewone man die uitsluitend scheep
ging als de economische nood hem dwong
als landverhuizer op zoek te gaan naar een beter bestaan elders.
Ten behoeve van de
rijken was aan boord van de schepen niets nagelaten om een smaakvolle,
statig-stille sfeer te scheppen.
De interieurs varieerden van rooksalons met mahoniehouten lambrizering
voor de mannen tot weelderige theesalons voor
de dames. Er waren palmentuinen die diffuus verlicht werden door gebrandschilderde
ramen; elders aan boord straalden eet-
en danszalen een aristocratische overvloed uit. Wanden en plafonds waren
voorzien van romantische paneelschilderingen. Omstreeks de eeuwwisseling
veranderden veel passagiers-
schepen in drijvende art-décopaleizen.
Zolang de eerste-klassepassagier zich niet naar het promenade-
dek begaf voor een verfrissende wandeling was er op zijn deel van het
schip weinig dat hem herinnerde aan het feit dat hij op zee was.
Hoe anders zag het
er tussendeks uit, op de lagergelegen niveaus van het schip waar de landverhuizers
de overtocht maakten.
In plaats van lambrizeringen en decoraties slechts witgeschilderd staal;
in plaats van overdadige luxe wat pover houten meubilair dat doorgaans
wel schoon maar toch vooral schamel was.
Ze werden vervoerd en kregen te eten, daarmee was het wel gezegd. Hetgeen
niet wegneemt dat de rederijen van passagiers-
schepen het economisch goeddeels moesten hebben
van het vervoer van deze landverhuizers.
PRESTIGE EN COMPETITIE
Voor de Europese
grootmachten Engeland, Frankrijk en Duits-
land waren de luxe en de grandeur van hun grote oceaanstomers een demonstratie
van technisch en artistiek kunnen.
Trendsetter was de Britse White Star Line die in 1889 d
e 'Teutonic' in de vaart nam, de eerste echte oceaanreus.
Nederland was in de grote passagiersstoomvaart een laatkomer. Pas in 1873
werd in Rotterdam de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij
(NASM) opgericht, sinds 1896 beter bekend als de Holland-Amerika Lijn
(HAL). De NASM begon haar diensten met tweedehands schepen die ze overnam
van
de White Star Line. Gemakkelijk had de jonge rederij het bepaald niet;
de vaart op de Verenigde Staten was aanvankelijk bijzonder verliesgevend.
Als gevolg van een reeks economische crises in de VS bleef het aantal
landverhuizers ver beneden de verwachtingen. Hun aantal was begroot op
zo'n 400 per reis. Maar in 1874 vervoerden
de twee schepen van de maatschappij er per afvaart gemiddeld niet meer
dan 75.
Die situatie was
overigens niet uniek voor Nederland.
De NASM had alleen de pech dat ze op een laat en precies het verkeerde
moment met haar activiteiten was begonnen. Ingeklemd tussen concurrentie
en nationaal prestige richtten
de NASM en een aantal Duitse rederijen in januari 1892 het Nordatlantischer
Dampfer-Linien Verband op, voornamelijk met de bedoeling de concurrentiestrijd
te beperken. Twee jaar later, op het dieptepunt van de transatlantische
scheepvaart, trad ook een aantal Britse rederijen tot dit kartel toe.
Het onderlinge gevecht om het vervoer van de tussendekpassagiers werd
beëindigd door een afspraak over minimumpassagetarieven.
DE HOLLAND-AMERIKA
LIJN
De Nederlandse rederij
moest het vooral hebben van het vervoer van buitenlandse emigranten naar
de Nieuwe Wereld; Nederlandse landverhuizers waren er niet zoveel. In
dit kader werd beginjaren negentig in Rotterdam een landverhuizershotel
gebouwd. Voornaamste doel ervan was overigens niet zozeer
de passagiers-emigranten te gerieven dan wel een oogje te houden op hun
gezondheid. Schepen waarop een besmettelijke ziekte heerste - en dat gebeurde
nogal eens - mochten in New York immers hun passagiers niet aan land zetten.
Het initiatief werkte; de HAL heeft aan boord van haar schepen nooit te
maken gekregen met epidemieën van cholera of andere gevaarlijke ziekten.
Na 1894 ging het de rederij financieel steeds beter. Eind 1898 konden
daarom drie moderne oceaanreuzen worden besteld bij de Noordierse scheepswerf
Harland & Wolft te Belfast,
de toonaangevende internationale scheepsbouwers van die tijd.
Het waren de 'Potsdam', de 'Rijndam' en de 'Noordam', elk ruim 12.500
ton.
Vanaf 1898 werd er eindelijk winst gemaakt en aan het begin van de 20e
eeuw behoorde de HAL tot de toonaangevende rederijen op de transatlantische
vaart.
Tussen 1890 en 1914 vervoerde de maatschappij in totaal zo'n 1.333.500
landverhuizers, tegen ruim 390.000 'kajuitpassagiers' in de eerste en
tweede klasse. Daarnaast vervoerden de schepen ook veel vracht: tussen
1898 en 1914 zo'n 13 1/2 , miljoen ton. Ruim 70 procent ervan werd in
New York als retourlading aan boord genomen. Het ging meestal om bulkgoederen,
zoals graan, die tegen zeer lage tarieven als ballast werden meegenomen
naar Europa.
Het belang van de zeevaart voor de Nederlandse economie was, gezien haar
kapitaalsintensieve karakter, overigens beperkt. Ze mocht tot aan de Eerste
Wereldoorlog dan wel een bloeiperiode doormaken, toch droeg ze aan het
nationaal inkomen nooit meer bij dan 3 tot 4 procent.
ETEN BIJ TOERBEURT
Bij het uitbreken
van de oorlog in 1914 kwam de Holland-Amerika Lijn in ernstige problemen.
Gaandeweg kwam een steeds groter deel van haar vloot stil te liggen.
Bij het begin van de vijandelijkheden was de stomer 'Rijndam' al vijf
dagen onderweg van New York naar Rotterdam. Bij het binnenvaren van Het
Kanaal werd het schip aangehouden en doorzocht door de Britse marine maar
het mocht zijn reis voortzetten.
De 'Rijndam' werd daardoor het eerste schip dat Rotterdam binnenliep na
het uitbreken van de oorlog. In de Rotterdamse haven lag de 'Nieuw Amsterdam'
te wachten op toestemming voor vertrek naar de Verenigde Staten. Voor
de reis had zich een overdaad aan passagiers aangemeld, met name gestrande
Amerikanen die spoorslags naar huis wilden.
Wegens de uitzonderlijke omstandigheden had de directie van
de HAL besloten zoveel mogelijk passagiers aan boord te nemen. Veel eerste-klassepassagiers
waren daardoor gedwongen genoegen te nemen met een accommodatie op het
tussendek. Voor één keer waren de sociale barrières
tussen de verschillende dekken geslecht. Er waren zoveel passagiers aan
boord dat ze alleen bij toerbeurt konden eten; in alle eetzalen bleven
de tafels de gehele dag gedekt en in de kombuizen werden gedurende
de gehele reis overuren gemaakt.
|