|
VERGISSING
VAN DE HERENSOCIËTEIT
Wilhelmina was er door haar moeder voor opgevoed
het koningschap volledig waar te maken.
Achter haar onschuldige voorkomen als jong meisje was
ze op en top vorstin: zelfbewust, met de nodige geldings-drang en vol
strijdlust.
Ze voelde zich persoonlijk geroepen tot haar taak en zette zich daarvoor
ook volledig in:
'Mijn liefde voor het Vaderland was als een verterend vuur, en dat
niet alleen in mij, zij leefde zich uit in felheid om mij.'
En zo
kwamen de ministers omstreeks 1900 tegenover een vorstin te staan die
zich geen knollen voor citroenen liet verkopen.
Evenals haar moeder was ze een vreemde eend in de bijt van de herensociëteit
die in deze periode de Nederlandse politiek bepaalde: ministers van 60
jaar en ouder waren geen uitzondering.
Zelfs als Wilhelmina een jongen zou zijn geweest zou ze in dit gezelschap
van 's lands notabelen nauwelijks serieus zijn genomen.
Kuyper
en consorten ontdekten pas achteraf dat ze zich vergist hadden in het
lieve kind- toen ze merkten dat ze scherp gecontroleerd werden door een
wilskrachtige vrouw die fel reageerde, kritische vragen stelde en zich,
als een geduchte tegenspeelster, danig liet informeren om weerwerk te
kunnen leveren bij kabinetsformaties en ministerscrises.
Wilhelmina maakte al aan het begin van haar vijftig jarige regeringsperiode
haar ambitie waar: ze wilde van meet af aan middelpunt zijn van staatkundig
beraad en vertrouw-elijk overleg.
Een middelpunt waar niet altijd de politieke beslissingen vielen (dat
gebeurde uiteraard in de ministerraad) maar waar die beslissingen wel
werden gewogen en nieuw beleid werd voorbereid.
De politieke top van Nederland ontdekte spoedig dat hij beter rekening
kon houden met de nieuwe vorstin en bezag haar al snel met een mengeling
van eerbied, ontzag en irritatie.
Hoe keek Wilhelmina op haar beurt tegen de 'ministers aan?
WILHELMINA
's EIGEN MENING
'Er
waren toen maar weinig figuren, die de grote proble-men beheersten, liet
ze (in 1959) aan het einde van haar leven optekenen.
'De laatste vijfenzeventig jaar hebben weinig werkelijke staatslieden
opgeleverd.'
Het
is het harde oordeel van een oude, teleurgestelde vorstin.
Maar in haar woorden is, terugblikkend, ook de jeugdige koningin van omstreeks
de eeuwwisseling aan het woord.
Van haar moeder had ze een tas meegekregen met stuk-ken over politieke
kwesties waarover Emma het met haar ministers aan de stok had gehad.
Reeds als jonge vrouw had ze zich daarom voorgenomen niet over zich heen
te laten lopen door de heren bewinds-lieden en zich krachtig te laten
gelden.
Dat leidde er bijvoorbeeld toe dat ze tijdens bepaalde kabinetscrises
de partijen zodanig tegen elkaar wist uit te spelen dat ze uiteindelijk
haar zin kreeg.
Ze besteedde vooral aandacht aan de buitenlandse politiek en de defensie
van het land.
Al in 1899 probeerde ze de Boerenoorlog in Zuid-Afrika te voorkomen door
een beroep te doen op 'de grootmoedig-heid en machtige invloed' van de
Engelse koningin Victoria.
In 1905 was ze ervan overtuigd dat Nederland volstrekt onvoldoende bewapend
was om zijn neutraliteit te kunnen handhaven en liet ze premier Kuyper
weten dat afzien van gewapende neutraliteit inhield 'dat men [zich] de
oorlogsuitgaven wel kan besparen'.
In een
belangrijke nota zette ze op heldere wijze boven-dien haar opinie uiteen
over de internationale positie van het land in een periode van oplopende
internationale spanningen. Een bondgenootschap met Duitsland of Engeland,
waarover in bepaalde kringen wel werd gesproken, ried ze af, zeker in
vredestijd;
het was om strategische redenen veel te riskant en
'het zou altijd neerkomen op de geschiedenis van de kleine boot en het
linieschip'.
Haar conclusie: 'Het schijnt dus raadzaam voorlopig geen bond-genootschap
te sluiten en daarmede te wachten tot wij door de nood ertoe worden gedrongen.'
Met zulke nota's, met kritische opmerkingen en soms ook wel met bruusk
optreden liet Wilhelmina al op jeugdige leeftijd blijken dat ze misschien
wel 'een lief meisje' was maar dat ze in de eerste plaats deel wilde nemen
aan
de grote politieke discussies die in het begin van haar regeringsperiode
in het land werden gevoerd. Of de ministers dat nu leuk vonden of niet.
AMAZONE
EN SCHILDERES
Had
Wilhelmina in deze periode nog andere interesses dan de politiek? Die
had ze inderdaad.
Al op jeugdige leeftijd had ze paardrijden geleerd en zich ontwikkeld
tot een vaardige amazone.
Te paard nam ze tijdens haar regeringsperiode dan ook vaak en met groot
gemak deel aan legermanoeuvres en legde ze met twee- en vierspannen grote
afstanden af op de Veluwe.
Ze wist veel van paarden en zelfs na haar troonsafstand hield ze een oogje
in het zeil als het ging om de bespanning van de Gouden Koets op Prinsjesdag.
Bekend
is ook dat ze haar hele leven lang graag tekende en schilderde, bij voorkeur
in de openlucht.
Maar ook bij deze liefhebberij toonde ze haar wat grimmige aard.
Toen iemand haar eens vroeg wanneer een boom op zijn mooist is antwoordde
ze zonder aarzeling:
'In de winter. Want dan toont hij zijn ware karakter.'
|