|
Sportbeoefening

De moderne Olympische Spelen,
in 1908 voor de vierde keer gehouden in Londen,
droegen aanvankelijk slechts weinig bij tot het populariseren van de
sport.
Zeker de klassieke nummers spraken in Nederland slechts een enkeling
aan.
In het gunstigste geval las men erover in de krant:
korte nieuwsberichten waarvan niemand warm of koud werd.

Golf in Engeland uiterst populair,
waaide omstreeks 1890 over naar Nederland
maar sloeg hier niet echt aan.
Populair zou deze sport pas worden
in de laren tachtig van de 20e eeuw.
Doris Nijland in de bloemetjes
na een zege op de Amsterdamse wielerbaan aan de Zeeburgerdijk (1911).
Nijland, bijgenaamd 'de Neus', was een sterke sprinter
maar bleef op de Nederlandse kampioenschappen de 'eeuwige tweede'.
|
|
De opkomst van
de wedstrijdziekte
Sport moest halverwege
de vorige eeuw nog uitgevonden worden. Dat gebeurde ook: in Engeland.
Vandaar brachten Britse gastarbeiders de nieuwigheid naar het vasteland.
Niet alleen cricket
en golf, maar ook voetbal en wielrennen waren aanvankelijk elitesporten
voor de betere kringen.
Maar lang zou dat niet duren.
Na 1900 ontdekte ook het gewone volk dat er in sommige sporten heel wat
te beleven viel.
Hoe merkwaardig het
vandaag de dag ook mag klinken:
sport was in Nederland tot ver in de tweede helft van
de vorige eeuw een vrijwel onbekend verschijnsel.
Wat er een beetje op leek waren allerlei volksspelen met
een zeker wedstrijdelement, zoals schaatsen, kolven, klootschieten en
beugelen.
Er waren geen regels en geen competities, van landelijke bonden was al
helemaal geen sprake en veel van deze volksspelen werden alleen regionaal
beoefend.
Hetzelfde gold overigens voor het grootste gedeelte van West-Europa.
ENGELAND ALS VOORBEELD
De sportbeoefening zoals wij die kennen is ontstaan in Engeland en waaide
na 1875 over naar het Europese vasteland.
Ze werd hier geïntroduceerd door de vele Britse technici en specialisten
die omstreeks deze tijd naar Nederland werden gehaald om te helpen bij
het opzetten van fabrieken en technische bedrijven.
Een van de eerste sporten die in Nederland werd beoefend was cricket.
De eerste cricket-clubs ontstonden in Deventer en Den Haag.
In de jaren negentig kwamen er meer, maar toch uitsluitend in wat nu de
Randstad heet. De sport trok weinig publiek en werd nooit echt populair.
Golf,
van Nederlandse komaf (kolven) maar in zijn moderne vorm afkomstig uit
Schotland en vanaf 1890 in ons land in club-verband beoefend, verging
het niet veel beter; deze sport zou in Nederland pas in de tweede helft
van de 20e eeuw populair worden.
Getennist
wordt er hier sinds 1892; in 1899 werd de Neder-landsche Lawn-Tennis Bond
opgericht, met clubs in Haarlem, Rotterdam, Den Haag, Hilversum en Amsterdam.
Hockey
en handy (een soort ijshockey) sloegen aanvankelijk vooral aan in Haarlem,
Overveen, Den Haag en Heerenveen.
In 1898 werd voor deze sporten een landelijke bond opge-richt die voor
spelregels en een competitie zorgde.
Atletiek
kwam in deze periode niet ècht van de grond.
Er was weliswaar een atletiekbond maar daarmee ging het zó slecht dat
hij een aantal jaren onderdak zocht bij de voetbalbond.
DE ELITE EN HET VOLK
De meeste sporten waren in deze beginperiode elitair en werden slechts in
kleine kring beoefend.
Dat gold zelfs voor wat nu typische volkssporten zijn, zoals voetballen
en wielrennen.
De wielersport ontstond pas toen de onhandige vélocipède, met haar ongelijke
wielen, was gemoderniseerd.
In de jaren tachtig gingen beter gesitueerde heren in groepsverband graag
een middagje fietsen, bijvoorbeeld in het Amsterdamse Vondelpark.
Onder leiding van een captain, met petje en fluit, draaiden de heren om
het hardst hun rondjes.
Ze gedroegen zich echter zo hinderlijk en veroorzaakten zoveel overlast
voor wandelaars met kinderwagens dat er in de Amsterdamse gemeenteraad een
rel over ontstond.
Een tijdlang ook organiseerde de 'Algemene Nederlandsche Wielrijders Bond'
hardrijwedstrijden.
Maar de ANWB hield daarmee op toen er eroepswielrenners verschenen en er
verzet rees tegen de 'wedstrijdziekte' en de minder chique bijverschijnselen
er van.
KNWU als laatkomer
Het centrum van de professionele wielrennerij lag in die tijd overigens
in Vlaanderen en Noord-Frankrijk.
Typerend is dat de Koninklijke Belgische Wielrenners Bond al in 1882 werd
opgericht, maar haar Nederlandse tegen-hanger, de KNWU, pas in 1928.
Nederland
had weliswaar een paar befaamde wielrenners,
maar een echt vooraanstaande rol speelden die inter-nationaal toch eigenlijk
niet.
In de grote wegwedstrijden van vóór de Eerste Wereld-oorlog, zoals Parijs-Roubaix,
Parijs-Tours, Bordeaux-Parijs, de Ronde van Vlaanderen en de Tour de France,
speelden Nederlanders als Emile (Pim) Kiderlen jr. - in 1886 en 1887 Europees
kampioen bicycles - P.W.Scheltema Beduin en Matthieu Cordang nauwelijks
een rol.
Nederlandse wielrenners zouden pas veel later van zich doen spreken; aanvankelijk
op de baan en eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog ook op de weg.
Sportbeoefening
is ook in Nederland een aantal jaren lang vooral een zaak geweest van
de gegoede burgerij, met als voortrekkers de 'betere milieus' en vooral
de leerlingen van de HBS en de studenten. Dat lag ook voor de hand.
Sportaccommodatie
kostte natuurlijk veel geld; voor kleding en uitrusting gold hetzelfde.
De man die voor de ontwikkeling van de sport in Nederland misschien wel
van beslissende betekenis is geweest, Pim Mulier, was dan ook de zoon
van een grootgrondbezitter.
In Haarlem, in die tijd een echte sportstad, deed hij mee aan een van
de eerste atletiek-wedstrijden.
Later zette hij zich in voor de organisatie van een groot aantal sporten.
Hij was een van de oprichters van H.F.C. te Haarlem,
de oudste voetbalclub van Nederland, en hij spande zich in om onder andere
de schaatssport, de wielrennerij, het cricket en de biljart sport in ons
land van de grond te tillen.
KIJKSPORT
De overgang van elitesport naar volkssport ligt voor een aantal sporten
omstreeks 1900.
Voetbal, wielrennen en boksen zijn daar goede voorbeelden van, vooral ook
omdat het kijksporten zijn waaraan een toenemend aantal mensen in hun vrije
tijd plezier kon beleven zonder er zelf aan deel te nemen.
Eenvoudige wedstrijdregels, spanning volop - en wie het spel op straat wilde
naspelen had voldoende aan een paar eenvoudige attributen.
Die situatie zou na 1900 nog vele jaren blijven bestaan.
Pas na de komst van de televisie, ruim een halve eeuw later, zou de grote
massa geleidelijk belangstelling krijgen voor wat exclusievere vormen van
sport die, via het scherm, plotseling tot kijksport werden - en in sommige
gevallen tot drama. |