VROUWENEMANCIPATIE

 

 

 

 

 

 

 

Tot ver in de 20e eeuw was dit het credo
van bepaalde kringen in de Nederlandse samenleving.
Vooral de rooms-katholieken zagen de vrouw het liefst als moeder
- en moeders plaats was thuis, bij de kinderen.

 

 

 

 

Aletta Jacobs,
de eerste vrouwelijke arts van Nederland,
speelde vóór de Eerste Wereldoorlog
een vooraanstaande rol in de strijd om het vrouwenkiesrecht.

 

 

 

 

 

In de strijd om het vrouwenkiesrecht
hamerden de voorstanders vooral
op de gelijkheid tussen man en vrouw
in allerlei maatschappelijke situaties
— een gelijkheid die echter ophield voor de deur van het stemlokaal.

 

De schoonheid in het geweer



Aan het einde van de 19e eeuw begonnen de eerste vrouwen zich bewust te worden van hun ondergeschikte positie in de samen-
leving. De eersten die zich roerden waren dames uit de betere kringen.

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen bleek op talloze terreinen. Veel kansen hadden ze niet, de huwelijkswetgeving legde alle rechten bij de man, politiek waren ze onmondig en sommige werkende vrouwen, zoals de dienstboden, waren weinig meer dan slavinnen.

 

Al in de laatste decennia van de 19e eeuw waren de Nederlandse vrouwen in opstand gekomen tegen hun positie in de samenleving. Ze gingen zich in toenemende mate organiseren en omstreeks
de eeuwwisseling was ook in Nederland de eerste golf van
de moderne vrouwenbeweging op gang gekomen.
Het ontstaan ervan hing nauw samen met ingrijpende veranderingen in het dagelijkse leven die onder andere een gevolg waren van het voortschrijdende kapitalisme en de moderne massa-industrie.
In arbeiderskring hadden ze geleid tot een groeiend politiek bewustzijn en felle protesten tegen sociale en economische mis-standen.
Maar in feite waren de vrouwen er nog slechter aan toe. Zelfs in
de gezinssfeer bevonden ze zich in een minderwaardige positie.
De feministische beweging rekende het tot haar taak daarin verandering te brengen.
De toegenomen onderwijskansen hadden veel vrouwen mondiger gemaakt - en het was tijd dat te laten merken ook.

Zo trokken Betsy Perk en Mina Kruseman al in 1873 volle zalen met hun lezingen over de rechten van de vrouw. Het moet een welhaast komisch duo zijn geweest. Betsy Perk, een nietig en breekbaar dametje, met naast haar een struise schoonheid als Mina Kruseman.
Kort voor haar eerste feministische actie was ze als Stella Oristorio di Frame nog opgetreden in buitenlandse tingeltangels.
Met haar acteertalent en haar dramatische verhalen over vrouwendiscriminatie kon ze haar toehoorders tot tranen toe bewegen.

Aanvankelijk waren het alleen dames uit de middenklasse en
de hogere burgerij, vaak van protestantse of links-liberale komaf, die de strijd aanbonden met de heersende ideeën over de plaats van de vrouw in de samenleving. Zij wensten niet als afhankelijke wezens te wachten op een huwelijk dat hen status zou geven maar wilden meer van hun leven maken. Daarom eisten ze dezelfde rechten als hun mannelijke medeburgers.

Een van de belangrijkste strijdpunten was het vrouwenkiesrecht, al zou het tot na de Eerste Wereldoorlog duren voor die strijd resultaat opleverde. Op dit terrein speelde Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts van Nederland, een hoofdrol.

Niet minder belangrijk was de agitatie tegen de heersende onzedelijkheid waarbij alcoholmisbruik, prostitutie en dubbele moraal de grote boosdoeners waren. Prostitutie moest worden, uitgebannen, er diende verbetering te komen in de huwelijks-
wetgeving die vrijwel alle rechten bij de man legde en de zeggen-
schap over de kinderen hoorde aan de vrouw.

De feministes slaagden er overigens niet in alle taboes te door-
breken, en sommigen wilden dat ook niet. Zo werd het gebruik
van voorbehoedmiddelen slechts door enkelen van hen gepropa-
geerd, en veel succes hadden ze er niet mee.
Met name in rooms-katholieke kring bleef de opvatting overeind dat de vrouw van nature voor het moederschap bestemd was en dat ze de spil van het gezin hoorde te zijn. De leuze 'Moeder in het gezin en niet in de fabriek' onderstreepte deze opvatting.

Overigens was men ook in katholieke kring wel van mening dat vrouwen, met name die uit de betere kringen, een goede ontwik-
keling moesten hebben om hun rol als echtgenote en opvoedster naar behoren te kunnen vervullen. Trouwden ze niet dan konden ze in de samenleving toch een nuttige rol spelen, bijvoorbeeld als onderwijzeres. Huwde zo'n vrouw uiteindelijk toch, dan wilde het gebruik echter dat zij haar baan opgaf.
Bovendien hadden vrouwen in het onderwijs met dezelfde rechten als mannen.
Onderwijzeressen kregen bijvoorbeeld minder salaris dan mannen. En tot 1909 was de Schoolwet van 1878 van kracht. Deze bepaalde onder andere dat bij het openbaar onderwijs het lesgeven in
de hogere klassen was voorbehouden aan onderwijzers. Onderwijzeressen dienden zich te beperken tot de lagere klassen, met kleine kinderen waaraan ze hun moederlijke kwaliteiten konden besteden.
De Vereniging van Onderwijzeressen had zich al jaren tegen deze vorm van discriminatie gekeerd. Maar pas na 1910 kreeg ze daarbij de steun van de onderwijzersbonden.

 

NAAISTERS DE STRAAT OP

Pas omstreeks de eeuwwisseling begonnen ook vrouwen uit
de arbeidersklasse zich te verzetten tegen de heersende normen. Voor hen was het echter veel moeilijker een vuist te maken. Ze hadden minder tijd en gelegenheid voor protest en waren boven-
dien minder goed geschoold dan hun zusters uit de hogere standen.
Toch kwamen ook zij in actie.

'Linnennaaisters Verenigt U' luidde een oproep in het 'Volksdag-
blad'.
Hij was afkomstig van groepje meisjes die hun baas om loons-
verhoging hadden gevraagd en twee dagen later prompt op straat waren gezet. Het lukte hen de Naaistersvakbond 'Allen Een'
op te richten.
Bij dit initiatief kregen ze veel steun van Wilhelmina Drucker, een feministe die zich vooral het lot van vrouwen uit de lagere klassen aantrok en om haar fanatisme en strijdlust bekend werd als
'Dolle Mina'.
De acties van deze eerste vrouwenvakbond verschilden niet veel van die van andere bonden.
Het vakbondsblad 'De Naaisterbode' was een fel en geestig krantje, de bond organiseerde cursussen en af en toe een gezellig uitstapje.

Moeilijker nog dan fabrieksvrouwen en meisjes op kledingateliers hadden het de vrouwen die als dienstbode werkten. De lonen waren laag, de werktijden lang en elke privacy ontbrak. In het Burgerlijk Wetboek stond de dienstbode omschreven als 'huisge-
note, met gansch haar persoon verbonden aan haar meester'.

Dat leek verdacht veel op slavernij. Dienstboden konden geen rechten doen gelden op voorzieningen die andere arbeidsters wel hadden. Zo hadden ze geen recht op een uitkering krachtens
de Ongevallen- of de Ziektewet, vielen hun woon- en werkruimten niet onder de Wet op de Arbeidsinspectie en gold voor hen zeker niet de zondagsrust.
Om aan deze misstanden een einde te maken werd in 1898
de Algemene Nederlandsche Dienstboden Bond opgericht.
Het duurde echter tot 1909 voordat in de positie van deze vrouwen daadwerkelijk enige verbetering kwam met de totstand-
koming van de Wet tot regeling van het Arbeidscontract.
Ook de ANDB gaf een blad uit, 'Ons Streven'.
Ter waarschuwing van collega's verscheen daarin regelmatig
een zwarte lijst van 'mevrouwen' die hun personeel slecht behandelden.
Hoewel vrouwen uit alle geledingen van de maatschappij zich aan het begin van de 20e eeuw bewust waren geworden van hun zwakke positie en sommigen van hen hier en daar al met succes strijd voerden voor verbeteringen, bleef het grote ideaal toch het huwelijk en het gezin. Ook bij de meeste vrouwen zelf.
Er zouden nog heel wat jaren verstrijken voor dat ideaal niet meer als zo vanzelfsprekend werd beschouwd.

 

naar inhoud 1900 naar index