DE VRIJDENKERS

 

 

 

 

Wlhelmina Drucker poseert voor haar portret.
De strijdbare feministe leverde ook haar bijdrage
aan de verspreiding van het gedachtengoed van de vrijdenkerij.

 

 

Desiderius Erasmus
kan in zekere zin beschouwd worden
als een van de geestelijke vaders van de vrijdenkersbeweging.

 

 



De liberale vakbondsleider Bernard Heldt,
voorzitter van het Algemeen Nederlands Werklieden verbond.
Ook hij nam actief deel aan de verbreiding van het vrije denken
waarvan hij een toegewijd aanhanger was.

 

 

De pedagoog A.H. Gerhard,
een van de grondleggers van de SDAP,
jarenlang lid van de Tweede Kamer
en vooral een overtuigd vrijdenker.

 

INVLOED ZONDER MACHT

 

 

 

 

De beweging van de vrijdenkers zette zich, anders dan vroeger, omstreeks de eeuwwisseling steeds minder af tegen de godsdienst. Wel probeerde ze invloed uit te oefenen op het denken van haar tijd.

Veel vrijdenkers raakten maatschappelijk onaangepast of pleegden zelfmoord omdat hun hooggestemd ideeëngoed niet aansloot bij
de praktijk van het leven. Desondanks leverden ze hun bijdrage aan de verandering van de Nederlandse samenleving.

 

'Hadt ge geloofd, dat de vrije liefde van nut is voor de vooruitgang van de socialistische moraal en den maatschappelijken vrede?
Ja, ik geloofde het en geloof het nog steeds, want wat kwam er anders van vrijheid en gelijkheid terecht?'

Aldus in 1897 de anarchist B.P. van de Voo in 'De Dageraad',
het lijfblad van de gelijknamige Vrijdenkersvereniging. En hij kreeg bijval van feministische zijde.
Als de schrijfster H. Mensing inmiddels in vergetelheid is geraakt, valt dat zeker niet te wijten aan de bezieling waarmee ze in hetzelfde tijdschrift de 'Eisch eener vrouw van 't heden ten opzichte van 't sexueele leven' onder woorden bracht.
Schokkende taal, schokkende denkbeelden.

Hetzelfde geldt voor de wijze waarop 'De Dageraad' tekeerging tegen 'de oude Joodsche firma van Jehova, Zoon & Co'.
Daarmee was de rooms-katholieke kerk bedoeld, de 'Augiaanse ezelenstal' van paus Leo XIII die - naar het blad beweerde -
een hofhouding hield van niet minder dan duizend personen.
'Een bewijs dat de wereld nog vol gekken is.'

Eenkennig was De Dageraad overigens niet: ook protestanten, islamieten, joden en boeddhisten kregen van hetzelfde laken een pak.
Toch had de vrijdenkersbeweging omstreeks 1900 al veel van haar aanvankelijke anti-godsdienstige houding laten varen.
Wat hield ze rond deze tijd dan wel in? Haar geestelijke wortels gingen in sommige opzichten terug tot het humanistische en pacifistische denken van Erasmus uit het begin van de 15e eeuw.

Later had ook de 'ongodsdienstige' 17e-eeuwse filosoof Spinoza er zijn stempel op gedrukt, en verder was ze beïnvloed door de vrij-
metselarij en een hele reeks 19e-eeuwse denkers en wijsgeren
van uiteenlopend allooi.


Aanleiding tot de oprichting van 'De Dageraad', in 1856, was een boek geweest dat twee jaar daarvoor was verschenen. De Duitser Franz Junghuhn, die in Nederlandse dienst op Java had gewerkt, had in dit werk gewezen op de funeste invloed van het christen-dom op de Indische samenleving.
Ook de radicale Multatuli zou zich trouwens ontpoppen als een gezaghebbend vrijdenker, en het was niet toevallig dat tegen het einde van de eeuw juist tal van vrijdenkende 'raddraaiers' zich
met man en macht verzetten tegen het militaire optreden van Nederland tijdens de Atjehoorlogen.

 

'GOED VOOR DE PLOERTEN'

Het is overigens de vraag of dit verzet wel naar de zin zou zijn geweest van een andere vroege apostel van de vrijdenkers-beweging, de nationalistische liberaal en historicus Johannes van Vloten, een man die in de regel hoog opgaf van elk vaderlands heidendom.
Los daarvan betitelde hij 'de godsdienst en de jenever' (in die volg-
orde) als het 'tweederlei volksgif waaraan de natie ten gronde dreigde te gaan.
'Mijn Kerk is de Maatschappij en mijne godsdienst vindt hare uitoefening in het leven zelf luidde kort en bondig de geloofs-belijdenis van deze ongelovige. Voor de rest was 'God goed voor
de ploerten'. Intussen bleef Van Vloten de toekomst met optimisme en vertrouwen tegemoet zien.
Zou de valse religieuze theologie binnenkort immers niet verbrijzeld worden door de rationele waarheid van de natuur-
wetenschappen?

 

ROEPEN IN DE WOESTIJN

Van Vlotens sterke taal en kinderlijke blijmoedigheid vonden overigens weinig of geen weerklank.
Vóór 1880 bestond de vrijdenkerij in Nederland nog steeds uit
een handjevol roependen in de woestijn, op zijn best een paar honderd. Pas na een reorganisatie in 1879 begon de beweging iets meer voet aan de grond te krijgen.

'Het doel der vereeniging is het zoeken naar en het verspreiden van waarheid door rede en wetenschap, tot zedelijke ontwikkeling van den mensch en de Maatschappij' heette het toen - en dat klonk al heel wat bedaarder dan de militante woorden en schimpscheuten van Van Vloten.

Hoewel de beweging zich nog steeds 'de machtelooze woede en haat' van confessioneel Nederland moest laten welgevallen, slaagde ze er uiteindelijk in een landelijk netwerk van afdelingen op te zetten.
Het vrije denken werd verspreid via lezingen en propaganda-avonden waaraan gezaghebbende geleerden als de natuurkundige P.C.F. Frowein, vooraanstaande politici als de liberaal
S. van Houten, voorvechters van het socialisme als A.H. Gerhard, vakbondsleiders als B. Heldt en strijdbare feministes als Wilhelmina Drucker het hunne bijdroegen.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was het aantal leden van de Vrijdenkersvereniging gestegen tot 1300; de oplage van haar publikaties liep op tot 10.000 exemplaren.

Probleem van de vrijdenkersbeweging was dat ze bestond uit vogels van diverse pluimage. Omdat een vast omlijnd programma ontbrak, kwam het nooit tot een politiek of ideologisch gesloten front. In 1884 ontstond zelfs een breuk tussen het rationeel-burgerlijke en het anarchistisch-socialistische kamp binnen
de beweging: het laatste trok zich onder leiding van zijn voorman Domela Nieuwenhuis zelfs terug.

Wat resteerde was een bonte verzameling idealisten die om geheel verschillende beweegredenen te hoop liep tegen de gevestigde orde. Zonder het zelf te beseffen maakten ze deel uit van
de krachten die vooral na 1880 deze orde in beweging brachten, waardoor de gehele samenleving op drift raakte. Ten onrechte beschouwden ze zich als de enige vernieuwers.
Hun felle opstandigheid reduceerde hen in de meeste gevallen tot maatschappelijk onaangepasten zonder enige rechtstreekse invloed. Het gevolg: diepe gefrustreerdheid en bittere teleur-stelling; menige vrijdenker pleegde zelfmoord of stierf ten slotte
in een psychiatrische instelling.

Toch zou de geschiedenis hen goeddeels gelijk geven. In elk geval is hun denken, althans indirect, wel degelijk van betekenis geweest. Dat blijkt onder andere uit de woorden van de invloed-
rijke socialist F.M. Wibaut die tegen het einde van zijn leven, in 1936, zijn geestelijke ereschuld aan hen erkende.
Het blijkt ook uit de voortschrijdende buitenkerkelijkheid in het eerste kwart van de 20e eeuw. Het traditionele Nederland van vóór 1879 kende, althans formeel, geen onkerkelijken.

Toen de Nederlanders bij de volkstelling van dat jaar voor het eerst officieel op kerkgenootschap werden gerubriceerd (op zichzelf al een bewijs van verandering) durfde nog geen 1,5 procent te bekennen buiten een kerk te staan.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was dat percentage gestegen tot meer dan 5 procent.
En dat was nog maar het begin van de massale ontkerkelijking die later zou volgen en waarop de vrijdenkers hadden gehoopt.

naar inhoud 1900 naar index