VOOR VRIJHEID EN VORST

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tussen de edelman en monarchist De Savornin Lohman
en de socialisten heeft het nooit geboterd.
Hij was dan ook regelmatig mikpunt van linkse politieke tekenaars,
in dit geval van Albert Hahn jr. in de 'Notenkraker'.
De titel van de prent: 'Vergeefs pogen'.

 

 

 

 

 

 


Jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman,
oprichter van de CHU, zoals hij erin werkelijkheid uitzag.
Vrijheidslievend als hij was,
zij het op zijn eigen, ouderwetse manier,
moest hij weinig hebben van de dwingerige ARP-leider Kuyper.

 

 

 

 

 

 

Ook voor Louis Raemaeckers was
De Savornin Lohman een dankbaar onderwerp van spot
en karikaturale overdrijving.
Van de stijlvolle persoonlijkheid die de politicus in feite was,
en die ook koningin Wilhelmina zo aantrok,
blijft op deze grimmige houtsnede weinig over.

 

JHR. ALEXANDER FREDERIK
DE SAVORNIN LOHMAN (1837-1924)


Een stijlvolle Groningse edelman en een heerszuchtige dominees-zoon uit Maassluis, dat kon natuurlijk niet goed gaan.
Vandaar dat Nederland in 1908 een tweede christelijke partij kreeg, de CHU.

Tussen de jeugdige koningin Wilhelmina en jhr. Savornin Lohman ontstond een vertrouwensrelatie. Beiden hadden twee dingen gemeen: ze hechtten aan een krachtige defensie en verkeerden
op gespannen voet met Abraham Kuiper.

Dr. Abraham Kuyper was jarenlang de dominerende figuur binnen het protestants-christelijke deel van het Nederlandse volk. Maar de protestanten hadden omstreeks de eeuwwisseling nog een tweede politicus van formaat: jhr. mr. A.F. de Savomin Lohman.

Lohman was afkomstig uit een aanzienlijke Groningse familie: niet onbemiddeld, Oranjegezind, gesteld op haar adellijke afkomst, gelovig en met een groot gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van de samenleving. Aan de ene kant was ze zeer standbewust, anderzijds stelde ze er een eer in dienstbaar te zijn aan de maatschappij.

Alexander kreeg onderwijs aan huis - in families als de zijne was dat normaal in de 19e eeuw -- en ging pas als 15-jarige voor het eerst naar school.
Hij studeerde rechten, promoveerde in 1861 en werd rechter in
's-Hertogenbosch.
Hoewel hij van huis uit weinig politieke belangstelling had, ging
hij zich in de jaren zestig van de vorige eeuw bezighouden met
de schoolkwestie - in die tijd een politiek probleem van de eerste orde.

GEZAG EN VRIJHEID

De schoolkwestie maakte onderdeel uit van een verderstrekkend probleem: waar lagen de bevoegdheden van de staat?
De Savornin Lohman vond dat die beperkt moesten blijven.
De individuele burger hoorde het staatsgezag te aanvaarden,
maar had ook zijn eigen, maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Overigens sprak Lohman liever van de overheid dan van de staat. De overheid was door God gewild en daarom moesten de burgers haar gehoorzamen. Ze konden er enige invloed op uitoefenen, maar daar hield het dan ook mee op: ze hadden noch de macht noch het recht om mee te regeren.
Aan het hoofd van de overheid stond de koning die zijn macht niet aan de Grondwet ontleende maar aan God.
Bij hem berustte in feite alle macht, al hoorde hij die inmiddels uit te oefenen in overleg met de Staten-Generaal.

De beginselen van de Franse Revolutie, gebaseerd op de soevereiniteit van het volk, beschouwden politici als Lohman als gezagsondermijnend.
Het parlement was in hun ogen geen wetgevend lichaam, maar diende slechts als controlerend orgaan om de regering binnen de grondwettelijke grenzen te houden.

Deze verhouding tussen Kroon en Tweede Kamer was een kern-probleem aan het einde van de 19e eeuw, toen iedereen nog moest wennen aan een koning die onschendbaar was geworden (zeg maar: niets meer te zeggen had) maar bij kabinetsformaties en conflicten tussen kabinet en parlement nog altijd probeerde zijn
wil door te drijven.
De Savornin Lohman stond in dat conflict aan de kant van de Kroon.

Bij de eeuwwisseling was De Savornin Lohman 62 jaar en al twintig jaar lid van de Tweede Kamer. Zijn toespraken waren uiterst precies geformuleerd en als het zo uitkwam scherp en sarcastisch. Aan het adres van een van zijn collega's sneerde hij eens:
'De geachte afgevaardigde kan niet meenen dat het staatkundig gewicht van zijn persoonlijkheid in verhouding is tot het excep-tioneele zijner positie.'

Lohman had in de commissie gezeten die een belangrijke grondwetswijziging moest voorbereiden, had meegewerkt aan
de formatie van het eerste confessionele kabinet in de Neder-landse geschiedenis, de regering-Mackay, en was korte tijd minister van Binnenlandse Zaken geweest.
Parlementair gezien nam hij een positie in die frontaal tegenover die van liberalen en socialisten lag en dicht bij die van Abraham Kuyper - al was hij conservatiever dan de ARP-leider.

VERTROUWELING VAN DE KONINGIN

Met deze laatste raakte hij in de jaren negentig in conflict.
Hoewel hij het in grote lijnen eens was met de antirevolutionairen, wenste hij niet onder Kuypers juk door te gaan.

Anders dan de dwingerige ARP-leider vond hij dat niet de gereformeerde beginselen het uitgangspunt van politiek handelen behoorden te zijn, maar het historisch gegroeide. Voor de Bijbel kon je eerbied hebben, maar een wetboek voor nu was de Schrift niet.
En met theologische dogma's had de vrijheidslievende idealist al helemaal niets op.

Bovendien stoorde hij zich aan Kuypers nogal bekrompen commentaren in 'De Standaard'.
Gevolg: een eigen krant, 'De Nederlander' (1898), en een eigen partij, de Christelijk-Historische Unie (1908).
Bij dat alles speelde bovendien een rol dat Lohman, sinds 1883 hoogleraar aan de Vrije Universiteit, daar door Kuypers
intriges was weggewerkt.

'Als hoogleraar ben ik een onnatuurlijke dood gestorven,' schreef hij een paar jaar later.

Tussen de conservatieve maar onafhankelijke denker uit een aanzienlijk Gronings geslacht en de ambitieuze en op macht beluste zoon van een kleine dominee uit Maassluis was een kloof ontstaan die nooit meer gedicht zou worden.

De Savornin Lohman was een uitgesproken voorstander van
de monarchie oude stijl. Ministers waren naar zijn mening dienaren van de vorst die hen naar welgevallen benoemde of ontsloeg, en ze waren zeker geen 'meedragers van koninklijke macht'.
Het waren in feite achterhaalde opvattingen, maar ze waren naar het hart van de jeugdige koningin Wilhelmina.
Buiten haar ministers om raadpleegde ze daarom vrij regelmatig de Groningse edelman om met hem te overleggen over belangrijke kwesties. Via de directeur van haar Kabinet nodigde zij hem dan uit voor een vertrouwelijk gesprek.

Zo overlegde zij met hem over het delicate onderwerp van het inkomen van prins Hendrik en, enige jaren later, omtrent de voogdij over prinses Juliana en het regentschap voor het geval zij zou komen te overlijden.
Opmerkelijk in het laatste geval was dat koningin-moeder Emma voorrang kreeg boven de prins-gemaal.

Ook bij kabinetsformaties speelde De Savornin Lohman op
de achtergrond een grotere rol dan de leiders van de kamerfracties.
Hij assisteerde Wilhelmina bijvoorbeeld bij de vorming van confessionele kabinetten zonder daarbij Abraham Kuyper te betrekken.
Aan de ARP-leider had de vorstin een hartgrondige hekel, en bovendien verdacht ze hem van republikeinse sympathieën.

Belangrijk bij dat alles was dat Lohman voorstander was van
een krachtige landsverdediging. Daarmee was het in deze periode van oplopende internationale spanningen nogal treurig gesteld,
tot ergernis van Wilhelmina.
Zij was weliswaar voorstander van een Nederlandse neutraliteit, maar was in geval van nood bereid deze met hand en tand te verdedigen.
Ook op persoonlijk vlak kon ze met De Savornin Lohman uitstekend opschieten en ze behandelde hem met veel egards - hetgeen bepaald niet gezegd kan worden van veel anderen waarmee ze in het begin van haar regeringsperiode te maken kreeg.

naar inhoud 1900 naar index