VOLKSWELVAART

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geboren worden en sterven,
op een fatsoenlijke wijze althans,
waren omstreeks de eeuwwisseling gebeurtenissen
die in feite alleen de rijken zich konden veroorloven.
Bevallen met behulp van professionele hulp,
thuis of (zeldzamer) in een ziekenhuis,
was slechts voor weinig vrouwen weggelegd.

 

Stukje bij beetje beter

Ogenschijnlijk veranderde er weinig in de afstand tussen rijk en arm. Maar schijn bedriegt. Want heel langzaam kroop de grote massa weg van de bittere armoe uit het verleden.

Hoewel de lonen door de bank genomen niet spectaculair stegen, kregen de laagstbetaalden het aan het begin van de eeuw toch iets beter. Dat kon doordat de kosten van levensonderhoud daalden
- een gevolg van ontwikkelingen op de wereldmarkt.


Anno 1900 kon je maar beter niet als armeluiskind ter wereld komen. 'Eene vrouw, die tevens het beroep van schoonmaakster uitoefent en wier grove, eeltige handen meer geschiktheid hebben om eene ijzeren plaat te schuren' zorgde af en toe voor een hardhandige wasbeurt 'met ene oude, witte wollen kous, en zeepsop van groene zeep'.
Was je erg vuil dan werd je eerst nog even ingesmeerd met olie uit
de lamp, 'al is die olie nog zo groen'.
Waagde je het te krijsen dan kreeg je een prop in de mond geduwd: een lapje katoen of linnen waarin je moeder een stukje uitgekauwd brood met suiker had gewikkeld. Een moorddadig ding, dat keesje, dotje, proppie, lurkte of hoe het nog meer werd genoemd.
Borstmelk kreeg je niet; als je moeder al tot zogen in staat was verhuurde ze zich als min voor vier gulden in de week.

Nee, dan een baby van betere stand! Je werd gewassen door de baker, met 'eene zeer fijne toiletspons' en sop van dure Bristolzeep. Later stopte de kinderjufje driemaal in de week in een lauwwarm badje. Schoon ondergoed? Geen probleem. En mocht je al eens schreien (gekrijst werd er in die kringen niet) dan volgde al gauw een zorgvuldig onderzoek door een geneeskundige.

Zelfs het sterven bracht de arme anno 1900 meer kommer en zorg dan de rijke. De dood was een zaak van status en stand en zeker niet voor allen gelijk.
'Verleden week kwam eene vrouw uit de Jordaan mij vragen hoeveel de begrafenis moest kosten van een kindje 5e klasse.
Ik antwoordde ƒ 5,50.
"Wel," zeide zij, "mijn bode van het begrafenisfonds vroeg mij daarvoor ƒ 9,00."
Zolang het sluiten van een ordentelijke levensverzekering voor
de meesten nog niet was weggelegd, konden totaal ongecontroleerde en louche begrafenisfondsen en -fondsjes hun klandizie inderdaad nog tot op het bot uitbenen.

Ten koste van alles probeerden armen en minvermogenden immers
de schande te voorkomen dat ze niet zelf de begrafenis van hun dierbaren konden betalen. De overledene werd dan begraven
'van de armen'.
Het hield in dat de politie het stoffelijk overschot kwam ophalen om
het naar het lijkenhuisje te brengen. Voor dag en dauw ging het dan naar een afgelegen hoekje van het kerkhof waar de eenvoudige kist gauw-gauw in de grond werd gestopt.
De rijken daarentegen werden met pracht en praal begraven. Tijdstip van de teraardebestelling, klokgelui, de kwaliteit van de kist, de kleur van het rouwkleed, de lijkstoet, het aantal aanzeggers en dragers,
de ligging van het graf, de grafsteen - het had allemaal zijn prijs en getuigde tot in details van de status van de overledene.

DE ARMEN LOPEN IN

In de verhouding tussen arm en rijk scheen omstreeks de eeuwwis-
seling weinig verandering op til. Minder dan een tiende procent van
de rijksten in den lande legde in 1890 beslag op liefst een kwart van
de particuliere vermogens, en twintig jaar later was dat nog steeds het geval. Daarentegen moest 95 procent van de bevolking genoegen nemen met slechts een vijfde van het nationale privévermogen en bezaten de meesten minder dan niets. De weinige rijken, kortom, waren zeer rijk, de vele armen zeer arm. Zo was het, en zo scheen het ook te blijven. Scheen - want er veranderde tóch iets. De rijken gingen er weliswaar niet op achteruit, maar de armen begonnen heel langzaam iets van hun achterstand in te lopen.
De verbetering van de volkswelvaart valt ondermeer af te lezen uit
de demografische gegevens van die tijd.
Zo bedroeg in 1909 de gemiddelde levensduur van mannen al 51 jaar en van vrouwen meer dan 54 jaar. Nog maar een halve eeuw eerder was dat twintig jaar korter geweest.
Kenmerkend was ook dat de mensen gemiddeld langer werden.
Het aantal recruten met een lengte van meer dan 1,69 m steeg tussen 1870 en 1912 van 7300 tot 23.100.
Ook de volksgezondheid in het algemeen nam toe, onder andere door verbetering van de ziekenhuizen, scholing van verpleegkundigen en een betere drinkwatervoorziening.
Het levensmiddelenverbruik wijst eveneens op een zekere stijging van de levensstandaard van de massa. De consumptie van aardappelen, het voedsel bij uitstek van de armen, nam per hoofd van de bevolking af, terwijl die van vlees en betrekkelijk dure graansoorten als tarwe steeg. Het alcoholmisbruik, in die tijd een zeker teken van armoe, daalde; het verbruik van een duur genotmiddel als tabak nam toe.

Ook de kwaliteit van de volkshuisvesting ging er wat op vooruit, zelfs nog vóór de Woningwet van 1903, getuige de betrekkelijk grote uitbreiding van het bestand aan betere soorten huizen. Uit de verras-
send sterke groei van de tegoeden bij de spaarbanken tussen 1870 en 1913 (van 11 tot 314 miljoen gulden) blijkt bovendien dat de Neder-
landers hun centjes niet over de balk gooiden maar ze op deugdzame wijze opzij zetten.

HET LEVEN GOEDKOPER

Dit alles was tot op zekere hoogte te danken aan de groei van het nationale inkomen die een einde had gemaakt aan de economische stagnatie uit het verleden. Tussen 1890 en 1910 steeg het met onge-
veer een derde, van 320 tot 380 gulden per hoofd van de bevolking.
Veel potten kon je daarmee nog wel niet breken, maar het hield wel een tot dusver ongekende welvaartsgroei in.

Omdat echter de inkomensverdeling destijds even scheef lag als
de verdeling van de vermogens, is het onzeker in hoeverre
de meerderheid van de bevolking werkelijk van die groei profiteerde. Het minimum weekloon bedroeg ongeveer f. 7,50, maar in alles wat daar boven lag traden niet onaanzienlijke verschillen op. In bepaalde bedrijfstakken en streken was onmiskenbaar sprake van een loon-stijging. Elders daarentegen deden zich geen of weinig veranderingen voor of daalden de lonen zelfs. Bovendien werd de werkende klasse als vanouds geteisterd door seizoenwerkloosheid en conjuncturele crises. Daarnaast lagen de lonen in het dure westen nog altijd veel hoger dan
in de rest van het land, terwijl ook het loonpeil in de stad en op het platteland nogal uiteenliep.
Over de algemene loonontwikkeling aan het begin van deze eeuw is dan ook weinig met zekerheid te zeggen. Maar juist de toenemende verscheidenheid wijst erop dat de vroegere starheid op dit terrein eindelijk was doorbroken.
De welstand van de laagstbetaalden wordt echter niet alleen bepaald door de hoogte van het loon. Ook de kosten van levensonderhoud spelen een rol. En waarschijnlijk vonden de gunstigste ontwikkelingen juist op dit terrein plaats.
In de decennia voor de Eerste Wereldoorlog lag het algemene inter-
nationale prijspeil tamelijk vast, waardoor er geen of weinig verandering kwam in de koopkracht van de gulden. Tegelijkertijd was er sprake van een zekere daling van de prijs van eerste levensbe-
hoeften als granen en andere levensmiddelen.
De bescheiden toeneming van de volkswelvaart in die jaren was dan ook meer te danken aan prijsontwikkelingen op de wereldmarkt dan aan nationale loonstijgingen.

naar inhoud 1900 naar index