|
VINCENT
VAN GOGH (1853-1890)

Jeugdfoto
van Vincent van Gogh op 13-jarige leeftijd.
Hij woonde toen nog bij zijn ouders in het Brabantse Zundert,
een lastige jongen met problemen.

Vincent
van Gogh:
'Vrouwenportret'.
|
|
HET
PALET
VAN HET ZUIDEN
Een domineeszoon
uit Zundert zou de beroemdste Nederlandse schilder sinds de 17e eeuw worden.
Dat kon hij echter niet bevroeden toen hij in 1890 een einde maakte aan
zijn leven.
Na een half mislukt
leven vond Vincent van Gogh vooral in Zuid-Frankrijk de inspiratie die
zijn genie nodig had.
In rood en groen probeerde hij 'de verschrikkelijke menselijke hartstochten'
te schilderen. Hij zorgde daarmee voor een door-
braak.
Een Franse zomeravond
in Auvers-sur-Oise, 27 juli 1890.
In de woning van een bevriende arts die de overspannen Neder-
lander in zijn huis had opgenomen, schiet de schilder Vincent van Gogh
zich met een revolver een kogel door de maag.
Twee dagen later overlijdt hij, ver van zijn geboorteland en zonder het
flauwste idee dat hij een eeuw later de beroemdste Neder-
landse schilder sinds de 17e eeuw zou zijn.
Aan zijn dood waren, behalve een moeilijk leven, vijf jaar van koortsachtig
schilderen voorafgegaan. In die korte periode was zijn produktie bijna
onvoorstelbaar.
In Antwerpen een paar honderd schilderijen die alle verloren zijn gegaan;
tweehonderd doeken in de twintig maanden die hij in Parijs doorbracht
bij zijn broer Theo; opnieuw tweehonderd werken in de vijftien maanden
waarin hij in het zonnige Aries verbleef en ten slotte nog enige tientallen
doeken, gemaakt in
een Zuidfrans gesticht voor geesteszieken.
Kopers voor al dat werk waren er niet of nauwelijks.
Maar wat Van Gogh in die paar jaar voor zijn dood schilderde bleek - achteraf
gezien het geniale begin van een nieuwe, heldere schilderkunst.
'EEN GENIE? IK
GELOOF HET'
Vincent van Gogh,
als domineeszoon geboren in het Brabantse Zundert (1853), kwam uit een
maatschappelijk geslaagde familie. Een van zijn ooms was vice-admiraal,
drie andere zaten in
de kunsthandel. Hijzelf was als kind lastig en als volwassene een moeilijk
en onaangepast mens.
Toen hij 16 jaar was kwam hij als jongste bediende te werken in
de Haagse kunsthandel van een van zijn ooms. Dat ging uitstekend tot hij
in 1873 werd overgeplaatst naar het Londense filiaal van
het bedrijf. Mede na een afgewezen liefde werd hij, behalve eenzelvig,
ook (te) intens godsdienstig. Een overplaatsing naar Parijs in 1875 hielp
niet echt en hij werd ontslagen - 23 jaar oud
en vanaf dat moment brodeloos.
De nerveuze jongeman, met weinig levensvreugde en op straat meestal met
het hoofd naar beneden, dacht na over wat hij moest gaan doen: schilderen
en tekenen zoals hij eigenlijk wel wilde, of zich in dienst stellen van
Gods woord. Hij koos aanvankelijk voor het laatste en werd evangelist
in de grauwe Borinage, een Belgische mijnstreek waar niemand naar je diploma's
vroeg.
Ook dat bleek niet te werken. Vincent bezocht weliswaar de zieken, gaf
's avonds les aan kinderen, schonk alles weg wat hij bezat, maar hij verwaarloosde
zichzelf. Het Comité der Evange-
lisatie in de Borinage had problemen met deze armoedige geloofsverkondiger
en ontsloeg hem ten slotte.
In deze periode moet Van Gogh, behalve het zorgenkind van zijn ouders,
een meelijwekkende jongeman zijn geweest: onaangepast vanwege zijn gebrek
aan praktische discipline; schuw, stil, ontmoedigd in zijn streven om
dienstbaar te zijn; veel lezend en altijd geprikkeld.
Soms had hij nog contact met de Haagse schilder Mauve die hij in de zaak
van zijn oom had ontmoet en met wie hij kon praten over zijn schetsen
en schilderproeven.
Af en toe kwam hij een paar maanden naar het Brabantse Nuenen waar zijn
vader was beroepen tot predikant.
Aangenaam gezelschap was hij niet, maar hij schilderde er inmiddels wel
- een introverte en hardwerkende kunstenaar.
Hij portretteerde de wevers uit het dorp en het boerenleven in
de buurt. Uit deze periode stammen de beroemde 'Aardappeleters' en de
voorstudies ervan. Zijn lievelingsbroer Theo met wie hij een bijzondere
relatie had, karakteriseerde hem in oktober 1885 als volgt: 'Vincent is
een van de lui die de wereld van nabij gezien heeft en er zich van heeft
teruggetrokken. Nu zullen we moeten wachten of het zal blijken dat hij
genie heeft. Ik geloof het.'
'DE KLEUREN VAN
HET WEZENLIJKE'
Dat Van Gogh inderdaad
'genie' had bleek pas later, tijdens zijn verblijf in Arles. Hij was na
zijn jaren in Antwerpen en Parijs naar de Provence getrokken op advies
van Henri Toulouse-Lautrec die hij in de Franse hoofdstad had leren kennen.
Toen hij er aankwam, in het voorjaar van 1888, bleek de lente betoverend
mooi.
Net 35 jaar oud maakte hij er zijn beste werken, hel van toon en volstrekt
uniek in de verbeelding van een natuur die ook voor hem nieuw was.
Aan zijn zuster schreef hij: 'Ge begrijpt dat de natuur van 't zuiden
niet precies kan worden geschilderd met 't palet van bijvoorbeeld Mauve
die in het Noorden hoort en meester is en blijft van het grijs. Maar het
palet van tegenwoordig is absoluut kleurig, hemelsblauw, oranje, rose,
vermilloen, hoog geel, helder groen, helder wijnrood, violet'.
Van Gogh, die de Haagse School artistiek had verwerkt en ook
de Franse impressionisten kende met hun fijne modulaties, nam
in de Provence afscheid van dat alles en penseelde met krachtige streken
en in ongebruikelijke tinten.
Zoals hij schreef: 'Ik probeer het wezenlijke vast te leggen'.
Hij deed dat vooral met intense, soms zelfs krijsende kleuren, niet zijn
enige maar wel zijn voornaamste instrument. 'Ik heb,' legde hij uit, 'geprobeerd
met rood en groen de verschrikkelijke menselijke hartstochten te schilderen.'
Met Paul Cézanne en Paul Gauguin zorgde hij daarmee voor een doorbraak
in de schilderkunst van het einde van de 19e eeuw.
Zijn bijdrage daaraan is, zijn levenseinde ten spijt, niet de kunst van
een psychopaat. Wel die van een man die gekweld werd en zich bedreigd
voelde in zijn bestaan en daardoor zocht naar een kunst die mooi en jong
was.
Erkend is die kunst tijdens zijn leven niet. In de gunst van het publiek
zaten hem omstreeks de eeuwwisseling andere kunst-
richtingen dwars; zijn tegendraadse werk trok nauwelijks belangstelling.
Pas na zijn dood was er sprake van enige waardering, eerst op exposities
in Parijs en Amsterdam en vervolgens in Keulen (1912), New York (1913)
en Berlijn (1914). Dat zijn werk driekwart eeuw later miljoenen zou opbrengen
zou zijn gemoedsrust niet ten goede zijn gekomen.
|