VERNIEUWERS
IN DE SCHILDERKUNST

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jan Toorops pastel "De heilige schande' uit 1914
is typerend voor het symbolisme dat zijn latere werk kenmerkte.

 

 

 

 

Kees van Dongen in zijn Parijse atelier.
De foto dateert uit de periode waarin Van Dongen
zich had ontwikkeld tot de portretschilder bij uitstek
van de Parijse beau monde.

 

 

 

 

 

'Compositie 9' van Piet Mondriaan,
een voorbeeld van de wijze waarop deze schilder
uiteindelijk vorm en kleur terugbracht tot hun abstracte essentie.

 

NIEUWE TAAL IN KLEUR EN VORM

 

Na Van Gogh speelden drie Nederlandse schilders een rol in
de schilderkunst van omstreeks de eeuwwisseling.
Wat ze gemeen hadden was hun rol als vernieuwer.

Een onevenwichtig symbolist, een levensgenieter en een man
die uiteindelijk de natuur begon weg te schilderen en die in eigen land botheid werd verweten - dat was het Nederlandse drietal
dat mede aan de wieg stond van de moderne schilderkunst.

Vincent van Gogh was de eerste Nederlander die, al was het ver van huis, een wezenlijke bijdrage leverde aan de vernieuwing
van de schilderkunst die omstreeks de eeuwwisseling haar beslag kreeg. Hij zou echter niet de laatste zijn.
Toen hij in 1890 stierf stonden drie van zijn landgenoten op
het punt op hun beurt en elk op eigen wijze vorm te geven aan
de moderne schilderkunst van die dagen:
Jan Toorop, Kees van Dongen en Piet Mondriaan.

 

JAN TOOROP (1858-1928)

Jan Toorop was van deze drie de oudste en de meest conven-
tionele. Hij was op Java geboren en had er lang genoeg gewoond om iets ervaren te hebben van het geheimzinnige van de tropische natuur.
Tekenen deed hij al van jongsaf aan, schilderen leerde hij in
de jaren tachtig in Brussel. Aanvankelijk schilderde hij vooral impressionistische straattaferelen en riviergezichten, later zou hij gegrepen worden door het symbolisme: een richting in de kunst die eerder uitnodigt tot nadenken dan tot waarnemen.
Zijn symbolische werk, met schilderijen als 'De Sphinx',
'De Drie Bruiden' en 'De Tuin der Weeën', is meer dan dichterlijke verbeelding.
Het verwijst naar het bovennatuurlijke, naar het levensmysterie en naar de onmacht van de mens de tegenstelling tussen goed en kwaad te overwinnen.

Toorop hoorde thuis in het fin de siècle, bij figuren als Freud en Wagner. Hij was een wanordelijk denker, onevenwichtig in zijn mystiek en in zijn persoonlijk leven. Een argeloos karakter,
iemand die vaak met zichzelf overhoop lag. Misschien wel omdat het hem moeite kostte uit te leggen wat hij bedoelde, verkeerde
hij graag onder dichters die wel de gave van het woord hadden. Henriëtte van der Schalk, Albert Verwey en Arthur van Schendel behoorden tot zijn persoonlijke vrienden.

 

 

 

 

 

KEES VAN DONGEN (1877-1968)

Kees van Dongen miste het intellectualistische en zorgvuldige
van Toorop.
Hij was een uitbundige schilder die minder opviel door zijn compositorische vermogen dan door zijn levenslust en zijn kleurexplosies.
In 1897, twintig jaar oud, trok hij zonder een cent op zak naar Parijs. Om in leven te blijven werkte hij aanvankelijk als huis-
schilder en als sjouwer in de Hallen en probeerde hij tegen betaling cafébezoekers te schilderen.
Af en toe lukte het hem een spotprent geplaatst te krijgen in
een van de Parijse bladen.
Henri Toulouse-Lautrec was zijn idool en evenals deze dook hij onder in het bruisende leven van Montmartre.
Hij werd vooral populair bij de Fauves, een schildersbent bij wie
hij door zijn expressionisme en coloriet uitstekend paste.
Hij schilderde tamelijk eenvoudig, met lange forse streken maar tegelijk met gedurfde fantasie en verrassende effecten.
Van Dongen mag zeker worden gerekend tot wat ook thans nog
'de moderne schilderkunst' heet.
Met name na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde hij zich tot
de portretschilder van mondain Parijs.

 

 

 

 

 

 

 

PIET MONDRIAAN (1872-1944)

Piet Mondriaan had al zowat een half leven van zoeken en expe-
rimenteren achter de rug voor hij in 1908 te Domburg op Walcheren de schilderstaal vond die ook hem tot een vernieuwer maakte — al duurde het ook bij hem lang eer hij daarvoor erkenning kreeg.

Mondriaan, als onderwijzerszoon geboren in de Amersfoortse binnenstad, ontdekte als achtjarige dat hij tekenen kon.
Ondanks het stille verzet van zijn vader ging hij studeren aan
de Kunstacademie in Amsterdam. Hij woonde daar tot 1903,
toen hij verhuisde naar het Brabantse Uden.
Schilderen deed hij meestal buiten de hoofdstad, vaak langs
de Vecht. Polderlandschappen, rivierschuiten, het silhouet van
een molen, bomen, koeien, een hoekje van een boerderij -
dat waren de oer-Hollandse onderwerpen uit Mondriaans Amsterdamse periode.
Wat ook toen al opviel was de herhaling die een kenmerk van zijn oeuvre zou worden. Talloze malen bijvoorbeeld schilderde hij een bepaalde boerderij bij Duivendrecht. Kennelijk zocht hij naar het wezenlijke, het absolute in zijn onderwerpen. Aanvankelijk lukte dat niet. 'Ik merkte,' schreef hij later, 'dat de kleuren uit de natuur niet op het doek weergegeven kunnen worden. Daarom zocht ik een andere manier om de schoonheid van de natuur uit te druk-
ken.' Achteraf is Mondriaans ontwikkeling naar de abstractie in zijn latere werk dan ook duidelijk te verklaren en stap voor stap te volgen.

GEDEGENEREERD ARTIST

Vanaf 1908 bracht Mondriaan enige zomers door op Walcheren - en daar kreeg zijn werk een andere taal. Hij begon de kleuren van de natuur te veranderen; hij schilderde de werkelijkheid als het ware weg. Het lichtpaarse mauve verdween en maakte plaats voor hel blauw, puur wit en rood. Zijn schilderijen van de duinen en
de toren van Westkapelle waren zo origineel dat zijn vrienden
hem aanraadden naar Parijs te gaan. Nadat hij zich daar had gevestigd, in 1912, kwam hij sterk onder invloed van het kubisme en begon hij behalve zijn kleuren ook zijn vormen te vereen-
voudigen.
Hij was al bijna veertig toen zijn artistieke opgang begon.
De composities, stillevens en studies uit deze tijd tonen reeds
de afstand tot zijn vroegere Amsterdamse werk en waren een mijlpaal op weg naar de simpele lijnen, vlakken en pure kleuren
uit zijn laatste en meest bekende periode. Beroemd is zijn serie 'Bomen' waarin hij het onderwerp steeds abstracter op het doek bracht.
Voor zijn landgenoten uit het begin van deze eeuw was Mondriaan daarmee echter teruggevallen van een veelbelovend schilder tot een 'gedegenereerd artist'. Frederik van Eeden bijvoorbeeld hekelde zijn 'botheid en ongevoeligheid'.
Behalve met de Stijlgroep van Theo van Doesburg onderhield hij weinig banden meer met Nederland. Hij weigerde zelfs naar Amsterdam te komen toen daar op luisterrijke wijze zijn zestigste verjaardag werd gevierd. In 1938 verhuisde hij naar Londen en in september 1940 vertrok hij naar New York.
Daar zou hij vier jaar later overlijden.

naar inhoud 1900 naar index