DE VAKBONDEN
Bijeenkomst
van stakende diamantslijpers
in het gebouw van de ANDB te Amsterdam (1900) .
De actie, die duurde van 7 augustus tot 17 september;
ging om de zgn. boorttoeslag.
Dit 'boort' (diamantpoeder, gebruikt bij het slijpen)
moesten de arbeiders zelf aanschaffen.
Toen de prijzen ervan stegen,
eisten ze compensatie- en kregen die uiteindelijk ook.

Op
naam gestelde dankbetuiging van de ANDB
voor steun tijdens een vakbondsactie in 1904.

Henri
Polak (met echtgenote)
een van de grondleggers van de Nederlandse vakbeweging.
|
|
Tasten
naar de macht
Omstreeks
1875 begonnen de arbeiders in Nederland zich aarzelend te organiseren.
Van eensgezind optreden was echter nog geen sprake zodat de macht vooralsnog
bij het kapitaal bleef.
‘De
Burcht’ noemde de Amsterdamse volksmond het gebouw waarin de Nederlandse
diamantbewerkers omstreeks
de eeuwwisseling hun hoofdkwartier hadden.
Het monumentale pand aan de huidige Henri Polaklaan (nu het Nationaal
Vakbondsmuseum) was in 1900 gebouwd door H.P. Berlage, in opdracht van
de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond. Politiek eenkennig was de
grote Nederlandse bouwmeester zeker niet.
Drie jaar later kwam, eveneens van zijn hand, een ander Amsterdams gebouw
gereed: de nieuwe Koopmansbeurs
aan het Damrak -zeker in die tijd een monument van kapitalistische macht.
Toch had Berlage sympathie voor de linkse beweging.
Zo gaf hij vorm aan een boek over de Engelse vakbeweging dat door de voorzitter
van de Diamant-bewerkersbond was vertaald en bewerkt.
De naam
van die bewerker: Henri Polak -een man die
de Nederlandse arbeiders in contact wilde brengen met kunst en cultuur
en in Berlage iemand vond die met zijn artistieke inzichten kon bijdragen
tot de ontwikkeling van
de vakbeweging.
Polak bewerkte het betreffende boek overigens niet op zijn eentje. Hij
werd geassisteerd door D.J. Wijnkoop, die een
jaar of vijftien later de Communistische Partij Holland zou oprichten.
MODEL IN DE DIAMANT
Henri
Polak heeft voor de Nederlandse vakbeweging zeer veel betekend.
Evenals andere vakbondsleiders uit die periode was hij ervan overtuigd
dat de strijd tegen de kapitalistische werkgevers met alle bruikbare middelen
moest worden gevoerd.
Maar juist de vraag naar wat 'bruikbaar' was gaf aanleiding tot grote
meningsverschillen. Polak pleitte in de eerste plaats voor organisatie
en discipline.
Wilde stakingen, slechte regelingen voor steun aan de sta-
kers, een slordige administratie van de leden waren hem een doorn in het
oog. Wat hem betreft kon er niet genoeg op worden gehamerd dat een staking
pas zin had als er iets mee gewonnen kon worden.
Was dit laatste niet het geval, dan zaten de stakers met
de frustraties en trokken de werkgevers aan het langste eind. Polaks ANDB
liet zien hoe het volgens hem moest.
Samen
met zijn vriend 'Ome' Jan van Zutphen bouwde hij vanaf 1894 aan een stevige
organisatie naar Engels voor-
beeld, met vrijgestelde leiders die zich geheel konden wijden aan de strijd
voor betere arbeidsvoorwaarden.
Polak had het voordeel dat de diamantbewerkers van nature al een groep
vormden die hecht genoeg was om er zo'n type bond mee op te bouwen.
Ze waren veelal van joodse afkomst, kenden elkaar goed, woonden allen
in Amsterdam en waren door de bank geno-
men beter ontwikkeld dan de arbeiders in andere bedrijfs-
takken waar de ellendige werkomstandigheden en het gebrek aan onderwijs
verlammend werkten op de wil tot organisatie.
De omstandigheden waaronder de Nederlandse arbeiders omstreeks 1900 hun
werk deden waren buitengewoon slecht. De dagen waren lang, rustdagen kenden
ze nauwelijks en vakantie was een onbekend begrip.
Het loon was karig, voorzieningen voor ziekte ontbraken vrijwel geheel
en pensioenen bestonden niet zodat vrouw en kinderen na het wegvallen
van de kostwinner vaak berooid achterbleven.
Ook de behuizing was primitief. In de grote steden woonden de arbeiders
in vochtige souterrains en op het platteland was het vaak nog minder.
De plaggenhutten in Drenthe kregen wat dat betreft een treurige vermaardheid.
Levensmiddelen en (ruimschoots ingenomen) sterke drank moesten verplicht
worden gekocht in de winkel van
de werkgever waar de prijzen aan de hoge kant waren.
Met de komst van moderne industriële bedrijven, vaak met uiterst slechte
werkomstandigheden, nam de kans op verbetering eerder af dan toe. In die
sfeer kwam omstreeks 1870 aarzelend de vakbeweging van de grond.
ONDERLINGE
VERDEELDHEID.
Halverwege
de 19e eeuw begonnen sommige arbeiders in te zien dat alleen massale actie
verbetering zou kunnen brengen in hun situatie.
Gaandeweg ontstonden tal van kleine bonden, aanvankelijk als een soort
gezelligheidsverenigingen waarin men elkaar zoveel mogelijk hielp en in
de schaarse vrije tijd gezamenlijk activiteiten ondernam. Later veranderden
dit soort clubs vaak in strijdorganisaties.
Naarmate
er tekening kwam in de pogingen tot een echte vakbeweging te komen splitsten
protestantse en katholieke arbeiders zich af en vormden eigen organisaties.
De eersten richtten in 1877 de Christelijke Werkmans-
vereniging 'Patrimonium' op, die de staking als strijdwapen principieel
verwierp en ook bereid was tot overleg met
de werkgevers.
Een van hun leiders was dominee A.S. Talma, die later als minister een
poging zou doen een ingrijpende sociale wetgeving tot stand te brengen.
Ook de katholieke arbeiders kwamen tot eigen organisaties, daarbij krachtig
geholpen door de encycliek 'Rerum Novarum' van paus Leo XIII (1891) waarin
een nauwe samenwerking tussen werkgevers en werknemers werd bepleit.
In dat
zelfde jaar stichtte de priester Alphons Ariëns in Enschede de R.K. Textielarbeidersbond.
Hij gaf daarmee de stoot tot een organisatie die weliswaar fel antisocialistisch
was en de staking afwees, maar die zich toch minder dan haar protestantse
tegenhanger door de werk-
gevers de les liet lezen.
De katholieke arbeidersleiders hielden zich overigens strikt aan het bisschoppelijk
gezag, hetgeen samenwerking met
de protestanten wel bijzonder moeilijk maakte.
Maar ook ter linkerzijde was er geen eenheid en zochten allerlei groeperingen
een eigen weg, zoals de in 1881 opge-
richte Sociaal-Democratische Bond van Ferdinand Domela Nieuwenhuis.
Een poging om de socialistische arbeiders bijeen te brengen in een Nationaal
Arbeids Secretariaat (1893) leidde niet tot de vorming van één krachtige
arbeidersorganisatie, omdat
er onder invloed van Domela Nieuwenhuis juist in anar-
chistische richting werd gekoerst -en dat was nu juist een richting die
elke vorm van strakke organisatie afwees.
'Om
het werk te staken is geene vakvereniging nodig, alleen flinke kerels,'
heette het in het NAS.
De in
het NAS verenigde bonden waren voortdurend bezig met stakingen. Soms met
niet meer dan drie man, soms ook met alle arbeiders in een bedrijf die
spontaan het werk neer-
legden en vervolgens zondermeer aan de kant werden gezet.
Bovendien kwam bij de geringste arbeidsonlust de politie of marechaussee
in actie en vielen er harde klappen.
Tijdens een staking werd er bij de arbeiders thuis soms weken achtereen
honger geleden.
De burgerlijke pers nam het doorgaans tegen de stakers op en de werkgevers
trokken dan aan het langste eind.
Als de arbeiders al iets van hun eisen ingewilligd kregen ging het om
een paar centen.
Tussen dat alles door speelde de vraag of de socialistische arbeidersbeweging
het moest zoeken in een felle klassen-strijd, met grote stakingen en revolutionaire
politieke veranderingen, of in een geleidelijke aanpak binnen de bestaande
maatschappij: naast demonstraties en stakingen ook deelnemen aan het parlementaire
werk en daarin streven naar een betere sociale wetgeving.
Deze laatste koers werd vooral gevaren door de in 1894 opgerichte Sociaal-Democratische
Arbeiderspartij (SDAP) van Pieter Jelles Troelstra.
Ook Henri Polak behoorde tot de oprichters van deze partij, al was het
hem eigenlijk meer te doen om een goed georga-
niseerde vakbeweging die zich niet zozeer inliet met
de politiek, maar in de bedrijven zelf moest proberen betere arbeidsvoorwaarden
af te dwingen.
Op zijn initiatief werd in 1906 het Nederlands Verbond van Vakverenigingen
opgericht.
|