MEDISCHE WETENSCHAP

 

 

 

 



Prof.dr. C. Winkler
signaleerde in 1901 als eerste het probleem
dat de Nederlandse universiteiten niet langer opleidden
tot een zelfstandige beoefening van de wetenschap,
maar waren verworden tot vakscholen
die nauwelijks nog contact met elkaar hadden.

 

Tussen ziekbed en laboratorium


Specialisatie had in de 19e eeuw geleid tot een hoge vlucht van
de medische wetenschap.
Starend in de microscoop bleek de geneesheer echter zijn patiënt uit
het oog te hebben verloren.

Jarenlang was in de spreekkamer van de arts de klant koning, en
voor die majesteit moest weleens een toneelstuk worden opgevoerd alvorens uiteindelijk de bloedzuiger kon worden aangelegd.
Tegen de eeuwwisseling kwam daar drastisch verandering in.

Verbetering van de hygiënische omstandigheden en toepassing van
de antisepsis leidden ertoe, dat gevreesde complicaties als
wondettering geleidelijk tot het verleden gingen behoren.

In 1901 hield de Amsterdamse medisch hoogleraar C. Winkler
een toespraak voor de Amsterdamse Studentenvereniging.

Ze werd gepubliceerd onder de titel 'Universiteit en vakschool' en Winkler zou er danig de aandacht mee trekken.
De universiteiten, zo luidde ongeveer zijn betoog, waren door de over-
heveling van de propaedeuse naar de gymnasia een complex van losse vakscholen geworden die niet langer opleidden tot een zelfstandige beoefening van de wetenschap.

Het door Winkler aangesneden probleem was inderdaad een cruciaal vraagstuk van de universitaire medische wetenschap omstreeks 1900.
Ze stond los van de rest van de universiteit en was een zelfstandige natuurwetenschap geworden.
Bovendien was ze onderverdeeld in allerlei specialismen die er alleen met de grootste moeite in slaagden hun onderlinge band te handhaven.


Prof.dr. Ignác Semmelweis
ontdekte in 1860 de oorzaak van de beruchte kraamvrouwenkoorts.


Aureool van macht

Toch had juist die specialisatie ervoor gezorgd dat de medische wetenschap, mondiaal gezien dan, grote vooruitgang had geboekt.
De pathologie bijvoorbeeld was een empirische wetenschap geworden die in de 19e eeuw spectaculaire successen had behaald.
Voortbordurend op het werk van Louis Pasteur waren tal van ziekte-verwekkers gevonden, waaronder zeer gevreesde als de leprabacil (1868) en de tuberkelbacil (1882).
Bovendien was ook het veel kleinere virus ontdekt.

Eerder al, in 1860, had Ignác Semmelweis de oorzaak van de kraam-
vrouwenkoorts gevonden.
Ook de chirurgie had zijn verschrikkingen verloren door de ontwikkeling
van de anesthesie en toepassing van de antisepsis die een einde maakte
aan het probleem van de wondettering.

Al deze ontdekkingen vonden plaats in een periode van ongeveer veertig jaar. Ze omgaven de medische wetenschap met een aureool van almacht.



De operatie- en collegekamer van de chirurgische kliniek
van het Utrechts Academisch Ziekenhuis in 1908.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De linnenkamer van het Amsterdamse Binnengasthuis
in 1887.





ARTS ALS TONEELSPELER


Dat aureool straalde niet alleen af op de universitaire wetenschap maar op het gehele medische bedrijf.
Dat bedrijf was gedurende een groot gedeelte van de 19e eeuw gesplitst geweest in twee standen: de academisch gevormde artsen en de groep van practici die gevormd was in een meester/gezelsysteem en waarvan de leden alleen op het platteland werkzaam waren.

De Artsenwet van 1865 had echter bepaald dat er voortaan nog slechts één type geneeskundige zou zijn: de 'arts' die door een staatscommissie bevoegd werd verklaard.
Hij moest twee staatsexamens afleggen, een natuurkundig en
een geneeskundig.
Hoe hij tot die examens kwam, via de universiteit of via de inmiddels opgerichte klinische scholen, deed niet ter zake.

Bij de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 behaalden de universi-
teiten een eerste, belangrijke overwinning doordat deze bepaalde dat
in elk geval de geneeskundige opleiding exclusief toeviel aan
de universiteit.
Toch moest de universitair gevormde medicus nog een staatsexamen afleggen, en wel voor een commissie waarin praktizerende artsen
een grote rol speelden.
De praktische inslag van deze examinatoren bracht hen in conflict
met het theoretische karakter van de universitaire lesstof.
Er volgde een belangenconflict dat zo'n jaar of twintig duurde
en dat ten slotte uitliep in een volledige overwinning van de universiteit:
de staatscommissie werd in feite een faculteitscommissie.

NIEUWE RELATIE ARTS-PATIËNT

Ook de relatie arts-patiënt onderging in de 19e eeuw een drastische wijziging.
In de eerste helft van de eeuw had deze relatie nog het karakter
van een soort patronageverhouding, d.w.z. dat de klant koning was.

Het relatief kleine aantal mensen uit de hogere kringen dat gewend was zich tot een arts te wenden, bracht de geneeskundige in de positie van een slechte toneelspeler, zeker als hij universitair geschoold was en dus veel van 'systemen' wist maar weinig van de praktijk.

Gezeten tegenover een adellijke cliënte kon de arts haar wel een
diep-begrijpende blik toewerpen, maar vervolgens moest hij maar afwachten wat ze wilde.
Misschien mocht hij haar pols voelen en wellicht zelfs haar tong inspecteren.
De geluidloze hulp van mevrouws kamenier kon vervolgens weleens behulpzaam zijn bij het vaststellen van de kwaal, en met een beetje geluk leverde de arts dan een medicatie -het zetten van een bloedzuiger, een pijnstillend drankje -die inderdaad hielp.

In de tweede helft van de 19e eeuw kwam daarin verandering,
onder andere door nieuwe en objectieve klinische methoden.
Basis van de diagnose waren voortaan lichamelijk onderzoek en laboratoriumanalyse; onderzoek en therapie richtten zich voortaan
op een bepaald deel van het lichaam.
Hierdoor groeide de superioriteit van de arts als man van de weten-
schap en nam de afhankelijkheid van de patiënt toe.

Bouwen bij het leven

Die superioriteit werd door de universiteit met zorg onderbouwd.
Slechts een derde van de medische studenten werd toegelaten tot
het artsenexamen, hooguit een kwart van hen promoveerde.
Specialisatie in de studie en zware examens bepaalden het beeld
van de medicus bij het publiek.
Aan de universiteiten ging de medische faculteit bovendien een hoofdrol spelen, onder andere doordat ze voor een groot deel de bouwactiviteiten bepaalde.
Er kwamen onderwijslaboratoria voor organische chemie,
moderne fysiologie, pathologische anatomie, farmacie en wat al niet;
en grote academische ziekenhuizen die er, net als de laboratoria,
op gericht waren het waarnemingsvermogen van de toekomstige
arts te vergroten.

Overigens werden deze onderwijskundige vernieuwingen niet aan alle universiteiten tegelijk ingevoerd.
Utrecht vervulde op dit terrein een duidelijke voortrekkersrol, Leiden
was de hekkesluiter.

Maar ook in Leiden was omstreeks 1900 de medische wetenschap
de meest in het oog lopende, wetenschappelijke activiteit voorzover
het om grootschaligheid ging.
Misschien wel door de aanvankelijke achterstand werden hier echter
de eerste vragen gesteld over het nut van een louter wetenschappelijke training van de aanstaande arts.

Toen de curatoren in 1891 een bezoek brachten aan het laboratorium
voor pathologische anatomie kwam het gesprek met professor Siegenbeek van Heukelom op 'de tegenwoordige richting van het onderwijs, die mede brengt, dat men door microscopisch onderzoek
tot de kleinste bijzonderheden afdaalt'.

Siegenbeek ontkende het nut van dergelijk onderzoek niet, maar wees wel op de eenzijdigheid ervan.
Het kwam niet zelden voor, zo zei hij, 'dat jongelui, in het microscopisch onderzoek niet onervaren, onbekend waren met de ligging, de natuur en de werking der organen, waarvan zij de bestanddelen tot in de bijzon-
derheden hadden nagegaan'.

Ook onder geneeskundigen werden alom dergelijke geluiden
gehoord.
Het leidde er ten slotte toe dat een hoogleraar als Willem Nolen weer
'arts aan het ziekbed' werd.
Want 'geen laboratorium-werk, hoe vernuftig ook, is bij machte
het antwoord te geven op de veelomvattende vragen, die de zieke
ons stelt. Daarvoor is het noodig den zieke zelf te onderzoeken
en te bestuderen'.

naar inhoud 1900 naar index