Tussen hervorming en revolutie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pieter Jelles Troelstra (midden),
geflankeerd door twee andere prominenten uit de SDAP,
J. Ankersmit (links) en de Amsterdamse wethouder F.M. Wihaut.
De foto dateert uit het voorjaar van 1919;
de heren zijn op weg naar het Paascongres van hun partij.
Een paar maanden eerder, in november 1918,
had Troelstra's 'revolutiepoging' op pijnlijke wijze schipbreuk geleden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



De eerste redactie van het socialistische dagblad 'Het Volk', opgericht in 1900.
In het midden achter de tafel Troelstra zelf,
die optrad als (politiek) hoofd redacteur.
Het blad, partijorgaan van de SDAP,
zou een belangrijke rol spelen in de socialistische beweging
en was jarenlang Troelstra's spreekbuis.

 

PIETER JELLES TROELSTRA (1860-1930)



De socialist Troelstra aarzelde lang tussen aanpassing en revolutie. Toen hij in 1918 in een opwelling voor het laatste koos, bleek dat
een vergissing.
Het Nederlandse volk was niet geïnteresseerd.

Troelstra speelde em centrale rol in de ontwikkeling van de socialistische beweging tot een gevestigde partij in de parlementaire democratie.
Tegelijkertijd echter remde hij die ontwikke!ing af door zijn onvast en emotioneel leiderschap.

'De weg naar politieke overwinningen is met parlementaire neder-lagen bezaaid,' schreef Troelstra in zijn gedenkschriften.
Een uitspraak die zowel kenmerkend is voor zijn optreden als staatsman in het Nederland van omstreeks 1900 als voor zijn eigen, nogal paradoxale karakter.
Want wat was deze Friese socialist nu eigenlijk: revolutionair of parlementariër?

Nu eens gedroeg hij zich als het een, dan weer als het ander.
En de uiteindelijke beslissing — parlementariër — werd minder ingegeven door zijn persoonlijke keuze dan door een geleidelijke
ontwikkeling binnen de door hem geleide socialistische beweging. Van een buitenparlementaire actiegroep veranderde deze op den duur in een belangrijke partij binnen de parlementaire democratie. In deze ontwikkeling nam Troelstra een centrale plaats in, zij het soms tegen wil en dank.

SOCIALISTISCH ONGEDULD

De Nederlandse socialisten organiseerden zich later dan
de protestanten en de rooms-katholieken.
Ondanks de grote verschillen tussen rijk en arm was in Nederland tot in de jaren negentig van de vorige eeuw geen sprake van grootkapitalisme en klassenstrijd.
De tegenstellingen tussen godsdienstige dogma's speelden hier te lande een veel belangrijkere rol dan die tussen uitheemse theorieën als kapitalisme en marxisme.

De liberale politici erkenden weliswaar het bestaan van de 'sociale kwestie', maar wezen staatsingrijpen af. Op de lange termijn, zo meenden ze, zou in dat alles spontaan verbetering intreden.
De socialisten hadden minder geduld. Onder de bezielende leiding van de voormalige predikant F. Domela Nieuwenhuis voerde
de Sociaal-Democratische Bond (1882) felle acties die echter weinig of niets uithaalden.
De socialistische beweging dreigde gedurende de jaren negentig dan ook te verzanden in een steriel anarchisme.

In deze crisisperiode trad Troelstra naar voren.
'Uit de massa der naamloze werkers voor hun dagelijks brood
ben ik voortgekomen,' beweerde hij.
Helemaal waar was dat niet: zijn vader had zich omhooggewerkt
tot een aanzienlijke positie als belastingontvanger in Stiens, wethouder te Leeuwarden en leider van de liberalen in
de Friese hoofdstad.

Een 'naamloze werker' was Troestra al evenmin: hij studeerde rechten in Groningen en promoveerde in 1888 op een beschouwing over sociale discriminatie bij het getuigenverhoor in strafzaken.
Maar sociaal bewust was hij wel, zoals blijkt uit zijn dichtwerk uit die tijd.
Hij bezong - in het Fries - de natuur, de mens en de vrijheid en zette zich af tegen zijn vader en tegen de burgerlijk-liberale 'kruideniers-mentaliteit'.

Naarstig zocht hij naar een groter geheel waarvan hij deel kon uitmaken. Aanvankelijk vond hij dat in het Friese eigene; later,
als advocaat in Leeuwarden, in de arbeidersbeweging.

In 1890 werd Troelstra lid van de Sociaal-Democratische Bond.
Hij trok naar Amsterdam en ontpopte zich daar als politiek advocaat voor linkse arbeiders.
Binnen de SDB was hij een van de eersten die zich verzetten tegen de anarchistische en antiparlementaire tendensen van de gefrustreerde Domela Nieuwenhuis.
Troelstra pleitte voor algemeen kiesrecht en beschouwde deel-neming aan het parlementaire werk, ook al leverde dat geen praktische resultaten op, als een machtig middel om de zaak van
de arbeiders onder de publieke aandacht te brengen en een revolutionair bewustzijn te kweken.

In 1894 achtte Troelstra de tijd rijp om samen met een aantal gelijkgezinden, de zgn. Twaalf Apostelen, de SDB te verlaten en een nieuwe partij te stichten, de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij. Aanvankelijk was de SDAP klein, met een bescheiden aanhang onder Friese landarbeiders, joodse diamantbewerkers en agrarische ambachtslieden in de provincie.
Maar uiteindelijk zou ze ook doorbreken onder de geschoolde arbeiders in de steden en uitgroeien tot een volkspartij die zo'n vijfde deel van het electoraat vertegenwoordigde.

REVOLUTIONAIRE SENTIMENTEN

Troelstra beleefde zijn glorietijd in de eerste plaats als redenaar
en agitator in de strijd om het algemeen kiesrecht.
In 1897 werd hij bovendien gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Zijn houding tegenover de parlementaire democratie bleef echter ambivalent.
'De geschiedenis wordt hier besproken, maar niet gemaakt,'
sprak hij in 1911.
'Wanneer ik hier in uw midden ben als kamerlid, dan gevoel ik mij niet een maker van de geschiedenis, dan raisonneer ik erover.
Maar ik gevoel mij wel een maker van de geschiedenis wanneer ik buiten dit parlement met de arbeidersmassa's in contact
ben.'

Geen wonder dat Troelstra's SDAP het oor ook nogal eens liet hangen naar buitenparlementaire en zelfs revolutionaire senti-menten.
Dit blijkt uit de onberaden steun aan de spoorwegstaking van 1903 en het terugschrikken voor regeringsverantwoordelijkheid in 1913.

Maar aan de andere kant was de aanpassing van de partij in volle gang. Dat bleek uit de uitstoting van de marxisten (1909) en het deelnemen aan het gemeentelijk bestuur in diverse steden in het land.

De wankelmoedigheid van de SDAP vond haar neerslag in het emotionele en onvaste leiderschap van Troelstra.
Enerzijds was hij een bekwaam parlementariër die uiterst behoed-zaam balanceerde tussen de reformisten en de dogmatici in zijn partij.
Tegelijkertijd was hij een ziener die hevig verlangde naar een nieuwe samenleving en gereed dacht te zijn de arbeidersmassa naar de macht te leiden zodra de tijd daar rijp voor was.

In november 1918 leek het heel even zover.
Onder invloed van revoluties elders en rellen in eigen land riep Troelstra de Nederlandse regering op de macht over te dragen aan de arbeiders. Het kabinet gaf daaraan geen gehoor en ook het volk maakte geen aanstalten in opstand te komen.
Integendeel: massale demonstraties maakten Troelstra duidelijk dat hij zich in de revolutionaire gezindheid van de Nederlanders had vergist.
Door deze mislukte 'revolutiepoging' liep het prestige van Troelstra buiten zijn eigen kring onherstelbare schade op. De SDAP zou nog jaren gelden als een onbetrouwbare partij; ze werd tot 1939 buiten de regering gehouden, ook al koos ze na 1918 definitief voor de parlementaire weg om tot een betere samenleving te komen. Troelstra is in zijn onvast en emotioneel leiderschap een overgangsfiguur geweest.

naar inhoud 1900 naar index